← België

V. contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 september 202

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De rechter mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door het slachtoffer voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald; hij moet de schade die het slachtoffer heeft geleden door de onrechtmatige daad of het tot aansprakelijkheid leidend feit in concreto ramen Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0287.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering.

  1. Eiseres, destijds 13 jaar oud, raakte op 22 september 2010 gewond toen ze deelnam aan een paintballactiviteit van de KSA van Assebroek. Een projectiel raakte haar rechteroog waardoor ze het zicht aan dit oog volledig verloor.
  2. In het bestreden arrest van 17 november 2022 worden de aansprakelijkheden vastgelegd en schadevergoedingen toegekend aan de eiseres. Tegen dat arrest komt de eiseres op met twee middelen. 2 De al dan niet toepassing van de kapitalisatiemethode.
  3. Het Hof heeft al meermaals geoordeeld dat de rechter de schade naar billijkheid mag ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door het slachtoffer voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald. De kapitalisatiemethode vereist een blijvende, hetzij terugkerende (niet noodzakelijk periodieke), hetzij constante (“vaste”) schade met een gekende dagwaarde. De kamers van het Hof delen deze visie over de kapitalisatiemethode en het vereiste van een gekende dagwaarde, maar kamers van het Hof verschillen over de uitwerking ervan in de praktijk.
  4. In de toelichting bij het middel verwijst de eiseres naar de rechtspraak van de eerste Franstalige kamer van het Hof. In die rechtspraak oordeelde het Hof samengevat dat de rechter met overwegingen dat de schade wel blijvend maar niet constant, recurrent of periodiek genoeg is, zijn beslissing om de kapitalisatiemethode af te wijzen niet naar recht motiveert

(1). Die redenen betreffen volgens het Hof het bestaan en de aard van de schade, niet de begrotingswijze ervan. Ze laten niet toe de kapitalisatiemethode af te wijzen
(2). Anderzijds oordeelt de eerste Franstalige kamer van het Hof tegelijk dat de rechter de verplichting om de schade in concreto te berekenen, miskent als hij niet de concrete elementen aanhaalt op grond waarvan hij meent dat de schade niet constant, lineair en recurrent is, en om die reden niet via kapitalisatie te berekenen is
(3). Zowel de eerste Nederlandstalige als de tweede Franstalige kamer van het Hof aanvaarden dat “constance” en ”périodicité” wel in verband te brengen zijn met de variatie in intensiteit van de schade, niet met het bestaan of blijvende karakter ervan. 5. De vaststelling dat de schade bestaat en blijvend is, verhindert mijns inziens niet dat een concrete variabiliteit in de intensiteit of omvang ervan kan worden aangenomen. Dat vanuit medisch oogpunt een consolidatie wordt omschreven als het ogenblik waarop wordt vastgesteld dat de letsels dermate zijn gestabiliseerd dat ze door een behandeling niet meer fundamenteel zullen veranderen, verhindert niet de aanname van variabiliteit in de intensiteit van de beleving ervan
(4). 6. Het verschil tussen het bestaan van de schade en het bepalen van de omvang ervan, komt ook in de voorliggende zaak aan bod. De experts hebben een tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid van de eiseres weerhouden. Niettemin kent de appelrechter (daarover niet bekritiseerd) geen enkele schadevergoeding daarvoor toe (“bij gebrek aan bewijs van enige schade”), aangezien de eiseres in die tijdelijke periode geen eigen huishouden had en geen bijdrage aan het huishouden van haar ouders leverde. Daarnaast vereist de Indicatieve Tabel dat bij de kapitalisatie van de schade uit de blijvende huishoudelijke ongeschiktheid rekening wordt gehouden met de wijzigende gezinssamenstelling. Ondanks die vereiste blijft het percentage blijvende huishoudelijke ongeschiktheid onveranderd doorheen de tijd. Als het huishouden krimpt (door een dalend aantal aanwezige kinderen), krimpt tegelijk de omvang van de te vergoeden schade, maar niet het percentage. Het slachtoffer blijft in dezelfde mate gehinderd om de doorsnee huishoudelijke handelingen te stellen, maar moet die handelingen in afnemende mate stellen. Bijgevolg is de aantasting van de zaak/persoon zelf geen ongeschiktheidsschade, maar bestaat die schade wel in het uit die aantasting voortvloeiende verminderde nut van de zaak om door gebruik, verbruik of genot ervan de behoeften van het slachtoffer te bevredigen
(5).
  1. Waar het de deskundigen toekomt de medische consolidatie van de ongeschiktheid vast te stellen, komt het autonoom de rechter toe om de concrete schadevergoeding te bepalen op basis van de invloed van de aantasting van de behoeftebevredigingscapaciteit van het slachtoffer. Het betreft een concrete feitelijke appreciatie van de rechter en het lijkt mij niet redelijk aannemelijk dat de deskundige in zijn medische onderzoek voor het vaststellen van het ongeschiktheidspercentage rekening houdt met de (concrete toekomstige) kansen op gewenning, aanpassing en vervaging van de gevolgen van de restletsels en met alle concrete mogelijke variaties in de verdere levensloop van het slachtoffer.
  2. Uit de rechtspraak van de Nederlandstalige eerste kamer en de Franstalige tweede kamer blijkt dat de volgende feitelijke vaststellingen werden aangemerkt als voldoende concreet om de kapitalisatiemethode af te wijzen, namelijk omdat: - de raming van persoonlijke ongeschiktheid (met moreel leed) een delicate aangelegenheid is, de omvang van het leed met de leeftijd afneemt, niet is aangetoond dat er uitgaven zijn voor de vervanging in het huishouden en de forfaitaire methode zich opdringt gelet op de aard van letsels, de aard van de blijvende nawerkingen en de graad van blijvende invaliditeit
(6); - de huishoudelijke schade zal evolueren met de hulp van de kinderen van het slachtoffer en het vertrek van de kinderen
(7); - de huishoudelijke schade zal evolueren met de gezinssamenstelling, rekening houdend met de aard en de graad van ongeschiktheid en met de leeftijd van het slachtoffer
(8); - niets wijst op een dagelijkse of periodieke belemmering van de persoonlijke activiteiten
(9). - de begroting van persoonlijk leed delicaat is, dit leed niet statisch is, dit leed onderhevig is aan dynamische factoren, leidend tot verergering of meestal gewenning en aanpassing, en het leed niet strikt evenredig is met de vermoedelijke levensduur van het slachtoffer
(10); - het moreel leed niet steeds dezelfde intensiteit zal hebben
(11), een vermindering van moreel leed voorzienbaar is
(12)of het moreel leed verzacht met de tijd in functie van andere onzekerheden in het leven
(13); - de huishoudelijke schade onvoldoende constant is omdat de kinderen naarmate hun leeftijd in het huishouden zullen helpen en op een bepaald ogenblik het ouderlijk nest zullen verlaten
(14), de samenstelling van het gezin in de toekomst te onzeker is en die schade niet statisch is doch wel onderhevig is aan dynamische factoren
(15), of omdat die schade al onzeker is, minstens zal verminderen gelet op de gezinssamenstelling, de aard en de graad van ongeschiktheid, alsook de leeftijd van het slachtoffer
(16); - de blijvende persoonlijke en huishoudelijke ongeschiktheid door de expert hoog is ingeschat, terwijl diezelfde expert vaststelt dat het slachtoffer nog veel activiteiten kan doen, zodat de kapitalisatiemethode tot een manifeste oververgoeding zou leiden
(17); - bij lagere graden van ongeschiktheid de schade zich niet op lineaire en terugkerende wijze voordoet en er fluctuaties in intensiteit zijn waarbij het slachtoffer leert leven met zijn beperkingen en zijn leven daarnaar ook kan inrichten
(18); - de schade uit huishoudelijke ongeschiktheid niet statisch maar evolutief is, omdat het slachtoffer de tijd heeft om zijn huishouden te reorganiseren en een zekere autonomie terug te winnen en omdat de huishoudelijke taken in een levensloop evolueren
(19). 9. Uit deze voorbeelden blijkt dat de in concreto-benadering relatief is, wegens zijn inherente grenzen wat de toekomst betreft. Als het specifieke slachtoffer, zijn leeftijd, zijn letsel ter sprake komen, blijkt het voor het Hof voldoende om te besluiten dat de beoordeling in concreto gebeurt. Meer theoretische, algemene argumenten die niet geheel los staan van de voorliggende zaak doen dan geen afbreuk aan die concrete benadering. DE CALLATAY is van mening dat de Franstalige kamers van het Hof meer oog hebben voor het ‘in concreto-gehalte’ van de redenen dan de Nederlandstalige kamers
(20). 10. Terecht lijkt mij de toelichting van de tweede Franstalige kamer van het Hof dat de kapitalisatiemethode vereist dat er een zekere gelijkwaardigheid moet zijn in de toekomstig ervaren schade, wil de rechter een dagwaarde naar de toekomst toe extrapoleren en zo, zonder oververgoeding
(21), de toekomstige werkelijk geleden schade (naar benadering) dekken
(22). Het kennelijk gebrek aan gelijkwaardigheid moet het onmogelijk maken om de kapitalisatiemethode toe te passen, wil de rechter die methode uitschakelen, terwijl voorzienbare ongelijkwaardigheden in de kapitalisatie te verwerken zijn. Een voorzienbare variatie in parameters is te verrekenen in de kapitalisatiemethode en lijkt aldus niet te volstaan. Het betreft een concrete feitelijke appreciatie van de rechter en het lijkt mij niet redelijk aannemelijk dat de deskundige in zijn medische analyse met alle concrete variaties van het slachtoffer rekening houdt bij het vaststellen van het ongeschiktheidspercentage. De rechter moet de schade in concreto begroten en niet louter theoretisch argumenteren waarom hij de kapitalisatiemethode afwijst
(23). Een marginaal toezicht op de pertinentie van de redenen die de rechter aanvoert om de kapitalisatiemethode af te wijzen, lijkt dan ook aangewezen. 3 Bespreking van de middelen. 3.1 Eerste middel: blijvende persoonlijke ongeschiktheid (BPO).
  1. De appelrechter zou voor de berekening van 40% BPO de voorgestelde kapitalisatiemethode hebben afgewezen omdat die methode een minimale dagelijkse gelijkwaardigheid van geleden pijn, hinder en leed veronderstelt, en deze minimale gelijkwaardigheid er in deze niet is wegens gewenning en aanpassing. De eiseres meent dat de rechter die een BPO vaststelt, blijvende schade vaststelt en dus vaststelt dat de schade niet meer zal evolueren. Door te beslissen dat de schade niet dagelijks gelijkwaardig zal zijn, zou de appelrechter echter oordelen dat de schade niet blijvend is. De appelrechter zou de kapitalisatiemethode hebben afgewezen op grond van redenen omtrent het bestaan en de aard van de schade, niet omtrent de berekeningswijze, en zodoende de artikelen 1382, 1383 en 1384 Oud BW schenden (eerste grief).
  2. De appelrechter overweegt dat de omvang van de schade in de toekomst voldoende zeker moet zijn om voor de toekomst een dagwaarde te kunnen kapitaliseren. Anders dan waar het middel van uitgaat, betreffen de overwegingen waarmee de appelrechter de kapitalisatiemethode afwijst, niet het bestaan van de schade maar wel de omvang ervan. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
  3. Het eerste middel lijkt ook uit te gaan van de onjuiste premisse dat de appelrechter aanneemt dat de schade constant is en niet meer zal evolueren. De appelrechter motiveert dat een variabiliteit van de intensiteit van de schadebeleving niet enkel een vermindering maar ook een verergering van de schadebeleving kan inhouden. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
  4. In zoverre het middel berust op de opvatting dat uit de vaststelling van de graad van blijvende ongeschiktheid (noodzakelijk) volgt dat de (intensiteit van de beleving van de) schade constant is en niet meer zal evolueren, komt het mij voor dat het middel faalt naar recht.
  5. Het middel voert ook aan dat de appelrechter de schade niet concreet heeft begroot en aldus artikelen 1382, 1383 en 1384 Oud Burgerlijk Wetboek heeft geschonden. Het komt me voor deze grief niet kan worden aangenomen. Het arrest vermeldt meerdere concrete redenen waaruit onvoldoende dagelijkse gelijkwaardigheid van hinder, pijn en leed volgt op grond waarvan de appelrechter naar recht de beslissing verantwoordt dat de schade uit de blijvende persoonlijke ongeschiktheid niet door middel van de kapitalisatiemethode kan worden begroot, en daarom deze schade naar billijkheid raamt.
  6. Wat betreft de morele schade gaat het middel ervan uit dat de appelrechter heeft beslist dat de eiseres aan haar letsels zal wennen of haar levenswijze zal aanpassen. Die lezing van het arrest lijkt mij echter onvolledig te zijn omdat de appelrechter onder meer ook oordeelt dat de eiseres “afhankelijk van de situatie meer of minder het leed verbonden aan haar blijvende letsels zal ervaren”. Het komt me voor dat deze grief berust op een onvolledige lezing en feitelijke grondslag mist. 3.2 Tweede middel: 3.2.1 Eerste onderdeel: miskenning bewijskracht.
  7. Het onderdeel voert de miskenning aan van de bewijskracht van de minnelijke medische expertise door vast te stellen dat “nergens […] in dit verslag sprake [is] van littekens van de automutilatie”, terwijl het verslag de esthetische schade bepaalt op 4/7 “met inbegrip van de esthetische schade van de automutilatie”.
  8. Het komt me voor dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden. De appelrechter volgt immers het verslag, stelt de esthetische schade vast op 4/7 en kent ook een vergoeding voor die schade vast conform de schaal 4/
  9. Bij gebrek aan belang komt het middel niet ontvankelijk voor. 3.2.2 Tweede onderdeel: “quantum doloris”.
  10. Het onderdeel voert aan dat de zogenaamde “quantum doloris” en esthetische schade twee van elkaar te onderscheiden schadeposten betreffen, zodat de appelrechter niet wettig kan beslissen om op de vergoeding voor esthetische schade slechts vergoedende intresten toe te kennen vanaf 1 februari 2015 omdat de voorafgaand aan deze datum geleden esthetische schade vergoed wordt door de vergoeding toegekend voor quantum doloris.
  11. De zogenaamde ‘quantum doloris’ is een vergoeding voor uitzonderlijke pijnen
(24). Sommige rechters beperken de quantum doloris tot fysieke pijnen, zonder ze uit te breiden tot morele schade
(25). Andere rechters staan een ruimere visie voor
(26). Auteurs beschouwen de quantum doloris, anders gezegd de pretium doloris als een onderdeel van de morele schade
(27). Esthetische schade is deze opgelopen door letsels die het slachtoffer kunnen ontsieren
(28). 21. Volgens de Indicatieve Tabel 2020 kan voor “specifieke schade” een vergoeding toegekend worden bovenop de vergoeding voor persoonlijke ongeschiktheid
(29). Esthetische schade is één van de schadeposten die bovenop de vergoeding voor persoonlijke ongeschiktheid kan worden vergoed, voor zover die schade niet is vervat in de graad van de persoonlijke ongeschiktheid
(30). Ook voor “de pijn”, beschouwd als uitzonderlijke blijvende pijnen, kan een afzonderlijke vergoeding bovenop de persoonlijke ongeschiktheid worden toegekend
(31). Deze beide categorieën van bijzondere schade zijn aldus onderscheiden en enkel het laatste valt onder de naam quantum doloris, zo blijkt uit de Indicatieve Tabel
(32). Niets belet de rechter om de beide schadeposten samen te nemen. Aangezien de esthetische schade in beginsel een morele schade is
(33), neemt een rechter de vergoeding voor de aangevoerde tijdelijke esthetische schade, waarover het hier gaat
(34), vaak op in de vergoeding voor de tijdelijke morele schade
(35). PARMESAN schrijft dat de vergoeding voor de esthetische schade ook kan inbegrepen zijn in de vergoeding voor een andere schade, zoals de genoegenschade
(36). Genoegenschade is een bijzondere schadepost die volgens de Indicatieve Tabel, net zoals de quantum doloris, bovenop de persoonlijke ongeschiktheid kan worden toegekend. Bijgevolg lijkt eenzelfde redenering mogelijk bij de quantum doloris. De esthetische schade kan inbegrepen zijn in de quantum doloris, vanuit de idee dat beide betrekking hebben op een morele schade. Dit is een feitelijke beoordeling. Het onderdeel lijkt gericht tegen een feitelijke beoordeling en komt het daarom niet ontvankelijk voor. Besluit: verwerping. _____________________________________
(1)Cass. 13 maart 2023, AR C.22.0388.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 31 januari 2022, AR C.21.0167.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 april 2019, AR C.18.0569.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190425.4, AC 2019, nr. 427, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, op datum in Pas., For.ass. 2019, 100, RGAR 2020, 15699, T.Verz. 2020, 288, VAV 2019/4, 47, noot F. CARPENTIER.
(2)Cass. 7 januari 2021, AR C.20.0319.F, JLMB 2021, 974; Cass. 13 maart 2023, AR C.22.0388.F, arrest niet gepubliceerd; zie ook J.L. FAGNART, “L’évaluation du préjudice futur. Le schisme se confirme” (noot bij Cass. 13 januari 2021, AR P.20.1094.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.6, AC 2021, nr. 22), RCJB 2022, 33.
(3)Cass. 8 januari 2016, AR C.15.0271.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160108.3, AC 2016, nr. 16, RGAR 2016/4, nr. 15291, T.Verz. 2016, 486; Zie ook: Cass. 16 april 2015, AR C.13.0305.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150416.1, AC 2015, nr. 254, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, op datum in Pas., RGAR 2016, afl. 5, nr. 15296, RW 2016/17, 1389, T.Verz. 2017, 70, noot H. ULRICHTS.
(4)A. VAN OEVELEN, A. VAN REGENMORTEL, I. SAMOY, P. GILLAERTS, I. VAN PUYVELDE en M. SCHOUTEDEN, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Schade en schadeloosstelling (2007-2021)”, TPR 2023, 920 (“Het feit dat er wordt geconsolideerd betekent overigens enkel dat het letsel op zich geen verdere evolutie kent, maar dat brengt niet noodzakelijk met zich mee dat de perceptie ervan dezelfde blijft”); contra T. WERQUIN die stelt dat rekening houden met de toekomstige evolutie van de schade uit ongeschiktheid neerkomt op een ontkenning van het begrip “consolidatie”, concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas. bij Cass. 16 april 2015, AR C.13.0305.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150416.1, AC 2005, nr. 254, p. 11.
(5)Cass. 5 juni 2020, AR C.19.0396.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.2, AC 2020, nr. 372. Cass. 2 mei 1955, Pas. 1955, 950; geciteerd bij J. RONSE, “Schade en schadeloosstelling in APR”, Gent, Story-Scientia 1984, 20-21; GERVAIS bij M. KRUITHOF, “Schade, schadeloosstelling en reparatiekosten: een doctrinale analyse van de vetusteitsaftrek op basis van een scherp gesteld begrippenkader” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Recente ontwikkelingen in het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht. ICAV IV, Brussel, Lefebvre Sarrut 2022, 16; H. BOCKEN, “Het aansprakelijkheidsrecht als sanctie tegen de verstoring van het leefmilieu. Een onderzoek naar de doelmatigheid, in functie van de bescherming en het beheer van het leefmilieu, van de aansprakelijkheidsvordering en van een aantal aanverwante rechtstechnieken”, Brussel, Bruylant 1979, 89 (“Ziet men schade als een stoornis in het genot van de middelen tot behoeftebevrediging waarover men beschikt, […]”).
(6)Cass. 10 februari 2020, AR C.19.0346.N, arrest niet gepubliceerd.
(7)Cass. 7 juni 2017, AR P.17.0313.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.4, AC 2017, nr. 375, RGAR 2018, 15454.
(8)Cass. 18 september 2013, AR P.13.0732.F, arrest niet gepubliceerd.
(9)Cass. 19 februari 2020, AR P.19.1090.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.5, AC 2020, nr. 143, For.ass. 2020, 14, noot V. DE WULF, RGAR 2020, 15700, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas., noot M. MICHEL, T.Pol. 2020, 95.
(10)Cass. 10 februari 2020, AR C.19.0346.N, arrest niet gepubliceerd; zie ook Cass. 20 november 2012, AR P.12.0499.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121120.3, AC 2012, nr. 624, JLMB 2013, 1056, Pas. 2012, 2268, Rec.jur.ass. 2012, 26, noot P. STAQUET, RW 2014-15, 438, T.Pol. 2013, 144, noot J. MAROT, T.Verz. 2013, 91, noot H. ULRICHTS.
(11)Cass. 7 mei 2014, AR P.13.0638.F, arrest niet gepubliceerd, JLMB 2015, 598, noot I. MATERNE, T.Verz. 2014, 436.
(12)Cass. 24 september 2014, AR P.14.0608.F, arrest niet gepubliceerd, JLMB 2014, 1800, noot N. SIMAR.
(13)Cass. 18 september 2013, AR P.13.0732.F, arrest niet gepubliceerd, Con.M. 2014, afl. 2, 72, noot FIFI M.; JT 2013, afl. 6534, 629, RGAR 2014, afl. 5, nr. 15089, noot.
(14)Cass. 7 juni 2017, AR P.17.0313.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.4, AC 2017, nr. 375, RGAR 2018, 15454.
(15)Cass. 20 november 2012, AR P.12.0499.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121120.3, AC 2012, nr. 624, JLMB 2013, 1056, Pas. 2012, 2268, Rec.jur.ass. 2012, 26, noot P. STAQUET, RW 2014-15, 438, T.Pol. 2013, 144, noot J. MAROT, T.Verz. 2013, 91, noot H. ULRICHTS.
(16)Cass. 24 september 2014, AR P.14.0608.F, JLMB 2014, 1800, noot N. SIMAR.
(17)Cass. 10 februari 2022, AR C.21.0216.N-C.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6, AC 2022, nr. 117.
(18)Cass. 9 maart 2020, AR C.19.0142.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 8 mei 2017, AR C.16.0328.N, arrest niet gepubliceerd.
(19)Cass. 5 september 2019, AR C.18.0326.N, arrest niet gepubliceerd.
(20)D. DE CALLATAY, “En route vers la généralisation de la capitalisation? Quelques certitudes ne font pas une vérité”, RGAR 2021, 15743/5verso (“On observera que, sauf erreur, la référence aux circonstances concrètes de la cause ne se retrouve que dans des arrêts prononcés en français, les arrêts prononcés en néerlandais ayant pu rejeter des pourvois formés contre des décisions qui ne contenaient pourtant rien d'autre qu'un alignement de généralités”).
(21)Cass. 10 februari 2022, AR C.21.0216.N-C.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6, AC 2022, nr. 117.
(22)Cass. 13 januari 2021, AR P.20.1094.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.6, AC 2021, nr. 22, JLMB 2021, 976, RCJB 2022, 5, noot J. FAGNART, T.Verz. 2023, 322, VAV 2021, 34, noot F. CARPENTIER; M. MICHEL, “La constance dans le dommage moral permanent”, RGAR 2020, 15697/12; zie ook L. SCHOONBAERT en P. PERSYN, “De begroting van blijvende persoonlijke en huishoudelijke ongeschiktheid: overzicht van recente cassatie- en feitenrechtspraak” in Rechtskroniek voor Vrede- en Politierechters 2023, Brugge, die Keure 2023, 228-229 (“De implicatie is uiteraard dat een gekapitaliseerde schadevergoeding tot oververgoeding zou leiden”).
(23)Een bezorgdheid van de rechter over de bestedingscapaciteit van het slachtoffer over het kapitaal verantwoordt m.i. niet het afwijzen van de kapitalisatiemethode.
(24). Indicatieve Tabel, pag. 74.
(25)Corr. Hoei 4 mei 2012, RGAR 2013, 14987, T.Pol. 2013, 44, noot D. VAN TRIMPONT, VAV 2013, 53.
(26)Corr. Hoei 15 februari 2013, VAV 2014, 68; S. PARMESAN, “Dommages extrapatrimoniaux ou moraux (les préjudices particuliers)” in Manuel de la réparation des dommages corporels en droit commun, Luik, Kluwer 2021, 154-158; A. VAN OEVELEN,, G. JOCQUÉ, C. PERSYN en B. DE TEMMERMAN, “Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)”, TPR 2007, 1198-1200.
(27)L. HELSEN, “Verkeerszakboekje. Verkeersrecht, verzekeringen en schadebegroting”, Mechelen, Kluwer 2023, 241.
(28)S. PARMESAN, “Dommages extrapatrimoniaux ou moraux (les préjudices particuliers)” in Manuel de la réparation des dommages corporels en droit commun, Luik, Kluwer 2021, 137; Bergen 11 januari 2011, Con.M. 2011, 109, noot I. LUTTE, T.Verz. 2012, 253; S. PARMESAN, “Dommages extrapatrimoniaux ou moraux (les préjudices particuliers)” in Manuel de la réparation des dommages corporels en droit commun, Luik, Kluwer 2021, 137.
(29)Pag. 74 Indicatieve Tabel 2020: “3.4.1.2. De specifieke schade. Indien niet vervat in de graad van de persoonlijke ongeschiktheid, kan een bijkomende vergoeding worden toegekend voor de hiernavolgende specifieke schade”.
(30)Pag. 74-75 Indicatieve Tabel 2020: “b. De esthetische schade. Deze schade beoogt niet de economische schade die voortvloeit uit een esthetische ontsiering. De medisch deskundige baseert zich in principe op de gebruikelijke schaal van 1 tot 7 (schaal van Julin) en hij wordt uitgenodigd om de criteria te preciseren waarmee hij rekening heeft gehouden. De rechter houdt rekening met de concrete elementen van de zaak. Daarbij kunnen onder meer de plaats van de ontsiering, het geslacht, de leeftijd en de activiteiten van het slachtoffer in aanmerking genomen worden. Onder ‘activiteiten’ worden niet louter de professionele activiteiten beoogd, doch tevens de sociale en culturele activiteiten waarbij het slachtoffer met anderen wordt geconfronteerd”.
(31)Pag. 74 Indicatieve Tabel.
(32)Zie in het bijzonder, pag. 63 en 67; zie ook met afzonderlijke titels voor de “pijnen” (of pretium doloris) en de esthetische schade: A. VAN OEVELEN, A. VAN REGENMORTEL, I. SAMOY, P. GILLAERTS, I. VAN PUYVELDE en M. SCHOUTEDEN, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Schade en schadeloosstelling (2007-2021)”, TPR 2023, 856 e.v. en 929-930.
(33)L. HELSEN, “Verkeerszakboekje. Verkeersrecht, verzekeringen en schadebegroting”, Mechelen, Kluwer 2023, 244; T. PAPART, “La réparation financière du dommage esthétique: un miroir aux alouettes?”, RGAR 2006, 14066/2verso; S. PARMESAN, “Dommages extrapatrimoniaux ou moraux (les préjudices particuliers)” in Manuel de la réparation des dommages corporels en droit commun, Luik, Kluwer 2021, 138 (“C’est en principe un dommage extrapatrimonial ou moral”).
(34)Het gaat immers over het startpunt van de interest op de esthetische schade. Als die interest loopt voor consolidatie betreft het de tijdelijke esthetische schade.
(35)D. DE CALLATAY, “Droit de la responsabilité civile”, Brussel, Larcier 2023, 689-691.
(36)S. PARMESAN, “Dommages extrapatrimoniaux ou moraux (les préjudices particuliers)” in Manuel de la réparation des dommages corporels en droit commun, Luik, Kluwer 2021, 138. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240906.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240906.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121120.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150416.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160108.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190425.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.