id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 september 202
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen:
Art. 3- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen:
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 8 Indien één of meer daden van strafbare deelneming zijn verricht op het Belgisch grondgebied aan een in het buitenland gepleegd hoofdmisdrijf, heeft de Belgische strafrechter op grond van artikel 3 Strafwetboek rechtsmacht voor die daden van strafbare deelneming aan dat hoofdmisdrijf
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen:
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen:
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 66- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen:
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.24.0506.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De situering van misdrijven op het Belgisch grondgebied (art. 3 Sw.)”.
- Bestreden arrest.
- Eisers hebben op 2 augustus 2022 een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij de onderzoeksrechter te Antwerpen, afdeling Antwerpen, gericht tegen onbekenden, wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, valsheid in informatica en gebruik van valse informaticagegevens en misbruik van vennootschapsgoederen. De feiten werden gesitueerd te Antwerpen, Brussel en elders in het Rijk, op nader te bepalen data in de periode tussen 1 oktober 2020 en 2 augustus
- In hun beroepsconclusie (st. 9) stelden eisers dat er parallel met het gerechtelijk onderzoek een burgerlijke procedure loopt, ingeleid op 22 september 2022, met als voorwerp ‘identieke feiten’ als deze die in de strafklacht zijn vermeld. In de burgerlijke procedure werd er volgens eisers geen betwisting gevoerd over de rechtsmacht van de Belgische rechtscolleges (st. 9, p.6).
- In de eindvordering heeft het openbaar ministerie de opgegeven misdrijven behouden, de personen I.G. en P. R. (beiden met woonplaats te Londen) aangemerkt als verdachten en de telastleggingen in tijd en ruimte gesitueerd als “te Londen tussen 3 oktober 2019 en 21 september 2020”.
- Het bestreden arrest geeft aan dat eisers, burgerlijke partijen, aandeelhouders waren van de beursgenoteerde vennootschap MERIT CAPITAL NV, failliet verklaard bij vonnis van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 29 september
- Verweerders I.G. en P.R. verwierven via de vennootschap DUET GROUP 51% van de aandelen van MERIT CAPITAL NV en zouden via het Londens hefboomfonds H2O transacties hebben gedaan ten nadele van MERIT CAPITAL NV. Op 3 oktober 2019 hebben verweerders een overeenkomst ‘General Master Repurchase Agreement’ ondertekend (GMRA) tussen H2O en MERIT CAPITAL NV. Deze samenwerking had als resultaat dat de vergunning van MERIT CAPITAL NV als beursvennootschap en vermogensbeheerder werd ingetrokken, en haar vermogen aan liquide middelen met twee miljoen euro afnam (blz. 14).
- Het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) te Antwerpen van 7 maart 2024 bevestigt de beschikking van de raadkamer te Antwerpen van 13 september 2023 die de onbevoegdheid van de Belgische rechtbanken vaststelt. Het bestreden arrest meent dat vervolging in België niet mogelijk is, omdat geen van de constitutieve bestanddelen van de misdrijven te situeren zijn in België en de Belgische rechtscolleges bijgevolg onbevoegd zijn. Meer specifiek geeft het arrest aan dat: - Het loutere feit dat R. gebruik maakte van het e-mailadres eindigend op @meritcapital.be voor bepaalde communicatie met H2O is onvoldoende om het constitutieve element van de valsheid van de GMRA te situeren in Antwerpen, zetel van MERIT CAPITAL NV; - Het gebruik van dit e-mail adres heeft geen invloed op de inhoud van de GMRA die vals is; - I.G. en P.R., beide woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, hebben met de Londense firma H2O onderhandeld voor het opstellen van de GMRA, zodat dit stuk is ontstaan in het Verenigd Koninkrijk en geenszins in België; - Het gebruik van de GMRA als vals stuk om transacties uit te voeren vond eveneens plaats in het Verenigd Koninkrijk, gelet op 1°de maatschappelijke zetel van H2O en de woonplaats van I.G. in Londen, 2°het feit dat de GMRA niet werd gebruikt door MERIT CAPITAL NV om enige prestatie af te dwingen en 3°het ontbreken van goedkeuring van de transacties door MERIT CAPITAL NV, die niet geldig vertegenwoordigd was door I.G.; - De beweerde informaticavalsheid over het elektronisch ondertekenen van de GMPR, met een gescande reproductie van de handtekening van P.R. vond plaats in Londen, door een medewerker van DUET GROUP, met maatschappelijke zetel in Londen; - Het gebruik van de GMRA met een valse elektronische handeling om transacties uit te voeren vond eveneens plaats in het Verenigd Koninkrijk, gelet op 1°de maatschappelijke zetel van H2O en de woonplaats van I.G. in Londen, 2°het feit dat de GMRA niet werd gebruikt door MERIT CAPITAL NV om enige prestatie af te dwingen en 3°het ontbreken van goedkeuring van de transacties door MERIT CAPITAL NV, die niet geldig vertegenwoordigd was door I.G.; - Het misbruik van het krediet van MERIT CAPITAL NV wordt toegeschreven in aan I.G. en P.R., woonachtig in het Verenigd Koninkrijk; het misbruik wordt vanuit het Verenigd Koninkrijk gepleegd en niet vanuit België; de door eisers aangehaalde rechtspraak inzake de objectieve ubiquiteitstheorie heeft geen betrekking op voormelde feiten zoals ze zich voordeden.
- Voorbereidingshandelingen als aanknopingspunt voor rechtsmacht.
- Eisers voeren in een eerste onderdeel aan dat de K.I. ten onrechte aannam, in strijd met art. 3 Sw., dat zij alleen moest nagaan of één van de constitutieve elementen van de misdrijven op het Belgisch grondgebied kan worden gesitueerd. De lokalisering van het misdrijf in België hangt ook af van een “materiële handeling gesteld ter voorbereiding van één van de constitutieve bestanddelen van de ten laste gelegde feiten”. Het gebruik van een Belgisch e-mail adres dat behoorde tot de benadeelde vennootschap NV MERIT CAPITAL ter voorbereiding van een valse overeenkomst is een ‘materiële voorbereidende handeling’ voor ‘één van de constitutieve bestanddelen’ van de misdrijven. Die voorbereidende handeling maakt volgens eiser een element uit voor vervolging van de feiten in België.
- Beoordeling. Artikel 3 Strafwetboek bepaalt dat het misdrijf, op het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten. Het misdrijf gepleegd buiten het Belgisch grondgebied, door een Belg of vreemdeling, wordt in België alleen gestraft in de gevallen bepaald bij de wet (art. 4 Sw.), meer bepaald de artikelen 6 tot en met 14/15 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering over extraterritoriale rechtsmacht, zoals gewijzigd of ingevoegd door de artikelen 2 tot 32 Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, BS 18 april
- Artikel 3 Sw. houdt niet in dat het misdrijf in al zijn componenten moet zijn gerealiseerd op Belgisch grondgebied. De bepaling geeft aanleiding tot interpretatieproblemen bij onder meer complexe misdrijven, waarbij handelingen die tot één materieel element van het misdrijf behoren in het buitenland zijn gesteld en handelingen die een ander materieel element opleveren of daden van deelneming zijn te situeren zijn in België. Criteria voor de bepaling van de plaats van dit multiterritoriaal misdrijf zijn niet in art. 3 Sw. opgenomen.
- Het is vaste rechtspraak dat een misdrijf in België is gepleegd, zodat de Belgische rechter rechtsmacht heeft om daarover te oordelen, indien één van de constitutieve bestanddelen of een verzwarende omstandigheid geheel of gedeeltelijk op het Belgisch grondgebied plaatsvindt
(1). Deze afbakening van rechtsmacht op basis van art. 3 Sw., in geval het misdrijf gedeeltelijk tot stand kwam in België, is in de rechtsleer gekend als de “ objectieve ubiquiteitstheorie”
(2). Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of constitutieve bestanddelen van een misdrijf op het Belgisch grondgebied kunnen worden gesitueerd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(3). Het is aan de vervolgende partijen (Openbaar Ministerie en burgerlijke partijen) om bij toepassing van art. 3 Sw. aan te tonen dat het misdrijf te lokaliseren is in België
(4). 9. De rechtsmacht op basis van art. 3 Sw. hangt niet af van de vraag in welk land de meeste gedragingen zijn gesteld die bijdragen tot het misdrijf. De Belgische rechter is bevoegd van zodra dat één van de handelingen die verband houdt met het materieel element van het misdrijf of een verzwarende omstandigheid in België te situeren is
(5). Daarbij kan de rechter het voorhanden zijn van een constitutief bestanddeel in België vaststellen op basis van concrete, uitwendige handelingen. In een zaak van witwassen oordeelde het Hof op 15 november 2022: “De Belgische strafrechter heeft op grond van artikel 3 Strafwetboek rechtsmacht om te oordelen over een in België gepleegd misdrijf. Daartoe behoort een misdrijf waarvan één van de constitutieve bestanddelen geheel of gedeeltelijk op het Belgische grondgebied is gelokaliseerd of waaraan materiële gedragingen ten grondslag liggen die zowel in België als in het buitenland zijn gepleegd en die een ondeelbaar geheel vormen”
(6). 10. Op basis van alleen het opzet om een handeling te stellen kan aan de Belgische rechter geen rechtsmacht worden toegekend, voor strafbare feiten begaan in het buitenland
(7). De plaats waar het misdrijf effect heeft, een nadeel oplevert, vormt evenmin een aanknopingspunt voor rechtsmacht van de Belgische rechter, tenzij dit effect of gevolg een materieel element van het misdrijf inhoudt en geheel of gedeeltelijk in België tot stand komt
(8). De ‘effectenleer’ of situering van het misdrijf in België louter op basis van de schade of het gevolg van het misdrijf kent weinig aanhang in de rechtsleer. Ik kan mij niet aansluiten bij het standpunt van eisers in hun beroepsconclusie (st. 19, p. 5) over het gebruik van valse stukken (meer bepaald het per e-mail bezorgen van een valse overeenkomst aan de compliance officer van MERIT CAPITAL NV, ontvangen op een adres @meritcapital.be) dat “het nadeel volstaat om met misdrijf in België te lokaliseren”, en “de werkelijk geleden schade de sterke band toont tussen het misdrijf en het Belgisch grondgebied”, om daaruit rechtsmacht van de Belgische gerechten af te leiden voor het misdrijf. Wat telt is de vraag of er in België gedragingen zijn gesteld die een constitutief bestanddeel van het misdrijf uitmaken
(9). 11. Het mogelijke nadeel dat in België is ontstaan, als gevolg van een misdrijf begaan in het buitenland, is alvast ontoereikend als grondslag voor berechting van dat misdrijf naar Belgisch recht
(10). Er moet minstens een materiële gedraging zijn gesteld in België die aan de basis ligt van een strafbare gedraging, als materieel element van het misdrijf naar Belgisch recht. 12. Bijkomend wordt voor de rechtsmacht van de Belgische rechter de “leer van de ondeelbaarheid” toegepast, wat vooral van nut is voor de berechting van een voortdurend misdrijf (dit is het bestendigen van een delictuele toestand) of voor een geheel van feiten die onderling verbonden zijn voor eenheid van opzet, en één voortgezet of collectief misdrijf vormen
(11). Deze theorie houdt in dat de Belgische rechter kennis mag nemen van alle elementen van het misdrijf die een ondeelbaar geheel vormen met het misdrijf dat op Belgisch grondgebied is gepleegd
(12). Het Hof nam op 20 juni 1977 aan, in een zaak van drughandel, dat wanneer strafbare handelingen in België zijn begaan, deze feiten in België strafbaar zijn, zelfs “indien ze verband houden met andere in het buitenland gepleegde feiten”
(13). Verder stelde het Hof in 2016: “De valsheid en het gebruik van valse stukken, die gepleegd zijn door eenzelfde persoon, vormen één enkel misdrijf. In zoverre het gebruik van de valsheid in geschrifte de voortzetting is van de valsheid, wordt de valsheid die in het buitenland werd gepleegd maar waarvan de dader gebruik maakt in België, geacht in België gepleegd te zijn”
(14). 13. In een zaak van omkoping en oplichting nam het Hof op 10 maart 2021 een soepele interpretatie aan over het constitutief bestanddeel van het misdrijf
(15)als basis voor rechtsmacht, namelijk: “Om de toepassing van het territorialiteitsbeginsel van de strafwet uit te sluiten, moet de rechter dus vaststellen dat het wanbedrijf door geen van zijn bestanddelen verbonden is met het grondgebied van het Rijk” en “Het complexe misdrijf, dat het stellen van meerdere materiële handelingen van verschillende aard inhoudt, wordt geacht in België te zijn gepleegd wanneer een van de bestanddelen ervan daar werd gepleegd” en “Een oplichting of een verduistering wordt geacht op het grondgebied van het Rijk te zijn gepleegd indien er op zijn grondgebied voorbereidende handelingen zijn gesteld die een van de noodzakelijke bestanddelen van de listige kunstgreep of van de verandering van eigendomstitel vormen.”
(16). 14. Het Hof verbrak in deze zaak een beslissing van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, wegens onbevoegdheid van de Belgische rechtscolleges, omdat de rechter in hoger beroep voor de beoordeling van oplichting of verduistering niet uitsloot dat “er op het grondgebied van het Rijk een materiële handeling is gesteld die tot doel had een van de bestanddelen van de telastleggingen voor te bereiden of tot stand te brengen”
(17). De bevoegdheid van de Belgische strafgerechten werd aldus verruimd door louter voorbereidende handelingen tot een materieel constitutief bestanddeel van het misdrijf als grondslag aan te nemen
(18). De plaats waar dat constitutief bestanddeel effectief tot stand kwam is dan niet meer de enige factor. 15. In zaken waar een bestanddeel van het misdrijf of een voorbereidingshandeling bestaat uit een fysieke handeling, is de situering van het misdrijf in België of het buitenland eenvoudiger dan voor misdrijven die tot stand komen in een digitale ruimte, via internet
(19). De vraag rijst of het gebruik van een Belgisch e-mail adres door personen met woonplaats in het buitenland volstaat om vermogensdelicten ten nadele van een Belgische onderdaan of rechtspersoon te bestraffen in België, door aan te nemen dat het misdrijf in België is gerealiseerd. Enige voorzichtigheid lijkt mij geboden. Het kan m.i. niet de bedoeling zijn dat benadeelden van een misdrijf dat tot stand kwam in het buitenland via een klacht met burgerlijke partijstelling de strafvordering op gang brengen in België, met als enig aanknopingspunt dat één van de verdachten met woonplaats in het buitenland een e-mail adres met extensie .be heeft aangewend. 16. Strafrecht is nauw verweven met de soevereiniteit van Staten. Als regel geldt dat de Staat op wiens grondgebied het misdrijf is begaan instaat voor de vervolging en berechting van dat misdrijf, dat zijn openbare orde aantast
(20). Art. 3 Sw. beperkt de toepassing van de Belgische strafwet tot het grondgebied van België, tot de bescherming van de eigen nationale rechtsorde
(21). Een te soepele regeling over het opvatten van gedragingen gesteld in het buitenland als een misdrijf gepleegd op Belgisch grondgebied, doet afbreuk aan dit beginsel. 17. Het lokaliseren van een misdrijf in België omdat één van de materiële componenten in België is gerealiseerd, geheel of gedeeltelijk, brengt vaak mee dat de verdachte voor dezelfde feiten kan worden berecht in het buitenland, waar andere componenten van het misdrijf tot stand kwamen. Wanneer het misdrijf geheel of gedeeltelijk in België is gepleegd (art. 3 Sw.), moet de rechter in beginsel geen rekening houden met een veroordeling of vrijspraak van dezelfde beklaagde, voor dezelfde feiten, uitgesproken door een buitenlandse rechter
(22). Alleen een definitieve veroordeling of vrijspraak in een andere staat van de Schengenzone houdt voor de Belgische rechtscolleges een obstakel in voor berechting van dezelfde feiten (art. 54 Schengenverdrag over het beginsel ne bis in idem)
(23). Het maakt daarbij niet uit of de feiten berecht in het buitenland wel of niet zijn gepleegd op het Belgische grondgebied
(24). Voor een veroordeling of vrijspraak door een rechter buiten de Schengenzone wordt evenwel aangenomen, op basis van oud art. 13 V.T. Sv. (thans art. 14/14 V.T. Sv., ingevoegd door art. 30 Wet van 9 april 2024, BS 30 april 2024), dat deze beslissing de berechting van hetzelfde feit in België belet, als het misdrijf exclusief is gepleegd in het buitenland
(25). 18. Het in België lokaliseren van misdrijven door een brede benadering van de ‘ubiquiteitstheorie’ draagt eveneens bij tot de situatie dat meerdere rechtscolleges bevoegd zijn om eenzelfde feit of feitencomplex te berechten, elk met toepassing van hun nationale strafwet
(26). Deze concurrentie tussen rechtscolleges en rechtsstelsels maakt het de rechtsonderhorige niet gemakkelijk om in domeinen zoals het economisch strafrecht of milieurecht te weten welke gedragingen toelaatbaar zijn. Wat in één staat wordt beschouwd als een constitutief bestanddeel van het misdrijf, of een materiële gedraging die een bestanddeel van het misdrijf oplevert, of zelfs een voorbereidingshandeling, kan volgens rechtspraak in de andere staat als een toegelaten handeling zijn, die een beletsel vormt om een misdrijf in die staat te situeren. 19. Een te ruime invulling van het constitutief bestanddeel van het misdrijf begaan in België, als grondslag voor de ubiquiteitstheorie, stuit in de rechtsleer op kritiek. In zijn conclusie over familieverlating (art. 391bis Sw.) als voortdurend misdrijf, en het aspect van bevoegdheid van de Belgische rechter over een geheel van feiten, waarvan een deel te situeren is in het buitenland, stelde advocaat-generaal Raoul DECLERCQ als beginsel voorop dat hetgeen “in België niet vervolgbaar is, er niet vervolgbaar wordt door het samen te voegen met iets dat wel vervolgbaar is”
(27). Een niet-strafbare handeling begaan in België mag dan ook geen opstapje zijn om strafbare feiten gepleegd in het buitenland te lokaliseren in België en te onderwerpen aan de rechtsmacht van Belgische gerechten. In de omgekeerde zin wordt de Belgische rechtsmacht strikter geïnterpreteerd. Gaat het om een misdrijf begaan in België, dan is de Belgische rechter niet bevoegd om een louter voorbereidende handeling in het buitenland te bestraffen
(28). 20. Ook Dr. Guy STESSENS liet zich kritisch uit over het toekennen van rechtsmacht aan de Belgische rechter op basis van een materiële handeling in België, zoals de ontvangst in België van misleidende informatie verstuurd vanuit het buitenland over kansspelen, om zich op basis van die handeling uit te spreken over een misdrijf dat tot stand kwam in het buitenland. Hij meent dat deze uitbreiding van rechtsmacht moeilijk te verantwoorden is als de materiële handeling niet strafbaar is in het land van waaruit het misdrijf is gepleegd. Bovendien staat deze verruimde rechtsmacht in een EU-context op gespannen voet staat met het beginsel van vrij verkeer van diensten
(29). 21. Onderzoeksrechter Ludvine KERZMANN is bezorgd dat de voorzienbaarheid van de strafwet, als onderdeel van het legaliteitsbeginsel (artt. 7 EVRM en 12 GW)
(30), in het gedrang komt door de criteria voor de situering van het misdrijf in België te ruim op te vatten, meer bepaald door niet-strafbare voorbereidingshandelingen als enig aanknopingspunt te aanvaarden voor de rechtsmacht van de Belgische rechter
(31). Hierbij valt aan te stippen dat bij toepassing van art. 3 Sw. er geen rekening wordt gehouden met de vreemde strafwet, zoals de wet van de verblijfsstaat van de dader
(32). Een handeling die de Belgische rechter opvat als constitutief element of voorbereidingshandeling om feiten deels begaan in het buitenland te typeren als een Belgisch misdrijf, kan naar het recht van de nationaliteit of woonplaats van de dader niet strafbaar zijn of geen aanleiding geven tot rechtsmacht over de feiten. 22. Dr. Steven DEWULF leidt uit de rechtspraak een ‘duidelijke tendens’ af om steeds ruimere territoriale en extraterritoriale strafrechtelijke aanspraken te laten gelden, op basis van artikelen 3 en 4 Sw. Hij meent dat er grenzen moeten worden getrokken aan de ubiquiteitsleer en de leer van ondeelbaarheid. Het rekken van rechtsmacht van de Belgische rechter is “in beginsel juridisch correct en eveneens noodzakelijk voor de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit”, maar houdt risico’s in bij een te extensieve interpretatie, meer bepaald: “van conflicterende aanspraken en procedures door verschillende staten, van onderzoeks- en bewijsmatige obstakels, maar ook van een onduidelijk(er wordend) en dus onzeker rechtskader”
(33). 23. De auteurs Chris VAN DEN WYNGAERT, Steven VANDROMME en Philip TRAEST zijn dezelfde mening toegedaan: “Het is, bij gebrek aan wettelijke criteria, voor rechtbanken in binnen- en buitenland vaak zeer aanlokkelijk om een brede lokaliseringstheorie te volgen: hierdoor kunnen gedragingen die zich geheel of gedeeltelijk in het buitenland situeren, op het eigen grondgebied worden gefxieerd… Het gevolg van leerstukken zoals de ubiquiteitsleer, de effectenleer en de leer van ondeelbaarheid is dat er in bepaalde gevallen een meervoudige locus delicti (plaats van het misdrijf) ontstaat, waardoor meerdere staten een jurisdictieaanspraak op hetzelfde feit kunnen laten gelden. Dit kan tot internationale spanningen tussen de bevoegde staten leiden. Deze spanningen kunnen ontstaan wanneer meerdere staten een zelfde persoon wensen te vervolgen, maar ook wanneer staat A feiten wil vervolgen die op het grondgebied van staat B zijn gepleegd en die daar niet strafbaar zijn. De voorwaarde van dubbele strafbaarstelling (dubbele incriminatie) geldt immers enkel t.a.v. extraterritoriale misdrijven…Ook de betrokkene is hierbij niet gebaat: hierdoor riskeert hij immers verschillende malen wegens hetzelfde feit te worden vervolgd. Het ontbreken van een internationale ne bis in idem-regeling op dit punt is een lacune”
(34). 24. Het nieuwe Strafwetboek, van toepassing op 8 april 2026, vat de rechtsmacht van de Belgische rechter strikter op, in die zin dat alleen constitutieve bestanddelen van het misdrijf als steunpunten dienen. Artikel 3 nieuw Sw. over toepassing van de strafwet in de ruimte stelt: “Behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen wordt het misdrijf, op Belgisch grondgebied door Belgen of vreemdelingen gepleegd, bestraft overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten. Het misdrijf, buiten het Belgisch grondgebied door Belgen of vreemdelingen gepleegd, wordt in België niet bestraft, behoudens in de bij wet bepaalde gevallen. Het misdrijf is op het grondgebied van het Rijk gepleegd wanneer een van de constitutieve of verzwarende bestanddelen ervan materieel op dat grondgebied heeft plaatsgevonden” (Wet 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, BS 8 april 2024). De Belgische rechter kan zich alleen bevoegd achten als één van de constitutieve of verzwarende omstandigheden ‘daadwerkelijk’ op het Belgisch grondgebied heeft plaatsgevonden
(35). Een loutere voorbereidingshandeling begaan in België, voorafgaand aan handelingen gesteld in het buitenland die een constitutief bestanddeel van het misdrijf opleveren (zoals listige kunstgrepen, een valse naam of valse hoedanigheid als bedrieglijk middel, art. 496 Sw.), lijkt in deze visie ontoereikend om het misdrijf in België te situeren en aan de Belgische rechter rechtsmacht toe te kennen. 25. Het nieuwe Strafwetboek steunt op zowel de (klassieke) ubiquiteitstheorie als de leer van de ondeelbaarheid. Over dit laatste aspect werd aangegeven: “het gegeven dat het misdrijf zich gedeeltelijk heeft voorgedaan op het grondgebied van het Rijk rechtvaardigt dat de Belgische rechter de regels van het Belgisch strafrecht toepast. Het verplichten van de nationale rechter om in dergelijk geval ook het vreemde recht toe te passen, dreigt hem voor een onmogelijke opdracht te plaatsen. Bovendien zal het niet altijd eenvoudig zijn te bepalen waar zich het zwaartepunt van het misdrijf bevindt om de toepassing van het vreemde recht te verantwoorden”
(36). 26. Mij komt voor dat de situering van het misdrijf in België best wordt geënt op de klassieke objectieve ubquiteitsleer zoals opgenomen in art. 3 nieuw Strafwetboek, of dat de term ‘voorbereidende handelingen’ als basis voor rechtsmacht strikt wordt geïnterpreteerd, om bevoegdheidsconflicten tussen staten te beperken. Het zou dan kunnen gaan om handelingen die apart strafbaar zijn of die, in de leer van de strafrechtelijke poging (art. 51 Sw.), een begin van uitvoering van het misdrijf vormen en erop gericht zijn dit misdrijf te plegen
(37). Dit laatste sluit m.i. aan bij de term ‘materiële gedraging die ten grondslag liggen van een constitutief bestanddeel van het misdrijf dat geheel of gedeeltelijk op het Belgische grondgebied is gelokaliseerd’
(38). Uit het enkel feit dat in België een niet-strafbare voorbereidende handeling is gesteld door een verdachte en de materiële bestanddelen van het misdrijf in het buitenland zijn gerealiseerd, volgt bijgevolg niet dat dit misdrijf een in België gepleegd misdrijf is in de zin van artikel 3 Strafwetboek. In zoverre faalt het onderdeel m.i. naar recht. 27. Het is niet omdat er in deze zaak een band zou zijn met België, namelijk het gebruik van een e-mailadres met extensie .be door één van de verdachten met woonplaats in het buitenland, dat de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van een geheel van feiten waarvan materiële gedragingen die de constitutieve bestanddelen vormen te situeren zijn in het Verenigd Koninkrijk. Het bestreden arrest geeft m.i. correct aan dat het enkel gebruik van een Belgisch e-mailadres nog geen strafbaar feit inhoudt, zelfs al wordt via dat kanaal informatie uitgewisseld die werd gebruikt voor het opstellen van een vals stuk, en zou dit vals stuk aan de basis liggen van het onttrekken van kapitaal van een Belgische onderneming. Wat telt is de inhoud van het bericht en de vraag of een materieel bestanddeel van het misdrijf daadwerkelijk is gerealiseerd op Belgisch grondgebied
(39). Uit het bestreden arrest valt af te leiden dat het van valsheid berichte stuk, de GMRA van 3 oktober 2019, het resultaat is van onderhandelingen tussen inverdenkinggestelde P.R., wonende in Londen, en de firma H2O, met zetel te Londen, en het beweerde misbruik van vennootschapsgoederen niet in België is begaan.
- Naar mijn mening geeft het bestreden arrest voldoende duidelijk aan dat 1°geen van de misdrijven aangeduid in de klacht met burgerlijke partijstelling van eisers te lokaliseren is in België, bij gebrek aan een constitutief element van het misdrijf ontstaan in België, en 2° er in België geen materiële gedraging is gesteld die aan een materieel bestanddeel van de misdrijven ten grondslag ligt en een ondeelbaar geheel vormt met gedragingen in het buitenland. Met de hoger vermelde redenen lijkt mij het arrest naar recht verantwoord, zodat het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen.
- Hieraan is toe te voegen dat het middel van eisers, burgerlijke partijen, een beperkte draagwijdte heeft, die mocht daar reden toe zijn, niet kan worden uitgebreid door het aanvoeren van een ambtshalve middel in cassatie
(40). Vooreerst komt het eerste onderdeel niet op tegen het oordeel dat geen van de constitutieve bestanddelen van de beweerde misdrijven in België te situeren is. Eisers voeren in cassatie aan dat tweede verweerder bij de totstandkoming van de valse overeenkomst GMRA gebruik maakte van een e-mail adres @meritcapital.be en de kamer van inbeschuldigingstelling had moeten onderzoeken of op het Belgisch grondgebied een ‘materiële handeling werd gesteld ter voorbereiding van één van de constitutieve bestanddelen’ (p.6 en 8) of een ‘materiële gedraging die een ondeelbaar geheel vormt met de in het buitenland gepleegde gedragingen’ (p.6 en 8). Voorts hebben eisers in hun beroepsconclusie (st. 19) alleen aangevoerd dat een misdrijf in België kan worden vervolgd als “één van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in België kan worden gesitueerd” (p.2) en dat de misdrijven zich ‘in substantiële mate hebben voltrokken in Antwerpen’ (p.3). Er is geen specifiek verweer gevoerd over in België gestelde voorbereidingshandelingen of materiële handelingen die een ondeelbaar geheel vormen met handelingen begaan door verweerders in het buitenland, waarbij die handelingen zouden toelaten de ten laste gelegde feiten op te vatten als een misdrijf gepleegd in België.
- Strafbare deelneming als aanknopingspunt voor rechtsmacht.
- In een tweede onderdeel voeren eisers een schending aan van art. 66 Strafwetboek over mededaderschap, omdat het arrest alleen aangeeft dat er voor de rechtsmacht van de Belgische rechter een constitutief element van het misdrijf in België moet zijn begaan. De K.I. had eveneens moeten onderzoeken of de inverdenkinggestelden (verweerders) in België een positieve handeling hebben gesteld, die overeenkomstig art. 66 Sw. bijdraagt tot het misdrijf, en waarbij zij met het vereiste opzet hun medewerking verleenden. Die positieve handeling kan aan de Belgische rechter rechtsmacht toekennen. Concreet had de K.I. moeten nagaan of verweerder P.R. door gebruik van een Belgisch e-mail adres op 3 oktober 2019, voor verzending van een bericht aan H2O, een daad van strafbare deelneming heeft gesteld bij het opstellen van de GMRA als vals stuk en bij het misbruik van het krediet van MERIT CAPITAL NV. Voor het bestaan van strafbare deelneming is niet vereist dat de deelnemer zelf de constitutieve bestanddelen van het misdrijf vervult.
- Beoordeling. Dr. Jan VANHEULE geeft aan dat in geval van strafbare deelneming de plaats waar het strafbare hoofdfeit tot stand komt bepalend is voor de lokalisatie van de deelneming, in die zin dat ‘de deelneming haar plaats ontleent aan het strafbare hoofdfeit’. Meer concreet stelt hij: “In het geval van een extraterritoriale deelneming aan een territoriaal strafbaar hoofdfeit moet de deelneming op Belgisch grondgebied worden gelokaliseerd (met verwijzing naar Cass. 7 maart 1955, AC 1955, 577; Cass. 20 februari 1961, Pas. 1961, I, 664; Cass. 8 augustus 1994, AR P.94.1066.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940808.4, AC 1994, nr. 349 en Cass. 24 maart 1998, AR P.96.1683.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980324.6, AC 1998, nr. 164). De daden van deelneming vormen dan immers een ondeelbaar geheel met het misdrijf dat in België is gepleegd. In het omgekeerde geval, d.i. een deelneming in België aan een extraterritoriaal strafbaar hoofdfeit, moet de deelneming op buitenlands grondgebied worden gelokaliseerd”
(41). Ook andere auteurs verdedigen de stelling dat de deelnemingsdaad wordt geacht te zijn gepleegd op de plaats van het hoofdmisdrijf, en een daad van deelneming in België aan een hoofdmisdrijf gepleegd in het buitenland geen rechtsmacht verleent aan de Belgische rechter, op basis van art. 3 Sw., om uitspraak te doen over het hoofdmisdrijf
(42). Indien de nadruk ligt op de ‘onzelfstandige deelneming’, dit is de visie dat de deelnemer en de hoofddader hetzelfde misdrijf hebben gepleegd en de deelneming een aanhangsel is van het hoofdfeit, moet in dat geval ook de deelnemingsdaad (fictief) in het buitenland worden gesitueerd
(43). Dr. Bart SPRIET is het niet eens met deze visie eens en acht het verdedigbaar de ‘binnenlandse deelneming aan het buitenlands hoofdmisdrijf te lokaliseren op Belgisch grondgebied’. Reden is: “Strafbare deelneming vereist namelijk twee bestaansvoorwaarden of constitutieve elementen: een hoofdmisdrijf en een wettelijk bepaalde deelnemingsgedraging. Eén van deze constitutieve elementen-de materiële deelnemingsdaad- vindt dan plaats op Belgisch grondgebied, zodat de strafbare (deelnemings)gedraging kan beschouwd worden als een territoriale gedraging: de locus delicti van deze deelneming is partieel in België. De objectieve ubiquiteitstheorie vereist namelijk niet dat het op Belgisch grondgebied gesitueerd constitutief bestanddeel (of onderdeel) op zich reeds een strafbare deelneming uitmaakt”
(44). 32. Welke visie men ook aanhangt, deze discussie lijkt mij beperkt te zijn tot de bestraffing van een in België gestelde daad van deelneming aan het hoofdmisdrijf dat in al zijn facetten is gerealiseerd in het buitenland. Daden van deelneming ontlenen hun strafbaar karakter immers aan het plegen van een strafbaar hoofdfeit, als basismisdrijf (theorie van de onzelfstandige deelneming)
(45). In deze visie komt het logisch voor dat de plaats van het hoofdfeit determinerend is voor de rechtsmacht van Belgische en buitenlandse rechtscolleges. Daarbij komt dat art. 3 Sw. een misdrijf bestraft op Belgisch grondgebied, wat men zou kunnen interpreteren als een hoofdmisdrijf en niet enkel een daad van strafbare deelneming. Is die daad van deelneming naar Belgisch recht niet apart strafbaar, dat lijkt het mij niet gepast dat de Belgische rechter een volledig in het buitenland begaan misdrijf zou kunnen berechten op basis van art. 3 Sw.
(46). Een tegengestelde visie, met de ‘leer van de ondeelbaarheid’ als mogelijke grondslag, brengt m.i. teveel conflicten teweeg in de internationale rechtsorde en teveel onzekerheid voor de partijen in het geding, mede gelet op de beperkte invulling van het ne bis in idem-beginsel in een internationale context. Voor zover eisers ervan uitgaan dat een daad van strafbare deelneming die in België is gesteld aan de Belgische rechtsmacht toekent om te oordelen over die daad van deelneming en bijhorend het hoofdmisdrijf gepleegd in het buitenland, faalt het tweede onderdeel m.i. naar recht. 33. Wanneer de deelnemingsdaad in België een afzonderlijk misdrijf oplevert, liggen de kaarten anders. De Belgische rechter die vaststelt dat het hoofdmisdrijf is gepleegd in het buitenland heeft dan een beperkte rechtsmacht, beperkt tot de deelnemingsdaad, apart strafbaar in België. Deze situatie is onder meer aan de orde als een buitenlandse rechter reeds definitief heeft geoordeeld over het hoofdfeit, zonder dat voor hem de daad van deelneming gesteld op Belgisch grondgebied werd vervolgd. Indien die daad van deelneming naar Belgisch recht strafbaar is, kan alleen voor die daad de ubiquiteitsleer worden toegepast, en is de Belgische rechter bevoegd
(47). 34. In een zaak van verdovende middelen nam het Hof aan, op 16 januari 1996, “Overwegende dat krachtens artikel 3 van het Strafwetboek, de uitwendige daden die een begin van uitvoering van een misdrijf in het buitenland uitmaken en de hierbij horende daden van deelneming, die op het grondgebied van het Rijk worden gepleegd en die ten gevolge van een omstandigheid onafhankelijk van de wil van de daders worden gestaakt of hun uitwerking hebben gemist, overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten worden gestraft; dat de krenking van het strafrecht van een vreemde Staat die het voltooid misdrijf zou hebben veroorzaakt hieraan niet afdoet”
(48). Ook in deze visie, gesteld dat de door eisers aangehaalde materiële gedragingen of voorbereidingsdaden afzonderlijk strafbaar zouden zijn naar Belgisch recht
(49), hebben de Belgische rechters geen rechtsmacht om te oordelen over de hoofdmisdrijven gepleegd in het buitenland, en faalt het tweede onderdeel naar recht. 35. In hun beroepsconclusie (st. 19) hebben eisers m.i. geen specifiek verweer gevoerd over een daad van strafbare deelneming gesteld in België die als basis kan dienen voor de berechting van die daad of zelfs van de hoofdmisdrijven in België. Met hoger vermelde redenen geeft het bestreden arrest naar mijn mening te kennen dat de strafbare hoofdfeiten geheel te situeren zijn in het Verenigd Koninkrijk en geen van de inverdenkinggestelden in België een misdrijf of een daad van strafbare deelneming heeft gesteld. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing van territoriale onbevoegdheid op basis van art. 3 Sw. naar recht, en kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen. Besluit: Verwerping van de cassatieberoepen. ___________________________________
(1)Cass. 21 oktober 2015, AR P.15.1019.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151021.1, AC 2015, nr. 618, RDPC 2016, 820 noot C. LEROY; Cass. 7 juni 2011, AR P.11.0172.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.6, AC 2011, nr. 384, NC 2012, 68 noot S. DEWULF; Cass. 24 januari 2001, AR P.00.1627.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010124.11, AC 2001, nr. 48, RDPC 2001, 72; Cass. 14 november 2000, AR P.00.1231.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.8, AC 2000, nr. 620, T. Strafr. 2001, 194 noot G. STESSENS; Cass. 23 december 1998 (Ver.K.), AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, AC 1998, nr. 534, JLMB 1999, 61, RW 1998-99, 1309 en RDPC 1999, 393; Cass. 4 februari 1986, AR 9720, AC 1986, nr. 355; Cass. 23 januari 1979, AC 1979, 575; Corr. Antwerpen, afd. Mechelen 27 oktober 2016, NJW 2016, 921 noot S. ROYER.
(2)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1989, 152; C. HENNAU en J. VERHAEGEN, Droit pénal général, Bruylant 2003, 77; B. SPRIET, “(Extra)territoriale werking van de Belgische strafwet, met enkele ‘klassieke’ extraterritoriale jurisdictiegronden uit de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure 2002, 8-16; A. DE NAUW, Drugs, APR 2012, p. 105; S. DEWULF, “Grenzen aan de (extra)territoriale rechtsmacht van België”, NC 2012, 69-70; T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 89-111 ; Commissie voor de hervorming van het strafrecht, Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, die Keure 2016, 43; C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 822-835; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure 2021, 29; F. KUTY, “Le critère de la compétence territoriale des juridictions pénales”, JLMB 2021, 1126; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 155-156; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 52-53; L. KERZMANN, “La compétence territoriale des juridictions répressives: vers une théorie de l’ubiquité matérielle extensive?”, Dr. Pén. Entr. 2022, 34-40; S. DEWULF, “Het Hof van Cassatie herbevestigt de flexibele toepassing van de principes betreffende de (extra)territoriale rechtsmacht van België, NC 2023, 137.
(3)Cass. 18 februari 2020, AR P.20.0180.N, AC 2020, nr. 140, RO 9, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.18.
(4)T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 95.
(5)C. HENNAU en J. VERHAEGEN, Droit pénal général, Bruylant 2003, 78-79; H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 98. Over de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen en de eraan verbonden gevaren zie I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde misdaad, Intersentia 2003, 42-44.
(6)Cass. 15 november 2022, AR P.22.0854.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.7, AC 2022, nr. 732, NC 2023, noot D. MULDER, RABG 2023, 617, RW 2022-23, 1307, TBH 2023, 1151 noot L. VAN DE WYER en B. SAEN, T. Strafr. 2023, 295 noot R. VAN HERPE.
(7)C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 825; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 98; L. KERZMANN, “La compétence territoriale des juridictions répressives: vers une théorie de l’ubiquité matérielle extensive?”, Dr. Pén. Entr. 2022, 36-37.
(8)T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 94; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 100; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en H.D. BOSLY, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 154-157.
(9)Wat betreft misbruik van vertrouwen (art. 491 Sw.) zie Cass. 26 mei 2009, AR P.09.0438.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.7, AC 2009, nr. 347, RW 2011-12, 1246 noot D. DE WOLF.
(10)Cass. 7 juni 2011, AR P.11.0172.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.6, AC 2011, nr. 384, NC 2012, 68 noot S. DEWULF (over het mogelijke nadeel in België van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (art. 193, 196 en 197 Sw.)); Cass. 4 oktober 2017, AR P.17.0138.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171004.3, AC 2017, nr. 525, “Het mogelijke nadeel in België, dat voortvloeit uit een in het buitenland gepleegd misdrijf van lasterlijke aangifte, namelijk de gevolgen daarvan door het gebruik van stukken waarin die beweringen zijn vastgesteld, kan door de aard ervan niet dienen om dat misdrijf te lokaliseren.”; C. HENNAU en J. VERHAEGEN, Droit pénal général, Bruylant 2003, 78; T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 100; C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 827; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 53.
(11)Zie hierover T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 103-109. Zie Cass. 24 januari 2001, AR P.00.1627.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010124.11, AC 2001, nr. 48, RDPC 2001, 72: “Overwegende dat de bevoegdheid van het Belgisch gerecht uitgebreid wordt wanneer de in België en de in het buitenland gepleegde feiten een ondeelbaar geheel vormen”. Voor een kritiek op de uitbreiding van de rechtsmacht naar andere misdrijven, behorend tot een voortgezet misdrijf, zie B. SPRIET, “(Extra)territoriale werking van de Belgische strafwet, met enkele ‘klassieke’ extraterritoriale jurisdictiegronden uit de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure 2002, 16.
(12)Cass. 7 juni 2011, AR P.11.0172.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.6, AC 2011, nr. 384; S. DEWULF, “Grenzen aan de (extra)territoriale rechtsmacht van België”, NC 2012,70; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 53; S. DEWULF, “Het Hof van Cassatie herbevestigt de flexibele toepassing van de principes betreffende de (extra)territoriale rechtsmacht van België”, NC 2023, 137.
(13)Cass. 20 juni 1977, AC 1977, 1084.
(14)Cass. 25 mei 2016, AR P.16.0194.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160525.13, AC 2016, nr. 348, RDPC 2017, 724 noot S. HENROTTE.
(15)Over deze term zie L. LUPONT, “De constitutieve elementen van het misdrijf”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, MYS&BREESCH 1994, 201-228.
(16)Cass. 10 maart 2021, AR P.20.1295.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210310.2F.1, AC 2021, nr. 174, Dr. Pén.Entr. 2022, 33 noot L. KERZMANN, JLMB 2021, 1122 noot F. KUTY.
(17)Cass. 10 maart 2021, AR P.20.1295.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210310.2F.1, AC 2021, nr. 174, Dr. Pén.Entr. 2022, 33 noot L. KERZMANN, JLMB 2021, 1122 noot F. KUTY. Over de lokalisering van het misdrijf deelname aan een criminele organisatie (art. 324ter, § 1 Sw.) in België, waarvoor geen specifieke uitvoeringshandelingen nodig zijn, zie Cass. 13 december 2022, AR P.22.1102.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.6, AC 2022, nr. 821, NC 2023, 131 noot S. DEWULF.
(18)M. RODRIGUEZ, “Oplichting”, in Comm. Straf. 2023, 36.
(19)J. KERKHOFS, “Territoriale bevoegdheid op het internet”, T. Strafr. 2010, 643; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 154.
(20)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, Story-Scientia 1968, I, 187 en 191; B. BONNET, “Le droit pénal européen: lieu de tension névralgique entre les systèmes”, in L’espace pénal européen: à la croisée des chemins?, die Keure 2013, 11; C. CONINGS, “De lokalisatie van opsporing in een virtuele omgeving. Wie zoekt waar in cyberspace?”, NC 2014, 1-4; Commissie voor de hervorming van het strafrecht, Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, die Keure 2016, 42.
(21)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1989, 141.
(22)T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk, NC 2015, april, 91 en 95; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 268; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en H.D. BOSLY, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 160.
(23)C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 833; P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia 2021, 12-23.
(24)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 268.
(25)Vb. Cass. 22 februari 1994, AR P.94.0056.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940222.8, AC 1994, nr. 89, RW 1994-95, 534; G. STESSENS en T. ONGENA, “Extraterritorialiteit en het ne bis in idem-beginsel”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure 2002, 95-103; A. DE NAUW, Drugs, APR 2012, 108; C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 834; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 50.
(26)C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 833; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 159.
(27)Andersluidende concl. van advocaat-generaal R. DECLERCQ in de zaak Cass. 16 mei 1989, AR 1659, AC 1989, 1079.
(28)T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte”, NC 2015, 110; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 52.
(29)G. STESSENS, “Geen beperkingen aan de mogelijkheid om buitenlandse oplichtingen in België te lokaliseren?”, T. Strafr. 2001, 196-198.
(30)Zie o.a. Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0021.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5, AC 2022, nr. 309, met concl. OM; Cass. 16 mei 2017, AR P.15.0807.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4, AC 2017, nr. 336; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1723.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6, AC 2012, nr. 317 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; J. ROZIE, “Beklaagde Alwetend. Over het criterium van de redelijke voorzienbaarheid als maatstaf van het lex-certa principe in strafzaken”, RW 2012-13, afl. 21, 802-817.
(31)L. KERZMANN, “La compétence territoriale des juridictions répressives: vers une théorie de l’ubiquité matérielle extensive?”, Dr. Pén. Entr. 2022, 39-40.
(32)B. SPRIET, “(Extra)territoriale werking van de Belgische strafwet, met enkele ‘klassieke’ extraterritoriale jurisdictiegronden uit de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure, 2002, 6; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 159.
(33)S. DEWULF, “Het Hof van Cassatie herbevestigt de flexibele toepassing van principes betreffende de (extra)territoriale rechtsmacht van België”, NC 2023, 138. Zie eveneens S. DEWULF, “Over deelneming, samenhang, ondeelbaarheid en de (extra)territoriale rechtsmacht van België”, NC 2022, 380.
(34)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en H.D. BOSLY, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA, 2022, 159.
(35)Commissie voor de hervorming van het strafrecht, Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, die Keure, 2016, 43.
(36)Wetsontwerp van 23 mei 2023 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, Parl. St. Kamer, Doc 54 3374/001, p. 28.
(37)Over deze interpretatie zie L. KERZMANN, “La compétence territoriale des juridictions répressives: vers une théorie de l’ubiquité matérielle extensive?”, Dr. Pén. Entr. 2022, 39-40. Over de grens tussen de strafbare en niet-strafbare poging zie Cass. 20 december 2017, AR P.17.0342.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.8, AC 2017, nr. 721; Cass. 24 maart 2010, AR P.10.0473.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.1, AC 2010, nr. 215; D. KIGANAHE, “Réflexions autour du ‘commencement’ de la tentative punissable en droit pénal”, in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer 2001, 215-240; A. DE NAUW, Drugs, APR 2012, p. 109.
(38)Cass. 15 november 2022, AR P.22.0854.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.7, AC 2022, nr. 732, zie hoger in de tekst al. 9.
(39)Over de voorwaarde van het werkelijk voordoen van een constitutief bestanddeel van het misdrijf in België, als onderdeel van de objectieve ubiquiteitstheorie, zie T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 96 en 99.
(40)Zo ontbreekt een ambtshalve controle door het Hof in geval van cassatieberoep ingesteld door alleen de burgerlijke partij tegen een arrest van buitenvervolgingstelling (F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 102).
(41)J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia 2010, p. 346 (proefschrift).
(42)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1989, 153; C. LEROY, “La théorie de l’ubiquité appliquée au blanchiment”, RDPC 2016, 827; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 100; L. KERZMANN, “La compétence territoriale des juridictions répressives: vers une théorie de l’ubiquité matérielle extensive?”, Dr. Pén. Entr. 2022, 37.
(43)T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk”, NC 2015, april, 108; L. KERZMANN, “La compétence territoriale des juridictions répressives: vers une théorie de l’ubiquité matérielle extensive?”, Dr. Pén. Entr. 2022, 37.
(44)B. SPRIET, “(Extra)territoriale werking van de Belgische strafwet, met enkele ‘klassieke’ extraterritoriale jurisdictiegronden uit de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure 2002, 12-13.
(45)Cass. 18 januari 2000, AR P.99.1541.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000118.23, AC 2000, nr. 41; T. LEUS, “De situering van het misdrijf in de ruimte. Een vergelijkende studie tussen België en Frankrijk », NC 2015, april, 107. Wat betreft verzwarende omstandigheden geldt de nuance dat een strikte toepassing van de ‘onzelfstandige deelneming’ in strijd is met art. 6 EVRM. Verzwarende omstandigheden mogen niet meer automatisch aan alle deelnemers worden toegerekend (EHRM 2 juni 2005, Goktepe t/België, www.echr.coe.int).
(46)In die zin M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 100.
(47)B. SPRIET, “(Extra)territoriale werking van de Belgische strafwet, met enkele ‘klassieke’ extraterritoriale jurisdictiegronden uit de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure 2002, 12.
(48)Cass. 16 januari 1996, AR P.95.0967.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960116.11, AC 1996, nr.
- Zie eveneens Cass. 20 juni 1977, AC 1977, 1084 en Cass. 28 juni 1994, AR P.94.0503.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940628.19, AC 1994, nr. 335 (in deze drie zaken van drugs moet wel worden gewezen op het feit dat volgens art. 36.2.a.i.i. Enkelvoudig verdrag inzake verdovende middelen van new York van 30 maart 1961, goedgekeurd bij wet van 20 augustus 1969 (BS 27 november 1969), in België gepleegde daden van strafbare deelneming aan de vervaardiging van verdovende middelen in het buitenland worden beschouwd als een in België gepleegd misdrijf); B. SPRIET, l.c., in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, die Keure 2002, 12-13; A. DE NAUW, Drugs, APR 2012, 106-107; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022,
- Over de lokalisering van het misdrijf deelname aan een criminele organisatie (art. 324ter, § 1 Sw.) in België, zie Cass. 13 december 2022, AR P.22.1102.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.6, AC 2022, nr. 821, NC 2023, 131 noot S. DEWULF.
(49)Dit aspect blijkt m.i. niet of niet duidelijk uit de memorie van eisers. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940222.8 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940628.19 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940808.4 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960116.11 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980324.6 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000118.23 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010124.11 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151021.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160525.13 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171004.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.18 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210310.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div