id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240913.1N.7 Rolnummer: C.23.0302.N Zaak: Vlaamse Regulator van de Elektriciteits-c. BRUNO INVES Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-25 Raadplegingen: 260 - laatst gezien 2026-06-15 07:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240913.1N.7 Fiche Uit de samenhang van de artikelen 1,01, 3, eerste en zesde lid, 270, eerste tot en met derde lid, 273, 275,01 en 275,02 van het Algemeen Reglement van 10 maart 1981 op de elektrische installaties volgt dat, alvorens een elektrische laagspanningsinstallatie in gebruik kan worden genomen, deze installatie in zijn geheel, zijnde de machines, toestellen en leidingen samen, waaronder zowel het AC-gedeelte als DC-gedeelte van de installatie, aan een gelijkvormigheidsonderzoek moet worden onderworpen, hetgeen vereist dat de installatie in zijn geheel is geplaatst en de verscheidende onderdelen ervan aan elkaar aangesloten zijn
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 1.01 en 3, eerste lid Algemeen Reglement van 10 maart 1981, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij KB van 25 april 2013. Thesaurus CAS: ENERGIE Wettelijke bepalingen: KB 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard - 10-03-1981 - Art. 1,01 - 30 ELI link Pub nr 1981000652 KB 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard - 10-03-1981 - Art. 3, eerste en zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1981000652 KB 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard - 10-03-1981 - Art. 270, eerste, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1981000652 KB 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard - 10-03-1981 - Art. 273 - 30 ELI link Pub nr 1981000652 KB 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard - 10-03-1981 - Art. 275,01 - 30 ELI link Pub nr 1981000652 KB 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard - 10-03-1981 - Art. 275,02 - 30 ELI link Pub nr 1981000652 Tekst van de conclusie C.23.0302.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseressen komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 17 april 2023
(1). Door de eiseressen worden er drie middelen aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan Uw Hof wordt voorgelegd, kadert in de regelgeving met betrekking tot de zogenaamde groenestroomcertificaten zoals bedoeld in Hoofdstuk I van titel VII van het Decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (verder Energiedecreet)
(2). De VREG kende een groenestroomcertificaat toe aan de eigenaar van een productie-installatie voor iedere 1000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen
(3). De netbeheerders kennen een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt in installaties die aangesloten zijn op hun net, voor zover de producent zelf daarom verzoekt. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen draagt de producent het overeenstemmende aantal groenestroomcertificaten over aan de betrokken netbeheerder
(4). Het bedrag van decretale vastgelegde minimumsteun verschilt naargelang de installatie voor een bepaalde datum in gebruik wordt genomen. De discussie in dit dossier betreft de vraag of men recht heeft op een minimumsteun van 330 euro per groenestroomcertificaat omdat de installatie met een piekvermogen groter dan 250 kW in gebruik is genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 dan wel op een minimumsteun van 240 euro per groenestroomcertificaat omdat de installatie met een piekvermogen groter dan 250 kW in gebruik is genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011
(5). De groenestroomcertificaten worden volgens het Besluit van 19 november 2010 van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid (verder Energiebesluit)
(6)het besluit toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag
(7). Dit is het keuringsverslag dat wordt opgesteld door een erkend keuringsorganisme op basis van het Algemeen Reglement van 10 maart 1981 op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie (verder AREI)
(8). De specifieke vraag waarover het Hof zich in dit dossier dient te buigen betreft de vraag of dit keuringsverslag betrekking moet hebben op de volledige zonnepaneleninstallatie dan wel enkel op het gedeelte van de installatie dat betrekking heeft op de wisselstroom. Zonnepanelen wekken gelijkstroom op. Deze gelijkstroom wordt door (een) omvormer(s) omgezet naar wisselstroom. De zonnepanelen met alle verbindingen naar de omvormers en de omvormers zelf vormen het gelijkstroomgedeelte van de installatie (het DC-gedeelte). De omvormer stuurt de gelijkstroom naar het schakelbord waardoor de opgewekte elektriciteit via een aansluitingspunt van de netwerkbeheerder op het elektriciteitsnetwerk kan worden gezet of ter plaatse kan worden gebruikt. Het gedeelte van de installatie vanaf de omvormers tot aan het aansluitingspunt vormt het wisselstroomgedeelte (het AC-gedeelte) van de installatie. II. Eerste middel. II.
- Eerste onderdeel. (…) II.1.
- Gegrondheid. De eiseressen verwijten de appelrechters de artikelen 1, 3, 270, 273 en 275 van het AREI te hebben geschonden door te oordelen dat het keuringsverslag een volledige, geldige en waarheidsgetrouwe AREI-keuring is terwijl uit het verslag blijkt dat de keuring enkel betrekking had op het wisselstroomgedeelte (het AC-gedeelte) en niet op het gelijkstroomgedeelte (DC-gedeelte) en de voormelde bepalingen een keuring van de volledige installatie vereisen. Artikel 7.1.3 van het Energiedecreet bepaalt dat de Vlaamse Regering de nadere toepassingsregels en procedures vastlegt voor de aanvraag en toekenning van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten
(9). Artikel 7.1.6, § 1, van het Energiedecreet bepaalt een systeem van minimumsteun per groenestroomcertificaat waarbij de hoogte van de minimumsteun afhankelijk is van de datum van ingebruikname van de installatie
(10). Artikel 6.1.7 van het Energiebesluit bepaalt dat de eerste groenestroomcertificaten worden toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 6.1.4. van het Energiebesluit. Aan installaties die minder dan 100.000 kWh per jaar produceren, worden groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat de VREG de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten aan deze installaties ontvangt binnen een jaar na de datum van het verslag. Als de VREG de aanvraag niet binnen die termijn ontvangt, worden de groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten
(11). In casu betreft het een installatie die meer dan 100.000 kWh elektriciteit per jaar produceert. Artikel 6.1.4., § 1 Energiebesluit bepaalt: “Voor installaties die per jaar meer dan 100.000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, kunnen alleen groenestroomcertificaten toegekend worden als bij de aanvraag tot toekenning van certificaten een keuringsverslag van de productie-installatie aan de VREG wordt voorgelegd. Dat keuringsverslag opgesteld is door een erkend orgaan voor het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de elektrische installaties, vermeld in artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties. Het keuringsverslag bevestigt dat de elektriciteit, geproduceerd door de productie-installatie in kwestie, opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron. Het bevestigt ook dat de meting van de geproduceerde elektriciteit voldoet aan de nationale en internationale normen en voorschriften, en dat voor alle andere metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, een ijkcertificaat kan worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie. Installaties die per jaar meer dan 1.000.000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, kunnen alleen groenestroomcertificaten blijven krijgen na de voorlegging van een nieuw keuringsverslag om de twee jaar. De VREG kan op elk moment controleren of de vaststellingen, die opgenomen zijn in een keuringsverslag, overeenkomen met de werkelijkheid”
(12). Uit deze bepalingen blijkt dat groenestroomcertificaten worden toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag als het gaat om, zoals in dit dossier, om een installatie die meer dan 100.000 kWh elektriciteit per jaar produceert. Het keuringsverslag moet betrekking hebben op de productie-installatie en moet worden opgesteld door een erkend orgaan voor gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van elektrische installaties zoals bedoeld in artikel 275 AREI. Het keuringsverslag moet bevestigen dat elektriciteit, geproduceerd door de productie-installatie opgewerkt wordt uit een hernieuwbare energiebron. Enkel al uit deze bepalingen volgt een sterke aanwijzing dat de keuring in het kader van de toekenning van groenestroomcertificaten moet betrekking hebben op de volledige productie-installatie. Deze bepalingen maken geenszins een onderscheid tussen het AC en het DC-gedeelte van de productie-installatie. Bovendien wijst het gebruik van het woord “productie-installatie” erop dat ook het DC-gedeelte moet gekeurd worden. De zonnepanelen zijn immers de onderdelen van de installatie die de elektriciteit (gelijkstroom) opwekken en zonder de verbindingen tussen de zonnepanelen en de omvormers kan de opgewekte elektriciteit niet verwerkt worden voor intern gebruik of voor injectie op het elektriciteitsnetwerk omdat er daarvoor wisselstroom voor nodig is aangezien er bij transport van wisselstroom minder elektriciteit verloren gaat. Ook de vereiste dat het keuringsverslag moet vermelden dat de geproduceerde elektriciteit afkomstig is van een hernieuwbare energiebron, lijkt enkel te kunnen slaan op een productie-installatie die volledig geïnstalleerd is. Zonder keuring van het DC-gedeelte van een zonnepaneel-installatie lijkt het moeilijk te zijn dat een attest zou kunnen vermelden dat de geproduceerde elektriciteit afkomstig is van een hernieuwbare energiebron. Ook de analyse van de relevante bepalingen van het AREI zelf leidt volgens mij tot dezelfde conclusie nl. de keuring betrekking moet hebben op de volledige installatie en niet enkel op het AC-gedeelte. VAN MOLLE schrijft daarover dat de verplichting om over te gaan tot een gelijkvormigheidsonderzoek slaat op alle elektrische installaties ongeacht de plaats waar de installatie zich bevindt of in dienst is. Iedere installatie die aangesloten is op het openbaar netwerk of gevoed wordt door een privé-installatie moet conform aan het AREI zijn
(13). Artikel 1, 01, van het AREI bepaalt dat de voorschriften van dit reglement gelden voor alle elektrische installaties bestemd voor productie, omvorming, transport, verdeling of gebruik van elektrische energie voor zover de nominale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz
(14). De toestellen die deel uitmaken van het DC-gedeelte van een zonnepaneleninstallatie, zoals de zonnepanelen, de omvormers, en de kabels en verdeelboxen, vallen onder deze definitie van artikel 1, 01 AREI. Artikel 2, 01 AREI bepaalt dat de verschillende technische termen worden bepaald in artikel 3 betreffende het elektrisch materieel en de elektrische installaties in het algemeen en in artikel 252 betreffende de termen met betrekking tot laagspanningsinrichtingen. Volgens artikel 3, zesde lid, AREI is een elektrische installatie een geheel bestaande met elektrische machines, toestellen en leidingen
(15). Volgens artikel 3, eerste lid, AREI, zoals hier van toepassing, is een elektrische machine of toestel een apparaat dat dient voor productie, omvorming, verdeling of gebruik van elektrische energie
(16). Opnieuw geldt hier dat de toestellen die deel uitmaken van het DC-gedeelte van een zonnepaneleninstallatie onder de definitie vallen van deze artikelen van het AREI. Artikel 270, eerste lid, AREI bepaalt dat elke laagspanningsinstallatie, zelfs deze gevoed via een privé-installatie, met uitzondering van luchtlijnen en ondergrondse leidingen van openbare elektriciteitsverdelingsnetten, voor de ingebruikname van de installatie aan een gelijkvormigheidsonderzoek moet onderworpen worden volgens de voorschriften van het huidig reglement. Artikel 270, tweede lid, AREI bepaalt dat, zonder afbreuk te doen aan het naleven van de voorschriften van het huidig reglement vanaf de ingebruikname, elke laagspanningsinstallatie na belangrijke wijziging of beduidende uitbreiding van de bestaande installatie moet gecontroleerd worden of deze conform met de reglementaire voorschriften uitgevoerd werden. Dit gelijkvormigheidsonderzoek beperkt zich tot het bijgevoegde of gewijzigde gedeelte van de installatie. Artikel 270, derde lid, AREI bepaalt dat deze gelijkvormigheidsonderzoeken uitgevoerd worden hetzij door een afgevaardigde van de verdeler belast met het onderzoek, hetzij door een erkend organisme, hetzij door de bevoegde of de ermee belaste overheid, volgens de voorschriften van dit hoofdstuk. Artikel 273 AREI bepaalt onder meer dat, na het gelijkvormigheidsonderzoek of het controlebezoek, uitgevoerd in de gevallen voorzien in de artikelen 270 tot 272, een proces-verbaal moet opgesteld worden overeenkomstig de voorschriften opgelegd door de Ministers die respectievelijk Energie en Arbeidsveiligheid onder hun bevoegdheid hebben, ieder voor wat hem betreft en dat door de eigenaar of beheerder moet voorgelegd worden aan de ambtenaar die met het toezicht is belast. Volgens artikel 275, 01, AREI worden organismen voor het uitvoeren van de gelijkvormigheidscontroles vóór de ingebruikname en van de controlebezoeken van de elektrische installaties zoals voorzien in de artikelen 270 tot 273 van dit reglement en van de controlebezoeken van de elektrische installaties zoals voorzien in de artikelen 262 en 263 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, erkend door de Minister die Energie onder zijn bevoegdheid heeft overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Volgens artikel 275, 02, AREI is een gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname een gelijkvormigheidscontrole van elektrische installaties voorzien in de artikelen 270 en 272 van dit reglement. Uit deze wetsbepalingen volgt dat, alvorens een elektrische laagspanningsinstallatie in gebruik kan worden genomen, deze installatie in zijn geheel, zijnde de machines, toestellen en leidingen samen, waaronder zowel het AC-gedeelte als het DC-gedeelte van de installatie, aan een gelijkvormigheidsonderzoek moet worden onderworpen. Dit vereist dat de installatie in zijn geheel is geplaatst en de verscheidende onderdelen ervan aan elkaar zijn aangesloten. Ook in de gebruikelijk betekenis is een installatie pas een installatie als alle delen ervan aangesloten zijn aan elkaar. Een losse verzameling onderdelen kan bezwaarlijk als een installatie worden beschouwd. Ook voor de veiligheid van zonnepaneleninstallatie is het absoluut noodzakelijk dat het conformiteitsonderzoek op volledige installatie betrekking heeft en dit kan volgens mij enkel als de installatie volledig geïnstalleerd is en niet louter geplaatst zoals de appelrechters hebben beslist. Het huidige boek 1 van het van 8 september 2019 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning (wisselspanning De appelrechters die met de redenen vermeld op pagina 18 tot 36 van het bestreden arrest oordelen dat het gelijkvormigheidsonderzoek van de elektrische laagspanningsinstallatie van de eerste verweerster correct, volledig en waarheidsgetrouw is, zonder dat dit onderzoek zich tot het DC-gedeelte van de installatie uitstrekte en zonder dat alle onderdelen ervan aan elkaar waren aangesloten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: Cassatie. _______________________________
(1)Dit arrest werd reeds becommentarieerd in de doctrine nl. L. BEERDEN en A. BOUKABOUS, “De mogelijkheid tot beëindiging van de beslissing tot toekenning van groene-stroomcertificaten: een analyse van het arrest van het hof van beroep van 17 april 2023” (noot bij Antwerpen 17 april 2023), Limb.Rechsl. 2023/4, 307-326.
(2)BS 7 juli 2009.
(3)Art. 7.1.1. Energiedecreet (versie zoals van kracht voor de wijziging ervan door het Decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie, BS 20 juli 2012).
(4)Artikel 7.1.6., § 1, eerste lid, Energiedecreet (versie zoals van kracht voor de wijziging ervan door het Decreet van 8 juli 2011 houdende de wijziging van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG en de Richtlijn 2009/73/EG, BS 16 augustus 2011).
(5)Art. 7.1.6., § 1, vijfde lid, 5°, c), 1) en 2), Energiedecreet (versie zoals van kracht voor de wijziging ervan door het Decreet van 8 juli 2011 houdende de wijziging van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG en de Richtlijn 2009/73/EG, BS 16 augustus 2011).
(6)BS 8 december 2010.
(7)Art. 6.1.7. Energiebesluit (versie zoals van kracht voor de wijziging ervan bij Besluit van 21 december 2012 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de groenestroomcertificaten, de warmtekrachtcertificaten en de garanties van oorsprong, BS 31 december 2012).
(8)BS 29 april 1981, thans opgeheven door het koninklijk besluit van 8 september 2019 tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie, BS 28 oktober 2019.
(9)Zoals van kracht voor de wijziging ervan door het Decreet van 14 maart 2014 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de energieprestaties van gebouwen, BS 28 maart 2014.
(10)Versie zoals van kracht voor de wijziging ervan door het Decreet van 8 juli 2011 houdende de wijziging van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG en de Richtlijn 2009/73/EG, BS 16 augustus 2011.
(11)Versie zoals van kracht voor de wijziging ervan bij Besluit van 21 december 2012 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de groenestroomcertificaten, de warmtekrachtcertificaten en de garanties van oorsprong, BS 31 december 2012.
(12)Versie zoals van kracht voor de wijziging ervan door het Besluit van de Vlaamse Regering Vl.Reg. 21 december 2012 tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de groenestroomcertificaten, de warmtekrachtcertificaten en de garanties van oorsprong, BS 31 december 2012.
(13)M. VAN MOLLE, “Le contrôle des installations électrique : prescriptions réglementaires et relations contractuelles”, Jurim Pratique 2012/2, 168-170.
(14)Versie van kracht zoals voor de wijziging ervan door het koninklijk besluit van 25 april 2013 tot wijziging van de artikelen 1, 3, 28, 100, 104, 151, 200 en 207 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, BS 4 juni 2013.
(15)Versie van kracht zoals voor de wijziging ervan door het koninklijk besluit van 25 april 2013 tot wijziging van de artikelen 1, 3, 28, 100, 104, 151, 200 en 207 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, BS 4 juni 2013.
(16)Versie van kracht zoals voor de wijziging ervan door het koninklijk besluit van 25 april 2013 tot wijziging van de artikelen 1, 3, 28, 100, 104, 151, 200 en 207 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, BS 4 juni 2013.
(17)Zie artikel 6.4.1. van boek 1 van het van 8 september 2019 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning (wisselspanning PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240913.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240913.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div