← België

PHAROCHIM bv c. HOTEL EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ DIEGEM nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240913.1N.1 Rolnummer: C.23.0370.N Zaak: PHAROCHIM bv c. HOTEL EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ DIEGEM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-10-25 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-06-15 16:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240913.1N.1 Fiches 1 - 2 Artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek onderstelt dat de genotsstoornis van het onroerend goed het gevolg is van een definitieve of tijdelijke onmogelijkheid voor de verhuurder om de huurder door een toevallige gebeurtenis of overmacht het in de huurovereenkomst beloofde genot te verschaffen; dit kan het geval zijn wanneer de uitbating van een gehuurde handelsruimte geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk is volgens haar contractuele bestemming ten gevolge van overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronapandemie

(1). () Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (Opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1722 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Verplichtingen van partijen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1722 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0370.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman : Eiseres komt op tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, gewezen op 10 mei
  1. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan Uw Hof wordt voorgelegd betreft de gevolgen van de door de overheid opgelegde maatregelen in het kader van de bestrijding van de COVID-19 pandemie voor de handelshuurovereenkomst met betrekking tot de uitbating van een hotel. II. Eerste onderdeel. In het eerste onderdeel verwijt eiseres de appelrechters de artikelen 1147, 1148, 1709, 1719, 3° en 1725 Oud Burgerlijk Wetboek, evenals de verbindende kracht van de handelshuurovereenkomst tussen partijen (artikel 1134, eerste lid Oud Burgerlijk Wetboek) te hebben geschonden door te oordelen dat eiseres als verhuurster, ingevolge een overmachtssituatie haar verbintenis tot het verschaffen van het rustig genot niet is nagekomen zonder vast te stellen dat de toegankelijkheid voor het publiek van de gehuurde handelsruimte geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk was ten gevolge van overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronapandemie. II.
  2. Principes. Volgens artikel 1709 Oud Burgerlijk Wetboek is de huur van goederen (in casu een handelshuur) een contract waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen. Hoofdverbintenissen verhuurder (verschaffen huurgenot) en huurder (betalen huurprijs). De huur is een wederkerig contract waarbij de verhuurder als hoofdverbintenis heeft het genot van een zaak gedurende een zekere tijd te verschaffen aan een andere persoon. De huurder heeft als hoofdverbintenis de huurprijs te betalen aan de verhuurder. Het genot van de zaak is het gebruiksgenot dat de huurder heeft van het gehuurde goed. Tenietgaan van het verhuurde goed. Artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer het verhuurde goed gedurende de huurtijd door toeval geheel is tenietgegaan, de huur van rechtswege is ontbonden. Wanneer het goed slechts ten dele is tenietgegaan, kan de huurder, naargelang van de omstandigheden, ofwel vermindering van de prijs, ofwel zelfs ontbinding van de huur vorderen. Bovendien is in geen van deze gevallen schadeloosstelling verschuldigd. Dit artikel wordt doorgaans in de doctrine beschouwd als een specifieke toepassing in het huurrecht van de gemeenrechtelijke overmachts- en risicoleer
(1). Dit werd reeds uitdrukkelijk in Uw rechtspraak bevestigd. In het arrest van 17 juni 1993 werd er geoordeeld dat de bepaling van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek slechts toepassing maakt van de rechtsregel volgens welke, in wederkerige overeenkomsten, het tenietgaan door overmacht van de verplichtingen van de ene partij leidt tot het tenietgaan van de correlatieve verplichtingen van de andere partij en bijgevolg de ontbinding van de overeenkomst verantwoordt
(2). Juridisch tenietgaan van het verhuurde goed. Het Hof besliste in zijn arrest van 17 april 1980 dat de toepassing van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek dat niet enkel betrekking heeft op het materieel doch ook op het juridisch tenietgaan van het verhuurde goed, vereist voor de vrijstelling van de huurder, die het genot van het goed moet derven van het geheel of een gedeelte van zijn verplichtingen, dat die genotsderving volgt uit het feit dat de verhuurder door toeval of overmacht onmogelijk het genot kan verschaffen dat in de huurovereenkomst is beloofd
(3). Een goed kan dus materieel of juridisch tenietgaan
(4). In deze zaak is enkel het juridisch tenietgaan relevant. Onmogelijkheid van de verhuurder om het beloofde genot te verschaffen. Zoals eerste advocaat-generaal HAYOIT DE TERMICOURT reeds lang geleden benadrukte in verband met deze wettelijke bepaling moet de genotsderving zijn oorsprong vinden bij de verhuurder. Het is de verhuurder die ten gevolge van een vreemde oorzaak zich in de onmogelijkheid moet bevinden om het beloofde genot te verschaffen aan de huurder
(5). Het Hof besliste in zijn arrest van 27 juni 1946 dat voor de toepassing van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek er in hoofde van de verhuurder onmogelijkheid moet bestaan om het beloofd genot te verschaffen. De verhuurder moet het rustig genot van het verhuurde goed verschaffen aan de huurder overeenkomstig de door de partijen bepaalde bestemming. Wanneer overmacht deze bestemming onmogelijk of zeer moeilijk maakt, houdt de verplichting om de huur te betalen geheel of gedeeltelijk op
(6). De contractuele invulling van de bestemming van het goed/genot bepaalt dus de inhoud van de hoofdverbintenis van de verhuurder. Een goed kan fysiek nog intact zijn maar de verhuurder kan door omstandigheden in de onmogelijkheid verkeren om het afgesproken genot en gebruik te verschaffen
(7). Een genotsstoornis. Uit Uw rechtspraak in verband met artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek en de coronapandemie volgt dat deze bepaling onderstelt dat de genotsstoornis van het onroerend goed het gevolg is van een definitieve of tijdelijke onmogelijkheid voor de verhuurder om de huurder door een toevallige gebeurtenis of overmacht het in de huurovereenkomst beloofde genot te verschaffen
(8). Een genotsstoornis veronderstelt dat er een definitief verlies van het huurgenot is gedurende een bepaald tijdsinterval
(9). Een genotsstoornis die betrekking (rechtstreeks of onrechtstreeks) heeft op het goed zelf. Deze genotsstoornis moet rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het goed zelf
(10). Er moet met andere woorden een voldoende nauwe band zijn tussen de omstandigheden die overmacht uitmaken en het goed zelf. Het verlies van het huurgenot moet voortvloeien uit het tenietgaan van de gehuurde zaak zelf
(11). Zoals DEPAGE reeds deed, is het bij het onderzoek naar deze voldoende nauwe band interessant om de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de verhuur in oorlogstijd te bekijken
(12). Dit geldt des te meer nu er zeker parallellen te trekken zijn tussen de ontwrichting van de economie in oorlogstijd en de ontwrichting van de economie door de coronapandemie nl. beslissingen van de (bezettende) overheid maken overmacht uit die invloed hebben op de contractuele verbintenissen van partijen: - Uw arrest van 9 januari 1919: Wanneer de omstandigheden die overmacht uitmaken de afgesproken bestemming onmogelijk of zeer moeilijk maakt, houdt de verplichting om de huur te betalen geheel of gedeeltelijk op. Een huurder had niet langer het volledige genot van het verhuurde goed nl. een garage gelegen in Brussel, overeenkomstig zijn bestemming doordat de bezetter het verkeer van auto’s op het grondgebied van Brussel verbood. De verhuurder kon zo niet langer het volledige rustig genot van de garage, overeenkomstig de bestemming, verschaffen, zodat de rechter terecht had besloten tot een huurvermindering
(13). - Uw arrest van 5 juli 1923: Wanneer de verhuurder het genot verschaft aan de huurder van het verhuurde huis maar de huurder ten gevolge van de oorlog minder opbrengsten heeft uit de handelszaak gevestigd in het gehuurde goed, dan heeft de huurder geen recht op vermindering van de huurprijs. Wanneer door de overname van de handelszaak door een door de bezetter aangestelde sekwester met uitdrijving van het personeel de verhuurder niet langer het genot van het verhuurde goed verschaft aan de huurder, dan is de huur niet langer verschuldigd. Het is daarbij irrelevant dat de sekwestratie door de bezetter gebeurde omwille van de nationaliteit van de huurder. Het verhuurde gebouw moet daarbij in beschouwing worden genomen in verhouding met de contracterende partijen in concreto
(14). - Uw arrest van 13 juli 1923: Het genot van het gebouw zelf moet zijn aangetast voor de toepassing van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek. Het is hiervoor noodzakelijk dat de belemmering die de uitoefening van de rechten van de huurder verhindert, het gebouw zelf betreft en niet geheel of gedeeltelijk veroorzaakt werd door de huurder. De bezetting van een huis door Duitse officieren en soldaten tijdens gerechtvaardigde afwezigheid van de huurder maakt een dergelijke omstandigheid uit
(15). - Uw arrest van 18 januari 1924: een Franse vennootschap genaamd Belge Cinéma werd door de Duitse bezetter verdreven uit het door haar gehuurde pand omwille van de Franse nationaliteit. De beslissing van de rechter dat Belge Cinéma toch de huur moest betalen wordt vernietigd op basis van dezelfde motivering als die werd gebruikt in hogervermeld arrest van 5 juli 1923
(16). - Uw arrest van 27 juni 1946: de NV Métro-Goldwyn-Mayer verliest zijn vergunning om filmvoorstellingen te geven in het door haar gehuurde pand door een beslissing van de Duitse bezetter omwille van de Joodse origine van sommige leden van Métro-Goldwyn-Mayer. Het middel geënt op een schending van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek omdat de eerste rechter ten onrechte zou geoordeeld hebben dat de onmogelijkheid om het beloofde genot te verschaffen moet slaan op het gehuurde goed zelf en op zijn minst moet bestaan in hoofde van de verhuurder zelf faalt naar recht. Uit de beantwoording van dit middel blijkt enkel dat de toepassing van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek vereist dat er in hoofde van de verhuurder onmogelijkheid moet bestaan om het beloofd genot te verschaffen
(17). Andere gevolgtrekkingen vloeien hier niet uit
(18). Hier moet echter de kanttekening bij worden geplaatst dat de eiser in cassatie niet had opgeworpen tegen het bestreden vonnis dat er wel degelijk onmogelijkheid was voor de verhuurder om het beloofde genot te verschaffen wat volgens eerste advocaat-generaal HAYOIT DE TERMICOURT wel tot een succesvol cassatiemiddel had kunnen leiden
(19). Uit deze rechtspraak blijkt volgens mij dat de omstandigheden die overmacht uitmaken moeten betrekking hebben op het verhuurde goed zelf opdat er geoordeeld wordt dat de verhuurder niet langer kan voldoen aan zijn verbintenis om het beloofde genot overeenkomstig de contractuele bestemming te verschaffen en dat de motieven waarom overheidsmaatregelen die overmacht uitmaken voor verhuurders om het beloofde genot te verschaffen, worden ingevoerd irrelevant zijn. Uit Uw arrest van 9 januari 1919 blijkt dat overmacht op zijn minst onrechtstreeks betrekking moet hebben op het verhuurde goed zelf en dat het volstaat dat de overmacht de afgesproken bestemming zeer moeilijk maakt zonder dat er sprake is van een onmogelijkheid
(20). Toepassing: ontoegankelijkheid voor het publiek tot de handelsruimte. Uit Uw rechtspraak in verband met artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek en de coronapandemie volgt dat deze bepaling onderstelt dat de genotsstoornis van het onroerend goed het gevolg is van een definitieve of tijdelijke onmogelijkheid voor de verhuurder om de huurder door een toevallige gebeurtenis of overmacht het in de huurovereenkomst beloofde genot te verschaffen
(21). Uw rechtspraak volgt daarbij volgens mij ook de vroegere rechtspraak zoals hoger vermeld. Uit Uw arrest van 26 mei 2023 volgt dat dit het geval is wanneer de toegankelijkheid voor het publiek van de gehuurde handelsruimte (in casu een kledingwinkel) geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk is ten gevolge van overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronapandemie. Artikel 1 Handelshuurwet bepaalt dat handelshuur betrekking heeft op de huur van onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend vanaf de ingenottreding van de huurder, hetzij krachtens een uitdrukkelijke overeenkomst van partijen in de loop van de huur, door de huurder of door een onderhuurder in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek. Wat kenmerkend is voor de toepassing van de Handelshuurwet, is het rechtstreeks contact met het publiek
(22). Het was dan ook logisch dat het Hof oordeelde dat wanneer de toegankelijkheid voor het publiek van de gehuurde handelsruimte (in casu een kledingwinkel) geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk is ten gevolge van overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronapandemie, er sprake is van een genotsstoornis
(23). Deze genotsstoornis heeft dan immers ontegensprekelijk betrekking op het goed zelf. Algemene regel: een normale uitbating volgens contractuele bestemming is geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk of zeer moeilijk. De vraag rijst of de diverse maatregelen van de overheid in het kader van de bestrijding van de pandemiewetgeving wat de hotelsector betreft een genotstoornis inhouden die betrekking heeft op het verhuurde goed zelf. Genotsstoornissen moeten betrekking hebben op het gehuurde goed zelf. Stoornissen die enkel invloed hebben op de winstgevendheid van de uitbating zonder dat de overeengekomen bestemming van het gehuurde goed wordt aangetast kunnen niet leiden tot de toepassing van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek
(24). In principe is het gebrek aan winstgevendheid van de uitbating van de handelszaak in gevolge de omstandigheden die overmacht uitmaken irrelevant bij de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek. Het risico van het uitbaten van een handelszaak ondergebracht in een gehuurd goed, ligt bij de handelaar/huurder zelf. Ook de vaststelling dat hoteluitbaters wegens de invloed van de pandemiewetgeving op de uitbating van het hotel beroep konden doen op bepaalde premies
(25)of konden genieten van belastingverminderingen
(26)is niet relevant bij deze beoordeling aangezien deze steunmaatregelen geen invloed hebben op het rustig genot voortvloeiende uit de overeengekomen bestemming van het verhuurde goed. Het is niet omdat er financiële compensatie is voor de handelaar dat hij het rustig genot heeft van het verhuurde goed. Deze steunmaatregelen zouden volgens mij wel invloed kunnen hebben op de hoegrootheid van de prijsvermindering waarop de huurder aanspraak zou kunnen maken. Enkel wanneer de normale uitbating van een gehuurde handelsruimte door toeval geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk of zeer moeilijk is volgens haar contractuele bestemming en dus geheel of gedeeltelijk teniet is gegaan, kan artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek worden toegepast. Dit zal evident de winstgevendheid van de handelszaak in het gedrang brengen. Doch dit is enkel het gevolg van de overmacht die nog steeds betrekking moet hebben op de gehuurde goed zelf. Dit is het geval wanneer ingevolge de overheidsmaatregelen uitgevaardigd voor de bestrijding van de COVID-19 pandemie de normale uitbating van een gehuurde handelsruimte geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk of zeer moeilijk is volgens haar overeengekomen bestemming. Een genuanceerde feitelijke beoordeling door de feitenrechter, onder het marginaal toetsingsrecht van het Hof, afhankelijk van de geldende overheidsmaatregelen en afhankelijk van de getroffen economische sector en het specifieke gehuurde goed in concreto is aangewezen. Hierbij is het volgens mij niet mogelijk in alle gevallen de volledige periode waarin de overheidsmaatregelen ter bestrijding van de COVID-19 pandemie van kracht waren, als een homogene periode te behandelen. Dit zal zelfs eerder de uitzondering zijn (het lijkt bijvoorbeeld wel mogelijk te zijn voor discotheken die bijna twee jaar lang gedwongen waren om de deuren te sluiten)
(27). Hoewel in onderhavige zaak een dergelijke kritiek zeker niet onmogelijk was tegen het bestreden vonnis, laat de eiser na om hier tegen een middel te ontwikkelen. Specifiek voor de hotelsector geldt dat de door de overheid uitgevaardigde maatregelen ter bestrijding van het coronavirus COVID-19 nooit tot gevolg hadden dat de hotels volledig moesten worden gesloten
(28). Een hotel werd zelfs door de overheid beschouwd als een handelszaak die noodzakelijk is voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking
(29). De maatregelen van de overheid waren wat de hotelsector betreft er dan ook enkel opgericht om de uitbating van de hotels in zo veilig mogelijke omstandigheden te laten verlopen. De overheidsmaatregelen hadden dus zeker niet rechtstreeks betrekking op het gehuurde goed als hotel. De vraag rijst vervolgens of de overheidsmaatregelen ten aanzien van de brede bevolking, zoals de zeer strenge reis- en verplaatsingsbeperkingen voor de bevolking, tijdens de periodes van “lockdown”, de inreisverboden voor niet-essentiële reizen vanuit het buitenland naar België, enz. een genotsstoornis in de zin van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek kunnen uitmaken die onrechtstreeks betrekking heeft op het gehuurde goed, dat dienstdoet als hotel. Dit kan volgens mij het geval zijn. De normale uitbating van de meeste hotels zal in die omstandigheden niet mogelijk of zeer moeilijk geweest zijn. Hierdoor kon de verhuurder het beloofde genot tijdelijk en gedeeltelijk niet verschaffen waardoor ook de correlatieve verbintenis van de huurder in gelijke mate verdwijnt. II.2. Toepassing van deze principes in deze zaak. Het eerste onderdeel dat ervan uitgaat dat een rechter zonder vast te stellen dat de toegankelijkheid voor het publiek van de gehuurde handelsruimte geheel of gedeeltelijk niet langer mogelijk was ten gevolge van overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronapandemie, niet kan beslissen tot een huurprijsvermindering op basis van artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek, faalt naar recht. (…) Conclusie: Verwerping. ____________________________________
(1)Vb. S. STIJNS, S. JANSEN en F. PEERAER, “Hoofstuk VIII. Schorsing en beëindiging van de huurovereenkomst naar gemeen recht”, 777, in M. DAMBRE, B., HUBEAU en S. STIJNS, Handboek Algemeen huurrecht, Die Keure, Brugge, 2015, 912; S. MARYSSE, “Commentaar bij art. 1719, 3°, 1721, 1722, 1723 en 1725-1727 BW”, 68-69; H. DEPAGE, Traité élémentaire de droit civil, 2e et 3e ed., Tome IV – Les principaux contrats (1er part) Louage, E. Bruylant, Brussel, 1972, 602, 638 en 749. N. VANDAMME beschouwt artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek als een toepassing van de leer van het verval van wederkerige verbintenissen (N. VAN DAMME, “Verplichte sluiting van horecazaken in tijden van corona: toepassing van de overmachts- en risicoleer of de leer van het verval?”, 119, randnr. 24 in B. TILLEMAN (ed.), Themis 2023-2024 nr. 128 Bijzondere overeenkomsten, Larcier-Intersentia 2024, 549p.).
(2)Cass. 17 juni 1993, AR 9405, AC 1993, nr. 291, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930617.8.
(3)Cass. 17 april 1980, AC 1980, nr. 528; Pas. 1980, I, ECLI:BE:CASS:1980:ARR.19800417.15.
(4)S. STIJNS, S. JANSEN en F. PEERAER, “Hoofstuk VIII. Schorsing en beëindiging van de huurovereenkomst naar gemeen recht”, 777, in M. DAMBRE, B., HUBEAU en S. STIJNS, Handboek Algemeen huurrecht, Die Keure, Brugge, 2015, 912 p.; H. DEPAGE, Traité élémentaire de droit civil, 2e et 3e ed., Tome IV – Les principaux contrats (1er part) Louage, E. BRUYLANT, Brussel, 1972, 597,
(5)Cass. 27 juni 1946, Pas. 1946, I, 270; weergave RCJB 1947, 268-272 met concl. van eerste advocaat-generaal HAYOIT DE TERMICOURT en noot van A. DE BERSAQUES.
(6)Cass. 9 januari 1919, Pas 1919, I. 52.
(7)S. STIJNS, S. JANSEN en F. PEERAER, “Hoofstuk VIII. Schorsing en beëindiging van de huurovereenkomst naar gemeen recht”, 778, in M. DAMBRE, B., HUBEAU en S. STIJNS, Handboek Algemeen huurrecht, Die Keure, Brugge, 2015, 912 p.
(8)Cass. 7 september 2023, AR C.22.0437.N, AC 2023, nr. 544, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.4; Cass. 26 mei 2023, AR C.22.0296.N, AC 2023, nr. 381, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.2, RW 2023-24, noot J. DEL CORRAL en M. DE POTTER DE TEN BROECK; Cass. 10 november 2022, AR C.22.0006.F, AC 2022, nr. 723, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221110.1F.5, met concl. van advocaat-generaal Bénédicte INGHELS, JT 2023, 160 met noot J. VAN ZUYLEN; Zie voor commentaar op deze drie arresten ook H. VYNCKE, “Artikel 1722 oud BW, tijdelijke overmacht en het behoud van het nut van de handelshuurovereenkomst voor partijen”, T. Vred. 2023, 507-521 en J. RENIERS, “Het doel heiligt de middelen niet: kritische evaluatie van de verruimde toepassing van artikel 1722 oud BW door het Hof van Cassatie”, RW 2023-24, 1042-1062);
(9)H. DEPAGE, Traité élémentaire de droit civil, 2e et 3e ed., Tome IV – Les principaux contrats (1er part) Louage, E. BRUYLANT, Brussel, 1972, 618; N. VAN DAMME, “Verplichte sluiting van horecazaken in tijden van corona: toepassing van de overmachts- en risicoleer of de leer van het verval?”, 109, randnr. 9 in B. TILLEMAN (ed.), Themis 2023-2024 nr. 128 Bijzondere overeenkomsten, Larcier-Intersentia 2024, p. 549.
(10)N. VAN DAMME, “Verplichte sluiting van horecazaken in tijden van corona: toepassing van de overmachts- en risicoleer of de leer van het verval?”, 115, randnr. 20 in B. TILLEMAN (ed.), Themis 2023-2024 nr. 128 Bijzondere overeenkomsten, Larcier-Intersentia 2024, p. 549.
(11)S. STIJNS, S. JANSEN en F. PEERAER, “Hoofstuk VIII. Schorsing en beëindiging van de huurovereenkomst naar gemeen recht”, 777, in M. DAMBRE, B., HUBEAU en S. STIJNS, Handboek Algemeen huurrecht, Die Keure, Brugge, 2015, p. 912 .
(12)H. DEPAGE, Traité élémentaire de droit civil, 2e et 3e ed., Tome IV – Les principaux contrats (1er part) Louage, E. BRUYLANT, Brussel, 1972, 619.
(13)Cass. 9 januari 1919, Pas. 1919, I, 52.
(14)Cass. 5 juli 1923, Pas. 1923, I. 410.
(15)Cass. 13 juli 1923, Pas. 1923, I, 430.
(16)Cass. 18 januari 1924, Pas. 1924, I. 138.
(17)Cass. 27 juni 1946, Pas. 1946, I, 270; weergave RCJB 1947, 268-272 met concl. van eerste advocaat-generaal HAYOIT DE TERMICOURT en noot van A. DE BERSAQUES.
(18)VAN DAMME trekt uit dit arrest de verkeerde conclusie dat het Hof in navolging van het bestreden vonnis zou beslist hebben dat artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek geen toepassing kon krijgen omdat de maatregel van de Duitsers enkel in personam was en geen betrekking had op de bestemming van het goed zelf (N. VAN DAMME, “Verplichte sluiting van horecazaken in tijden van corona: toepassing van de overmachts- en risicoleer of de leer van het verval?”, 114, randnr. 20 in B. TILLEMAN (ed.), Themis 2023-2024 nr. 128 Bijzondere overeenkomsten, Larcier-Intersentia, 2024, 549p.). Deze auteur verliest echter uit het oog dat het Hof enkel de rechtsregel formuleerde dat de onmogelijkheid om het beloofde genot de verschaffen moet bestaan in hoofde van de verhuurder zelf en oordeelde verder dat het ingeroepen middel door Metro-Goldwyn-Mayer (nl. de appelrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de eiseres in cassatie zich niet kon beroepen op artikel 1722 Oud Burgerlijk Wetboek omdat de onmogelijkheid om het beloofde genot te verschaffen moet slaan op het gehuurde goed zelf en op zijn minst moet bestaan in hoofde van de verhuurder zelf omdat het van weinig belang is dat het toeval of de overmacht die de huurder belet om het genot te hebben van het gehuurde goed, zijn oorsprong heeft in een maatregel die genomen werd omwille van bijzondere omstandigheden die betrekking hebben op de huurder zelf wanneer, zoals in dit geval, de maatregel direct verband houdt met de uitbating van het gehuurde goed) faalt naar recht.
(19)Conclusie van eerste advocaat-generaal HAYOIT DE TERMICOURT, RCJB 1947, 270-271.
(20)Zie ook DEPAGE die meent dat de overmacht niet te strikt mag worden ingevuld. Het is niet nodig dat de huurder materialiter niet meer het genot heeft van het gehuurde goed. Het volstaat dat de huurder menselijkerwijze gelet op de omstandigheden niet langer het normale genot heeft van het gehuurde goed. H. DEPAGE, Traité élémentaire de droit civil, 2e et 3e ed., Tome IV – Les principaux contrats (1er part) Louage, E. BRUYLANT, Brussel, 1972, 618.
(21)Cass. 7 september 2023, AR C.22.0437.N, AC 2023, nr. 544, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.4; Cass. 26 mei 2023, AR C.22.0296.N, AC 2023, nr. 381, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.2, RW 2023-24, noot J. DEL CORRAL en M. DE POTTER DE TEN BROECK; Cass. 10 november 2022, AR C.22.0006.F, AC 2022, nr. 723, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221110.1F.5, met concl. van advocaat-generaal Bénédicte INGHELS, JT 2023, 160 met noot J. VAN ZUYLEN; zie voor een commentaar op deze drie arresten ook H. VYNCKE, “Artikel 1722 oud BW, tijdelijke overmacht en het behoud van het nut van de handelshuurovereenkomst voor partijen”, T. Vred. 2023, 507-521 en J. RENIERS, “Het doel heiligt de middelen niet: kritische evaluatie van de verruimde toepassing van artikel 1722 oud BW door het Hof van Cassatie”, RW 2023-24, 1042-1062.
(22)J. HERBOTS, E. DEGROOTE, M. VERVOORT, T. BRUYNINCKX, S. VAN DER AUWERA, “Handelshuur”, 182 in R. DERINE, H. COUSY, J., COUTURIER, W. DELVA, J. HERBOTS, R. VEKEMAN, Het onroerend goed in de praktijk, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl.
(23)Cass. 26 mei 2023, AR C.22.0296.N, AC 2023, nr. 381, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.2.
(24)H. DEPAGE, Traité élémentaire de droit civil, 2e et 3e ed., Tome IV – Les principaux contrats (1er part) Louage, E. BRUYLANT, Brussel, 1972, 618.
(25)Vb. Besluit van 22 april 2022 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende steun aan de ondernemingen van de toeristische logiessector in het kader van de gezondheidscrisis COVI-19 in 2021 en 2022, BS 29 april 2022.
(26)Vb. Ordonnantie van 15 juli 2001 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de belasting op de inrichtingen van toeristisch logies op grond van de gezondheidscrisis van de COVID-19, BS 20 juli 2021.
(27)Pas bij de inwerkingtreding op 18.02.2022 van het KB van 17 februari 2022 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken (BS 17 februari 2022), mochten discotheken hun activiteiten hervatten onder zeer strikte voorwaarden.
(28)Zie de (diverse) versies van het MB van 13 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 13 maart 2020; MB 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 18 maart 2020; MB van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 23 maart 2020; MB van 30 juni 2020, BS 30 juni 2020; MB 18 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 18 oktober 2020; MB van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 28 oktober 2020 en KB van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken, BS 29 oktober 2021.
(29)Zie de diverse versies van de bijlage bij MB 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 18 maart 2020; MB van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 23 maart 2020; MB van 30 juni 2020, BS 30 juni 2020; MB 18 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 18 oktober 2020; MB van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 28 oktober 2020. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240913.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240913.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1980:ARR.19800417.15 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930617.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221110.1F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.