← België

BELGISCHE STAAT c. KARA INDUSTRIAL TRADING G.M.B.H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 Rolnummer: P.23.1093.N Zaak: BELGISCHE STAAT c. KARA INDUSTRIAL TRADING G.M.B.H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-11-06 Raadplegingen: 607 - laatst gezien 2026-06-18 18:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12 Fiches 1 - 5 Uit artikel 6 Wet 13 mei 2003 volgt dat een inbreuk op EG-Verordening nr. 267/2012 in de regel wordt bestraft volgens die bepaling en door het openbaar ministerie kan worden vervolgd, behoudens wanneer die inbreuk ook als een douanemisdrijf kan worden omschreven en uit die strafbaarstelling volgt dat een zwaardere straf kan worden opgelegd; in het laatste geval behoort de vervolgingsbevoegdheid aan de algemene administratie van de douane en accijnzen; uit die bepaling volgt niet dat voor de toepassing ervan een vervolging door zowel het openbaar ministerie als de algemene administratie van de douane en accijnzen is vereist; artikel 281/2 AWDA bepaalt dat de bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85 maar met uitzondering van artikel 68, van toepassing zijn op de misdrijven strafbaar gesteld bij die wet en de bijzondere wetten inzake douane en accijnzen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Fiches 6 - 10 In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen; die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten, voorwerp van de telastlegging, hun juiste omschrijving te geven; wanneer de feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld; de verplichting om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven, verhindert niet dat het vonnisgerecht een oorspronkelijk als douanemisdrijf gekwalificeerd feit heromschrijft naar een gemeenrechtelijk misdrijf; daarvoor is niet vereist dat het openbaar ministerie dat feit gelijktijdig en gezamenlijk met de algemene administratie van de douane en accijnzen vervolgt; artikel 4 Wet 13 mei 2003, dat slechts bepaalt dat de Koning op basis van de Wet Uitvoer verder uitvoering kan geven aan een door de Europese Unie opgelegde beperkende maatregel, laat niet toe anders te oordelen; de loutere heromschrijving van een douanemisdrijf naar een gemeenrechtelijk misdrijf houdt als dusdanig geen onwettige overschrijding in van de saisine van het vonnisgerecht; wanneer de feiten enkel door de algemene administratie van de douane en accijnzen onder een douanerechtelijke kwalificatie worden vervolgd en het vonnisgerecht oordeelt dat die feiten moeten worden gekwalificeerd naar een gemeenrechtelijk misdrijf met een zwaardere bestraffing, treedt dat vonnisgerecht bij afwezigheid op dat ogenblik van vervolging voor die feiten door het openbaar ministerie, evenmin buiten zijn saisine; in dat geval kan het vonnisgerecht enkel vaststellen dat de aanhangige strafvordering werd ingesteld door een daarvoor niet-bevoegde instantie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het bestrafte feit slechts die hoofd- of bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet; voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt in het geval van wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf en geldboete de hoogte van de maximumgevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximumgevangenisstraf de maximumgeldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimumgevangenisstraf, bij gelijkheid van de maximumgeldboete de minimumgevangenisstraf en bij gelijkheid van de minimumgevangenisstraf de minimumgeldboete; voor die vergelijking volgt uit de loutere omstandigheid dat de zwaarste straf ten aanzien van een rechtspersoon moet worden bepaald, niet dat de voor de misdrijven bepaalde gevangenisstraffen voorafgaandelijk volgens het conversiemechanisme van artikel 41bis Strafwetboek moeten worden omgezet naar geldboeten en dat vervolgens de hoogte van de maximumgeldboete moeten worden vergeleken zonder rekening te houden met de hoogte van de maximumgevangenisstraf; uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen volgt immers dat de wetgever een zo groot mogelijke gelijkstelling beoogde tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, ook op het vlak van de vergelijking van bestraffingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.23.1093.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: 1° “De bevoegdheid van zowel de Douaneadministratie als het Openbaar Ministerie om de strafvordering in te stellen wegens inbreuken op de EU-Verordening 267/2012, op basis van resp. de Wet Uitvoer van 11 september 1962 en de Wet van 13 mei 2003 over beperkende maatregelen genomen door de EU. Kan de rechter bij enkele vervolging door de Douane de feiten herkwalificeren naar het misdrijf van gemeen recht en vervolgens de strafvordering niet-ontvankelijk verklaren?” en 2° “Het bepalen van het zwaarste misdrijf in geval van eendaadse samenloop voor de rechtspersoon als beklaagde (artt. 5, 41bis en 65, eerste lid, Sw.)”.
  1. Probleemstelling en procesverloop.
  2. Verweerders worden vervolgd voor de aangifte van uitvoer van staal naar Iran zonder de vereiste uitvoervergunning, op 5 januari 2017, in strijd met de EU-Verordening 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen van Iran (hoofdstuk II), aangevuld door EU-Verordening 1861/2015 van de Raad van 18 oktober
  3. Aan de orde is art. 15bis EU-Verordening 267/2012, in combinatie met de bijlage VIIter van die norm, die een voorafgaande vergunning vereist voor de uitvoer van staalproducten naar Iran.
  4. Artikel 47, eerste lid, EU-Verordening 267/2012 bepaalt: “De lidstaten stellen de voorschriften vast betreffende sancties op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze voorschriften ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn”.
  5. De vraag rijst welke Belgische strafwet van toepassing is op inbreuken op deze Verordening en welke van die strafwetten een douanemisdrijf uitmaken, waarvoor de Douaneadministratie een vervolging instelt, op basis van art. 281 Algemene Wet Douane en Accijnzen, gecoördineerd door het KB van 18 juli 1977 (AWDA). De strafvordering gericht op een douanemisdrijf wordt uitgeoefend op initiatief van de administratie van douane en accijnzen van de FOD Financiën (hierna Douane genoemd), gedurende de ganse rechtspleging. De vordering tot een hoofdgevangenisstraf wegens een douanemisdrijf komt wel toe aan het openbaar ministerie (art. 281 AWDA), weliswaar als aanhangsel van de vordering ingesteld door de Douane
(1). Het openbaar ministerie kan daarnaast een vervolging instellen wegens een misdrijf van gemeen recht
(2).
  1. De correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, volgde het standpunt van de Douane dat inbreuken op de EU-Verordening 167/2012 strafbaar zijn op grond van artikel 11 Wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie (BS 27 oktober 1962), dat voor de strafmaten verwijst naar de artikelen 231, 249 tot 253 en 263-284 van de Algemene wet douane en accijnzen (AWDA). Gezien de verwijzing naar de AWDA, is de Douaneadministratie bevoegd om bij overtreding van art. 10 Wet Uitvoer de strafvordering in te stellen (art. 281 AWDA). Meer specifiek bepaalt art. 231, § 1 AWDA: “§
  2. De artikelen 220 tot 225, 227, 229, 230, 248, § 1, en 277 zijn toepasselijk bij invoer, uitvoer of doorvoer, zonder aangifte of wel met aangifte maar onder dekking van valse of bedrieglijke bekomen machtigingen, van alle al dan niet belastbare goederen welke, zelfs tijdelijk en om welke reden ook, aan verbodsbepalingen, beperkingen of controlemaatregelen zijn onderworpen bij het binnenkomen, bij het uitgaan of bij de doorvoer, langs alle grenzen of alleen langs een gedeelte ervan”
(3).
  1. Artikel 2 Wet van 11 september 1962 verleent aan de Koning de bevoegdheid om o.a. de uitvoer van goederen en technologie te beperken door een stelsel van vergunningen of heffingen of formaliteiten, onder meer ter uitvoering van beslissingen van supranationale organisaties of ter bescherming van de menselijke samenleving zoals erkend door beschaafde naties. Op basis van de artikelen 3 en 4 Wet van 11 september 1962 kan o.a. de uitvoer van bepaalde goederen of technologieën worden onderworpen aan een voorafgaande machtiging, gesteund op specifieke documenten.
  2. Het KB Uitvoer van 30 december 1993 bevat concrete bepalingen over de voorafgaande machtiging tot uitvoer van goederen of technologieën en de verplichting om een stelsel van voorafgaande machtiging van uitvoer voortvloeiend uit een EU-norm via een bericht in het Belgisch Staatsblad bekend te maken, samen met de uitvoeringsmodaliteiten van de vergunningsplicht
(4). Overtredingen en pogingen tot overtreding van de bepalingen van dit KB worden gestraft overeenkomstig de artikelen 10 en 10bis Wet Uitvoer van 11 september 1962 (art. 9, § 1 KB 30 december 1993). Artikel 10, eerste lid, Wet Uitvoer van 11 september 1962 stelt: “Overtreding en poging tot overtreding van krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen worden gestraft overeenkomstig artikelen 231, 249 tot 253, en 263 tot 284 van de algemene wet inzake douane en accijnzen”.
  1. Ter uitvoering van EU-Verordening 267/2012 werd in het MB van 22 februari 2013 waarbij de uitvoer van goederen met bestemming Iran aan een vergunning onderworpen wordt (BS 6 maart 2013, gewijzigd bij MB van 28 oktober 2016, BS 24 november 2016) een lijst van goederen aangenomen waarvoor een expertvergunning is vereist, in geval van uitvoer naar Iran. De aanhef van het MB verwijst naar de Wet Uitvoer van 11 september 1962, het KB Uitvoer van 30 december 1993 en de EU-Verordening 267/
  2. De vergunningsplicht geldt volgens de bijlage van het MB van 22 februari 2013 voor staalproducten. Over dit gegeven wordt in deze zaak geen betwisting gevoerd.
  3. De correctionele rechtbank heeft bij vonnis van 5 maart 2020 een geldboete van 113.143,47 euro opgelegd aan elke verweerder in cassatie en verweerders solidair veroordeeld tot betaling van 113.143,47 euro als tegenwaarde van de niet-aangehaalde en verbeurdverklaarde goederen, meer bepaald 31.169kg producten van roestvrij staal, bestemd voor de bouw van een fabriek in Iran.
  4. Tweede verweerder voerde in hoger beroep als verweer (st. 7, p. 9-10) dat de Wet Uitvoer van 11 september 1962 ‘economische inbreuken’ beteugelt en de verwijzing in art. 10 naar art. 230 AWDA niet volstaat om aan de Douane een bevoegdheid tot strafvervolging toe te kennen. Het gebrek aan een exportvergunning wordt volgens verweerder slechts ‘op een indirecte wijze bestraft’ door art. 231 AWDA, dat op zijn beurt verwijst naar art. 220 AWDA voor de concrete strafmaten. Eerste verweerster stelde in haar conclusie dat er geen sprake is van een inbreuk op het douanerecht en dat de straftoemeting op basis van art. 231 AWDA in strijd is met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel (st. 9, p.11).
  5. Het hof van beroep te Antwerpen heeft bij tussenarrest van 24 juni 2021, waartegen geen cassatieberoep is ingesteld, de hogere beroepen van de beklaagden en de vervolgende partij ontvankelijk verklaard en geoordeeld dat: “de vervolgende partij ter zake terecht aanvoert dat artikel 10 van de wet van 11 september 1962 uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 263 tot 284 AWDA, waarin de vervolgingen worden geregeld, waaronder artikel 281 AWDA waarin onder meer de vervolging door of in naam van de administratie is voorzien” (st. 16, p.12). De verwijzing in art. 10 Wet Uitvoer van 11 september 1962 naar art. 231 AWDA voldoet volgens het tussenarrest aan het legaliteitsbeginsel (artikelen 12 en 14 Grondwet, 7 EVRM en 14 IVBPR). Over artikel 221 AWDA stelde het hof van beroep een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, die bij arrest 114/2022 van 22 september 2022 werd beantwoord (www.const-court.be).
  6. Verweerders voerden in hun beroepsconclusies aan (st. 29 en 30) dat de ten laste gelegde feiten strafbaar zijn volgens de Wet Uitvoer van 1962 en de Wet van 13 mei 2003, die geen wet van fiscale aard is. Art. 2 Wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten (BS 13 juni 2003), zoals ze van toepassing was in 2017, bepaalt: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging: -van gemeenschappelijke optredens of standpunten aangenomen krachtens de artikelen 12, 14 en 15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en voor gevallen als bedoeld in de artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; -van verordeningen aangenomen krachtens artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of van beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen en voor gevallen als bedoeld in de artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap”
(5).
  1. Volgens artikel 4 Wet van 13 mei 2003 laat deze wet “de bevoegdheden onverlet die de Koning krachtens andere wetten kan uitoefenen, waaronder onder andere de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen, de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, gewijzigd bij de wetten van 25 en 26 maart 2003 alsook de besluitwet van 6 oktober 1944 ter inrichting van de controle op alle mogelijke overdrachten van goederen en waarden tussen België en het buitenland”.
  2. Wat betreft de bestraffing stelt art. 6 Wet van 13 mei 2003: “Onverminderd de toemeting van strengere straffen worden inbreuken op de maatregelen vervat in communautaire verordeningen of in beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen in het kader van de artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een boete van 25 tot 25.000 euro. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en het artikel 85, zijn van toepassing op deze inbreuken”. Aangezien de wet van 13 mei 2003 zwaardere sancties bevat dan de Wet Uitvoer
(6), vormt zij volgens de verweerders in cassatie de grondslag voor vervolging, en moet het hof van beroep de strafvordering ingesteld door de Douaneadministratie niet-ontvankelijk verklaren.
  1. Het bestreden eindarrest van 29 juni 2023 sluit zich aan bij de visie van verweerders in cassatie, op de rechtszitting betwist door de Belgische Staat en het Openbaar Ministerie, en verklaart de strafvordering uitgeoefend door de Douane op basis van de wet van 11 september 1962 niet-ontvankelijk. De aangehaalde redenen zijn dat 1°inbreuken op de Iran-Verordening 267/2012 eveneens strafbaar zijn ingevolge toepassing van de wet van 13 mei 2003; 2°de straffen opgenomen in de wet van 13 mei 2003 zwaarder zijn dan deze vermeld in art. 231 AWDA (waarnaar art. 10 Wet Uitvoer verwijst), en 3°in geval van eendaadse samenloop (art. 65, eerste lid, Strafwetboek) enkel de zwaarste straf kan worden opgelegd. Het tussenarrest van 24 juni 2021 ‘verder uitwerkend’, stelt het hof van beroep vast dat de wet van 13 mei 2003 geen “douanewet” is, omdat nergens het sanctiestelsel van de AWDA van toepassing wordt verklaard.
  2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de memorie.
  3. Uit de tijdig ter griffie ingediende stukken blijkt dat eiser (Belgische Staat) zijn cassatieberoep heeft doen betekenen aan tweede verweerster Antwerp Forwarding&Customs Services op het adres Hazenhof 16 te Melsele (st. 05) en zijn memorie ter kennis bracht aan tweede verweerster op hetzelfde adres, bij aangetekende brief van 24 augustus 2023 (s. 06). In de memorie van eiser is als adres van tweede verweerster vermeld ‘Melsele, Kerkplein 26’ (st. 03). Op dat adres is de memorie eerder ter kennis gebracht, bij aangetekende brief van 17 augustus 2023 (st. 03).
  4. Tweede verweerster voert in haar memorie van antwoord aan dat ten aanzien van haar de cassatievoorziening en de memorie van eiser niet ontvankelijk zijn, omdat een kopie van die memorie is verzonden op het vorige adres Kerkplein 26 te Melsele. De zetel van de onderneming werd op 7 maart 2022 verplaatst naar Hazenhof 16 te Melsele (BS 4 augustus 2022).
  5. Een kennisgeving van de memorie op een vorig adres lijkt mij geen reden te zijn voor 1°de niet-ontvankelijkheid van die memorie, aangezien diezelfde memorie verweerster op het juiste adres heeft bereikt door een tijdige latere kennisgeving en 2°de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, dat door de gerechtsdeurwaarder (alleen) is betekend op het actuele adres, Hazenhof 16 te Melsele, ook al maakt de akte van het cassatieberoep (st. 39) melding van het vorige adres Kerkplein 26 te Melsele, zoals vermeld in het bestreden arrest. Aan het doel van art. 429 Sv. over de kennisgeving van de memorie, namelijk de bescherming van de rechten van de verdediging van de verweerder in cassatie
(7), is in deze zaak voldaan.
  1. Gezag van gewijsde van het tussenarrest.
  2. Eiser voert in een eerste onderdeel aan dat het bestreden eindarrest niet kon terugkomen op hetgeen definitief was beslist in het tussenarrest, namelijk dat eiser bevoegd was om de feiten te vervolgen van aangifte van export van staalproducten naar Iran zonder voorlegging van een uitvoervergunning. Na het tussenarrest had het hof van beroep geen rechtsmacht meer om de vervolgingsbevoegdheid van de Douane in vraag te stellen.
  3. Beoordeling. Artikel 19, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: ‘Het vonnis is een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. De rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, kan terzake niet meer worden geadieerd, behoudens de bij dit Wetboek bepaalde uitzonderingen”. De rechter die uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is, omdat hij hierover in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen een eindbeslissing heeft gewezen, overschrijdt zijn rechtsmacht
(8).
  1. Mij komt voor dat het tussenarrest alleen uitspraak deed over de bevoegdheid van de Douane om vervolgingen in te stellen voor inbreuken op de Iran-Verordening 267/2012 op basis van de Wet uitvoer van 11 september
  2. Het tussenarrest stelt niet dat dat de ten laste gelegde feiten uitsluitend strafbaar zouden zijn op die grondslag of dat de strafvordering ingesteld door de douane ontvankelijk is. Herkwalificatie van de feiten naar een niet-douanemisdrijf is in het tussenarrest als piste niet uitgesloten. Op dit punt verwijst het tussenarrest naar de toepassing van art. 15bis EU-Verordening 267/2012, wat m.i. impliciet inhoudt dat art. 6 wet van 13 mei 2003 in aanmerking komt als grondslag voor over de bestraffing van inbreuken op maatregelen vervat in de Iran-Verordening 267/
  3. Op het standpunt over de vervolging op basis van de Wet Uitvoer, waarvoor de Douane bevoegd is, komt het bestreden arrest niet terug. Het bestreden arrest voegt alleen een nieuw geschilpunt toe, namelijk de vraag of de ten laste gelegde feiten ook onder de noemer vallen van de wet van 13 mei 2003, die niet tot de categorie van douanemisdrijven behoort. Die vraag lijkt mij niet in strijd is met wat in het tussenarrest is beslist.
  4. Het eerste onderdeel over art. 19 Ger. W. steunt aldus op een onjuiste lezing van beide arresten en mist feitelijke grondslag. De overige aangehaalde wetsschendingen (oa. art. 281 AWDA) zijn afgeleid uit die onjuiste lezing en op dat punt behoeft het onderdeel geen antwoord.
  5. Eendaadse samenloop en effect van het zwaarste misdrijf op de strafvordering.
  6. Het tweede onderdeel van eisers (p. 20) komt op tegen het oordeel dat de feiten, uitsluitend vervolgd door de Douane, moeten worden geherkwalificeerd van het douanemisdrijf van art. 10 wet 11 september 1962 naar het misdrijf van gemeen recht van art. 6 wet van 13 mei 2003, met als resultaat dat de zaak niet rechtsgeldig bij het vonnisgerecht aanhangig is gemaakt. Het onderdeel voert een schending aan van volgende bepalingen: art. 15bis EU-Verordening 267/2012, art. 182 Sv., art. 41bis en 65 Sw., artikelen 220, 221, 231, 281 en 282 AWDA, artikelen 2, 3 en 10 Wet Uitvoer van 11 september 1962, artikelen 4 en 6 Wet van 2003 (beperkende maatregelen EU), artikelen 1, § 1 en 9, § 1 KB Uitvoer van 30 december 1993 en art. 2 MB van 22 februari 2013 over de uitvoer van goederen naar Iran. 4.
  7. Dubbele grondslag van vervolging.
  8. De eerste vraag is of het hof van beroep mocht onderzoeken of de ten laste gelegde feiten eveneens strafbaar zijn op basis van vermelde wet van 13 mei 2003, in de versie van toepassing in
  9. Is de vervolging ingesteld door de Douane op basis van het douanemisdrijf van art. 10 wet 11 september 1962 niet voldoende om de zaak te berechten?
  10. Eiser voert aan dat 1° de vervolging uitgeoefend door de Douane correct gesteund was op de wet van 11 september 1962, dat voor de bestraffing verwijst naar art. 231 AWDA en 2° de (bijkomende) vervolging op grond van de wet van 13 mei 2003 niet aan de vonnisgerecht was voorgelegd, zodat de vonnisrechter niet mocht onderzoeken of de feiten strafbaar waren op basis van dit misdrijf van gemeen recht. Volgens eiser heeft het bestreden arrest niet wettig kunnen vaststellen dat er een eendaadse samenloop is ontstaan tussen de misdrijven omschreven in beide wetten, bij gebrek aan een gelijktijdige en gezamenlijke vervolging van beide misdrijven door de Douane en (wat betreft de wet van 13 mei 2003) de procureur des Konings.
  11. Beoordeling. De EU-Verordening 262/2012 over beperkende maatregelen ten opzichte van Iran gaf aanleiding tot een stelsel van vergunningsplicht voor export van o.a. staalproducten, op basis van MB van 22 februari 2013, gesteund op de Wet Uitvoer van 11 september 1962 en het KB Uitvoer van 30 december
  12. Deze piste van strafrechtelijke handhaving op basis van de wet van 11 september 1962 sluit niet uit dat inbreuken op de EU-Verordeningen ook strafbaar zijn op grond van art. 6 wet van 13 mei
  13. Deze laatste bepaling is de ruimste strafbaarstelling, gericht op alle vormen van beperkende maatregelen opgelegd bij EU-verordeningen, en dus niet enkel EU-maatregelen over de invoer, uitvoer of doorvoer van goederen. Voor bestraffing op basis van de wet van 13 mei 2003 zijn er geen uitvoeringsbesluiten nodig.
  14. Het is niet omdat de EU-Verordening 262/2012 voorschriften bevat over de uitvoer van goederen, dat de strafvordering (alleen) moet uitgaan van de Douane, op basis van de Wet Uitvoer van 11 september
  15. De vervolging van een inbreuk op de EU-verordening 262/2012 komt evengoed toe aan de procureur des Konings, op basis van art. 6 wet 13 mei
  16. Beide vervolgende instanties treden autonoom op
(9).
  1. Wanneer de Douane een inbreuk op de EU-Verordening 262/2012 vervolgt op basis van de Wet 11 september 1962, moet zij ermee rekening houden dat er ook zonder (bijkomende) vervolging door de procureur des Konings eendaadse samenloop ontstaat, in de zin van art. 65, eerste lid, Sw. Het feit dat de procureur des Konings geen vervolging instelt op basis van art. 6 wet 13 mei 2003, houdt m.i. geen verplichting in voor de vonnisrechter om de feiten alleen te beoordelen in functie van de wet van 11 september 1962 en de vraag tot herkwalificatie van de feiten naar de strafbaarstelling van art. 6 wet 13 mei 2003 af te wijzen. Toepassing van deze laatste strafbaarstelling, in een zaak aangebracht door de Douane, vereist aldus geen bijkomende vervolging ingesteld door de procureur des Konings, voor dezelfde feiten. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 4.
  2. Plicht tot herkwalificatie in functie van het zwaarste misdrijf en de gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid van de strafvordering.
  3. De tweede vraag is of het hof van beroep verplicht was om de strafbaarstelling van art. 6 wet 13 mei 2003 toe te passen op de feiten aangebracht door de Douane en daardoor haar rechtsmacht niet heeft overschreden. Vereist de herkwalificatie van de feiten niet eerst dat er voor de inbreuk op art. 6 wet van 13 mei 2003 een bijkomende vervolging is gesteld? Bestaat er een uitzondering op art. 65, eerste lid, Sw. over de eendaadse samenloop, wanneer de vervolgende instantie geldig de feiten heeft aanhangig gemaakt onder een misdrijf waarop minder zware straffen staan, en die instantie niet bevoegd is om voor het zwaarste misdrijf de vervolging in te stellen?
  4. Eiser voert aan dat toepassing van art. 65, eerste lid Sw. wat betreft de eendaadse samenloop niet tot gevolg kan hebben dat enkel de strafvordering ingesteld voor de kwalificatie met de zwaarste bestraffing, ontvankelijk is. Reden is dat “de straffen gesteld op het vervolgde feit naargelang zijn kwalificatie niet de ontvankelijkheid van de ingestelde strafvordering bepalen”. Indien de strafvordering is ingesteld door de Douane, mag de strafrechter het feit alleen onder zijn douanerechtelijke kwalificatie beoordelen. Hij kan door toepassing van art. 65, eerste lid, Sw. niet beslissen tot onontvankelijkheid van de strafvordering, ‘louter omdat er op het gemeenrechtelijk misdrijf, dat niet (bijkomend) wordt vervolgd door de procureur des Konings, een zwaardere straf is gesteld’.
  5. Beoordeling. Het is vaststaande rechtspraak dat de vonnisrechter niet gebonden is door de kwalificatie van de feiten in de inleidende akte (rechtstreekse dagvaarding of verwijzingsbeschikking), aangezien deze akte alleen de feiten aanhangig maakt, zoals die blijken uit de stukken van het dossier en de inleidende akte
(10). De kwalificatie in de inleidende akte is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht aan de feiten de juiste strafrechtelijke omschrijving te geven
(11). Het vonnisgerecht bepaalt aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking onaantastbaar welke feiten het voorwerp uitmaken van die akte, waarbij het Hof enkel nagaat of de rechter aan die akte en de stukken waarnaar de akte verwijst geen uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan of uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(12). 32. Indien het vonnisgerecht (in eerste of in tweede aanleg) vaststelt dat het feit niet aanhangig is gemaakt onder de zwaarste strafbaarstelling, moet hij overgaan tot aanpassing van de telastlegging zoals omschreven in de inleidende akte
(13). Deze aanpassing moet steeds gaan in de richting van het misdrijf waarop de zwaarste misdrijf staat. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt immers dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert, de rechter alleen de zwaarste straf uitspreekt. Deze wetsbepaling over ‘eendaadse samenloop’
(14)is volgens art. 100 Sw. ook van toepassing op misdrijven buiten Boek II van het Strafwetboek. Verder bepaalt art. 281/2 AWDA dat art. 65 Strafwetboek van toepassing is op misdrijven strafbaar gesteld in de Algemene Wet Douane en Accijnzen en de bijzondere wetten inzake Douane en Accijnzen. Voor de berechting van een overtreding van een EU-Verordening op basis van de wet van 13 mei 2003 geldt eveneens art. 65, eerste lid, Sw. (art. 6). 33. Dr. Raf VERSTRAETEN stelt dat bij toepassing van meerdere strafbaarstellingen op één feit “de misdrijven vanuit procedureel standpunt onsplitsbaar zijn, vermits zij voortspruiten uit eenzelfde materiële gedraging die wordt vervolgd”
(15). Het gevolg van die onsplitsbaarheid is dat de rechter het zwaarste misdrijf neemt als grondslag voor de vervolging. De vonnisrechter die de strafbaarstelling aangehaald in de inleidende akte door een andere vervangt, om het feit onder de zwaarste kwalificatie onder te brengen, mag over de oorspronkelijke strafbaarstelling geen uitspraak meer doen
(16). De strafvordering is dan geënt op de nieuwe strafbaarstelling, wat repercussies kan hebben op de toelaatbaarheid van de strafvordering, als twee verschillende instanties het feit kunnen aanhangig maken bij het vonnisgerecht. 34. Aan de herkwalificatie van de feiten in functie van de zwaarste misdrijfomschrijving, gevolgd door een uitspraak ten gronde, gelden drie beginselen. Vooreerst mag de rechter de zaak na herkwalificatie pas behandelen als hij bevoegd is om over de heromschreven feiten te oordelen
(17). Het vonnisgerecht moet evenwel de juiste kwalificatie geven aan de feiten vermeld in de inleidende akte, ook al leidt dit tot de vaststelling van onbevoegdheid
(18). Ten tweede dient het vonnisgerecht de partijen in kennis stellen van een voorgenomen aanpassing van de kwalificatie, om het recht op tegenspraak te waarborgen, gelet op de artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM
(19). Het aspect van de wet van 13 mei 2003 als zwaarste strafbaarstelling toepasselijk op de feiten was in het debat ingevolge de beroepsconclusies van verweerders. Daarover voert eiser in cassatie geen middel aan. 35. Ten derde mag de rechter zijn rechtsmacht of grondslag voor beoordeling (saisine) niet zelf uitbreiden met nieuwe feiten. De rechter mag zich immers niet inlaten met de vervolging van strafbare feiten, wat toekomt aan de vervolgende partij (openbaar ministerie, douaneadministratie of de burgerlijke partij die rechtstreeks dagvaardt). De nieuwe strafbaarstelling (kwalificatie), in functie van het misdrijf met de zwaarste bestraffing, moet nog steeds hetzelfde materiële feit of dezelfde feitelijke gedraging of gebeurtenis tot voorwerp hebben, voorwerp van de vervolging
(20). Of aan twee misdrijfomschrijvingen eenzelfde feit ten grondslag ligt, wordt onaantastbaar in feite beoordeeld door de rechter. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(21). 36. In dit luik van (verplichte) herkwalificatie op basis van hetzelfde feit of gedraging past het ‘verbod van ontdubbeling’ van de strafbaarstellingen. Wanneer de inleidende akte slechts één strafbaarstelling bevat voor het feit, hoewel er meerdere kwalificaties van toepassing zijn, mag de rechter bij aanpassing van de telastlegging de beklaagde niet schuldig achten aan meerdere misdrijven, zelfs als hij maar één straf oplegt
(22). Die bijkomende veroordelingen zijn wel toegelaten, als de vervolgende partij daarvoor de strafvordering tijdig op gang bracht, via een aanvullende dagvaarding, of in geval van vrijwillige verschijning van de beklaagde
(23). Het Hof oordeelde op 8 november 2022: “Wanneer die feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld. De omstandigheid dat een bewezenverklaarde telastlegging door het vonnisgerecht wordt geherkwalificeerd, heeft in dat geval dan ook niet tot gevolg dat het geherkwalificeerde misdrijf onverenigbaar is met de constitutieve bestanddelen van de oorspronkelijke kwalificatie”
(24). 37. Uit al deze beginselen vloeit voort dat als er meerdere strafbaarstellingen toepasselijk zijn op hetzelfde feit (eendaadse samenloop), en de vervolging alleen steunt op de strafbaarstelling waarop de lichtste straffen staan, de strafrechter verplicht is het feit te herkwalificeren naar de strafbaarstelling met een zwaardere bestraffing. Daarbij dient de vonnisrechter naar mijn mening geen rekening te houden met de aard van de strafbaarstelling, zoals een douanemisdrijf of een misdrijf van gemeen recht. Deze plicht tot aanpassing van de telastlegging, zonder dat de rechter kennis neemt van een nieuw feit, houdt m.i. geen miskenning in van de rechtsmacht van de rechter
(25). Een veroordeling op basis van beide strafbaarstellingen is in deze situatie niet mogelijk. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  1. Een bijkomende vraag is of bij het switchen van de ene naar de andere strafbaarstelling de rechter rekening moet houden met de bevoegdheid van de vervolgende instantie die de zaak aanhangig heeft gemaakt. De kern van deze zaak van uitvoervergunningen, waar twee aparte instanties de strafvordering uitoefenen, is de vraag of de bevoegdheid van de vervolgende instantie aan bod komt voor of na de herkwalificatie van de feiten, in de rechtstreekse dagvaarding opgevat als een douanemisdrijf. In de opvatting van eisers is die bevoegdheid een voorvraag en zelfs een beletsel voor herkwalificatie van die feiten. De rechter mag een misdrijf van gemeen recht waarop zwaardere straffen staan niet in aanmerking nemen als toepasselijke strafbaarstelling, tenzij er tijdig een bijkomende vervolging is ingesteld door de procureur des Konings, of de beklaagde vrijwillig verschijnt. Hij dient bij vervolging die alleen uitgaat van de Douane enkel binnen de categorie van de douanemisdrijven uit te maken welke strafbaarstelling overeenkomstig art. 65, eerste lid, Strafwetboek, van toepassing is. Op die manier leidt de strafvordering die ingesteld door de Douane voor een douanemisdrijf tot een uitspraak ten gronde, tenzij er andere obstakels opduiken voor de strafvordering (zoals een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, art. 27 V.T. Sv.).
  2. Sommige auteurs treden de visie van eiser bij. Over het verbod van een tweede vervolging onder een andere kwalificatie (ne bis in idem, art. 14.7 IVBPR) stelt Prof. Raoul DECLERCQ dat een vrijspraak of veroordeling het feit dekt onder al zijn mogelijke kwalificaties, op voorwaarde dat de rechter “de andere kwalificaties binnen zijn bereik heeft”, en vervolgens: “Als iemand door de procureur des Konings vervolgd wordt voor een gemeenrechtelijk misdrijf, kan de rechter niet rekwalificeren naar een fiscaal misdrijf toe, dat uitsluitend door de minister van Financiën kan worden vervolgd. Een tweede vervolging voor dat fiscaal misdrijf is mogelijk”
(26). 40. Prof. Raf VERSTRAETEN stelt in dezelfde zin, weliswaar in voorwaardelijke wijs: “Een herkwalificatie wordt niet mogelijk geacht wanneer blijkt dat volgens de andere kwalificatie een andere vorm van aanhangigmaking noodzakelijk was. Een rekwalificatie veronderstelt in die optiek dat de rechter de andere kwalificatie binnen zijn bereik heeft. Zo zou, als iemand door de procureur des Konings vervolgd wordt voor een gemeenrechtelijk misdrijf, de rechter niet kunnen herkwalificeren naar een fiscaalrechtelijk misdrijf dat uitsluitend door de minister van Financiën wordt vervolgd. De redenering is dat wanneer de vervolgende partij slechts bevoegd is om een bepaald feit op grond van inbreuk op een bepaalde wet aan de rechter te onderwerpen, slechts die inbreuk bij de rechter aanhangig is en deze geen rechtsmacht heeft om eventueel vast te stellen en te beslissen dat het feit ook onder de toepassing valt van een andere wetsbepaling”
(27).
  1. Het zwakke punt in deze redenering lijkt mij te zijn dat de voorwaarde van “de andere kwalificatie binnen het bereik van de rechtsmacht” niet berust op een concrete wettelijke basis en niet als uitzondering is opgenomen in artikel 65, eerste lid, Sw. over de selectie van alleen het zwaarste misdrijf bij eendaadse samenloop. De keuze voor het zwaarste misdrijf in geval van eendaadse samenloop is in art. 65, eerste lid, Strafwetboek opgevat als een verplichting. Het lijkt mij in de huidige stand van de wetgeving niet verboden dat de rechter die gelast is met een douanemisdrijf dezelfde feiten kwalificeert onder een misdrijf van gemeen recht met zwaardere straffen, ook al gaat de vervolging alleen uit van de Douane.
  2. Een tweede punt van kritiek is dat het criterium van de “kwalificatie binnen het bereik van de rechtsmacht” de beoordelingsvrijheid van de rechter aantast, uitholt. Het is niet aan de vervolgende partij (Douane of Openbaar Ministerie) om te bepalen binnen welke grenzen de rechter moet oordelen, welke strafbaarstelling de rechter aan de voorgelegde feiten moet verbinden. Als dit beginsel vooropstaat, maakt het voor de keuze van de zwaarste strafbaarstelling bij eendaadse samenloop niet uit tot welke categorie die strafbaarstelling behoort, namelijk douanemisdrijven of misdrijven van gemeen recht. Aangezien de strafbaarstelling (kwalificatie) toegelicht in de inleidende akte slechts voorlopig is, moet de vonnisrechter zonder enige beperking de feiten onder het misdrijf met de zwaarste bestraffing kunnen brengen, ongeacht welke vervolgende instantie de zaak aanbracht. De regels over de strafwet en het instellen van de strafvordering door de juiste instantie zijn immers van openbare orde.
  3. Mijn voorkeur gaat uit naar de visie (van verweerders in cassatie) dat bij eendaadse samenloop de bevoegdheid van de vervolgende instantie pas aan de orde is na het bepalen van de juiste strafbaarstelling bij eendaadse samenloop. De vonnisrechter moet aldus geen rekening houden met de procesrechtelijke implicaties die verbonden zijn aan de selectie van de zwaarste strafbaarstelling. Is er reden om een feit dat als een douanemisdrijf is omschreven in de rechtstreekse dagvaarding op te vatten als een misdrijf van gemeen recht, waarop een zwaardere straf staat, en is de strafvordering alleen ingesteld door de Douane, dan moet de vonnisrechter m.i. de strafvordering niet-ontvankelijk verklaren. Deze beslissing vormt weliswaar geen beletsel voor een tweede strafvervolging wegens dezelfde feiten, ditmaal uitgeoefend door het openbaar ministerie. Omgekeerd beslist de rechter dat de strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie op basis van de wet van 13 mei 2003 onontvankelijk is, als de inbreuk op een EU-Verordening ook een douanemisdrijf oplevert en op dat misdrijf zwaardere straffen zijn gesteld. In dat laatste geval staat alleen de Douaneadministratie in voor de vervolging.
  4. Er is op dit punt enige gelijkenis met de rechtstreekse dagvaarding uitgebracht door de burgerlijke partij, die enkel toelaatbaar is voor overtredingen en wanbedrijven (art. 145 en 182 Sv.). De correctionele rechtbank die vaststelt dat de burgerlijke partij via dagvaarding feiten aanbrengt die een misdaad opleveren, kan de zaak niet behandelen, zelfs al komt die misdaad in aanmerking voor correctionalisering
(28). De vervolging moet dan uitgaan van de procureur des Konings. Het tweede onderdeel dat uitgaat van een andere opvatting, faalt m.i. naar recht.
  1. Een laatste punt is de draagwijdte van artikel 4 wet van 13 mei 2003, aangehaald in het tweede onderdeel, op grond waarvan deze wet de bevoegdheden van de Koning gesteund op de wet van 11 september 1962 ‘onverlet laat’. Het gaat hierbij om de bevoegdheid van de Koning om op basis van art. 10 wet van 11 september 1962 beperkende maatregelen op te leggen, zoals een vergunningsplicht voor uitvoer, gesteund op een EU-verordening. De termen ‘onverlet laat’ betekent m.i. niet dat als er over de in-of uitvoer van bepaalde goederen beperkende maatregelen zijn uitgewerkt bij KB, de vervolging wegens miskenning van die maatregelen uitsluitend toekomt aan de Douane. Art. 15bis EU-Verordening 267/2012, samen gelezen met bijlage VIIter, bepaalt dat een vergunning is vereist voor de uitvoer van staalproducten naar Iran. Deze EU-norm heeft rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde (art. 288 Verdrag Werking Europese Unie). De wetgever koos ervoor om de inbreuk op maatregelen van elke communautaire verordening strafbaar te stellen op grond van art. 6 wet 13 mei 2003, waarin geen verwijzing naar het AWDA is opgenomen, onverminderd de toemeting van strengere straffen. Hierdoor komt de vervolging van een inbreuk op een EU-verordening over beperkende maatregelen ook toe aan de procureur des Konings, ongeacht de aard van de beperkende maatregel (zoals inreisbeperkingen, bevriezing van gelden op bankrekeningen, uitvoervergunningen…).
  2. Art. 4 wet van 13 mei 2003 lijkt mij dan ook niet te verhinderen dat als de Douane een overtreding van art. 15bis EU-Verordening 267/2012 vervolgt op basis van art. 10 wet 11 september 1962, en de procureur des Konings geen bijkomende vervolging instelt, de strafrechter hetzelfde feit omschrijft als een inbreuk strafbaar door art. 6 wet 13 mei 2003, om dat daarop de zwaarste straf staat, en vervolgens de strafvordering ingesteld door de Douane onontvankelijk verklaart. In zoverre faalt het onderdeel m.i. naar recht.
  3. Het bestreden arrest oordeelt over de herkwalificatie van de feiten en de gevolgen ervan voor de uitoefening van de strafvordering dat (blz. 8-9): -Art. 6 wet van 13 mei 2003 voorziet dat voor inbreuken op maatregelen vervat in EU-verordeningen de erin vermelde bestraffing van toepassing is ‘onverminderd de toemeting van strengere straffen’. Dit bevestigt dat de wetgever er zelf van uitging dat deze strafbaarstelling van toepassing is “ook indien tegelijk andere bepalingen van toepassing zijn die een al dan niet strengere bestraffing voorzien’; -Het niet-voorleggen van uitvoervergunningen houdt een inbreuk in op Verordening 267/2012, strafbaar gesteld door art. 6 wet van 13 mei 2003; -De vaststelling dat in de aanhef van het MB van 22 februari 2013 uitdrukkelijk wordt verwezen zowel naar de wet van 11 september 1962 als naar de Verordening 267-2012, zonder dat ook naar de wet van 13 mei 2003 wordt verwezen, brengt niet met zich mee dat een inbreuk op de Verordening 267/2012 niet meer zou kunnen worden bestraft bij toepassing van art. 6 wet van 13 mei 2003; -Tweede verweerder voert terecht aan dat enkel de zwaarste straf kan worden opgelegd in geval van eendaadse samenloop; in voorliggend geval is dat de straf bepaald door art. 6 wet van 13 mei 2003; -De wet van 13 mei 2003 is evenwel geen wet van fiscale aard en nergens wordt het sanctiestelsel van de AWDA op deze wet van toepassing verklaard; bedoelde wet kan dus niet als een ‘douanewet’ worden aanzien.
  4. Op basis van deze redenen konden de appelrechters naar mijn mening wettig oordelen dat de Belgische Staat/Administratie der Douane en Accijnzen niet bevoegd is om inbreuken op de wet van 13 mei 2003 te vervolgen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  5. Bepaling van de zwaarste straf bij eendaadse samenloop voor de rechtspersoon.
  6. Het derde onderdeel komt op tegen het oordeel dat de inbreuken op de Veroordeling 267/2012 strafbaar zijn volgens artikel 10 Wet Uitvoer van 11 september 1962, dit is het douanemisdrijf, en tegelijk artikel 6 Wet 13 mei 2003, waarbij deze laatste bepaling (van gemeen recht) de zwaarste straf bepaalt, gelet op de hogere maximumgevangenisstraf. Volgens eiser moet voor rechtspersonen de zwaarste straf worden bepaald in functie van de maximumgeldboete, na berekening volgens het conversiemechanisme van art. 41bis Sw., omdat voor rechtspersonen de geldboete de enige hoofdstraf is. Toepassing van deze bepaling leidt ertoe dat de maximum geldboete op basis van art. 6 wet 13 mei 2003 120.000 euro bedraagt (2.000 x 60 maanden) en de maximum geldboete op grond van de Wet Uitvoer in combinatie met art. 231, § 1 AWDA hoger is, namelijk 226.286,94 euro (dit is het dubbele van de waarde van de goederen vastgesteld op 113.143,47 euro). Hieruit volgt dat voor toepassing van art. 65, eerste lid, Strafwetboek over eendaadse samenloop het hof van beroep de oorspronkelijke kwalificatie (art. 10 Wet Uitvoer) had moeten behouden, als zwaarste misdrijfomschrijving, en de strafvordering ingesteld door de Douane ontvankelijk had moeten verklaren.
  7. Beoordeling. Ook in zaken van douanestrafrecht en toepassing van de wet van 13 mei 2003 geldt artikel 65, eerste lid, Strafwetboek over eendaadse samenloop (artikelen 100 Sw., art. 281/2 AWDA en art. 6 wet 13 mei 2003). Wanneer eenzelfde feit verscheidende misdrijven oplevert, spreekt de rechter alleen de zwaarste straf uit. Daarover nam het Hof aan: “Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de maximum gevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf, bij gelijkheid van de maximum geldboete de minimum gevangenisstraf en bij gelijkheid van de minimum gevangenisstraf de minimum geldboete”
(29).
  1. Aan de rechtspersonen kan alleen een geldboete als hoofdstraf worden opgelegd (art. 7bis Sw.). Indien het gaat om een misdrijf waarop een gevangenisstraf en een geldboete staat, geldt het conversiemechanisme van artikel 41bis, § 1, tweede streepje, Strafwetboek, voor de vaststelling van de geldboete, met als toepasselijke geldboete, de “geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld”.
  2. De visie van eiser over de maximumgeldboete als basis voor de zwaarste straf voor rechtspersonen gaat naar mijn mening in tegen de bedoeling van artikel 5 Strafwetboek. Het Hof nam daarover aan, op 30 januari 2018, dat de wetgever bij de invoeren van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen (wet van 4 mei 1999) een zo groot mogelijke gelijkstelling beoogde tussen een natuurlijke en een rechtspersoon, ook op het vlak van de bestraffing, maar dat die gelijkstelling nooit volkomen kan zijn, wegens de eigen aard van de rechtspersoon
(30). Het Grondwettelijk Hof oordeelde eveneens dat de wetgever met art. 5 Strafwetboek “een zo groot mogelijk parallellisme nastreefde tussen de straffen voor natuurlijke personen en die voor rechtspersonen, rekening houdend met de onmogelijkheid om aan die laatsten een vrijheidsstraf op te leggen”
(31).
  1. Mij komt voor dat als een rechtspersoon wordt vervolgd voor een feit waarop meerdere strafbepalingen van toepassing zijn, waarop telkens een gevangenisstraf en een geldboete staat, er voor bepaling van het misdrijf met de zwaarste straf moet worden gelet op de maximumgevangenisstraffen, en pas bij gelijkheid de maximumgeldboete, zoals dit geldt voor natuurlijke personen. Die gevangenisstraffen als ijkpunt moeten dus niet worden geneutraliseerd door het omzettingsmechanisme toe te passen van artikel 41bis Strafwetboek op de maximumgeldboete bepaald in de wet. In zoverre faalt het onderdeel m.i. naar recht.
  2. Het bestreden arrest geeft m.i. correct aan dat artikel 6 Wet van 13 mei 2003 de zwaarste strafbepaling is, omdat de maximumgevangenisstraf vijf jaar bedraagt, terwijl de samenhang van de artikelen 10 Wet Uitvoer en 220, § 1 en 231 Douanewet (AWDA) slechts aanleiding kunnen geven tot een gevangenisstraf van hoogstens één jaar. Het zwaardere douanemisdrijf van artikel 220, § 2 AWDA, dat een bijzonder opzet vergt en betrekking heeft op ernstige feiten (ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, of ernstige aantasting van de financiële belangen van de Europese Unie, of inbreuken in staat van herhaling), is volgens het arrest niet van toepassing. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Conclusie: Er zijn m.i. geen ambtshalve middelen in cassatie aan te voeren. Verwerping. ______________________________________
(1)Over de uitoefening van de strafvordering in douanezaken door de Douane, als enige vervolgende instantie, zie Cass. 11 februari 1997, AR P.96.1031.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970211.3, AC 1997, nr. 77; Cass. 18 oktober 1988, AR 2527, AC 1988-89, nr. 98; GwH 24 november 2004, arrest 192/2004, RW 2005-06, 456 noot E. VAN DOOREN; J. MATTHIJS, Openbaar Ministerie, APR, 1983, nr. 196; J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia 1985, 94-95; E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane- en accijnsrecht”, in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Intersentia 2011, 466-482; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 48; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 815.
(2)Over de samenlopende vorderingen van het OM en de Douane, zie E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane- en accijnsrecht”, in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Intersentia 2011, 471-473.
(3)Over de toepasselijke strafbepalingen voor de niet-aangifte van een verplichte uitvoervergunning, zie Conclusie van advocaat-generaal A. WINANTS in de zaak Cass. 25 april 2023, AR P.22.1396.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5, AC 2023, nr. 301 (in deze zaak was de inbreuk aan de orde op de vergunningsplicht voor export van goederen naar Syrië, op basis van EU-Verordening 509/2012.
(4)Over de vereiste van het Bericht in het Belgisch Staatsblad zie Cass. 10 november 2020, AR P.20.0759.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.6, AC 2020, nr. 691.
(5)De zinsnede “artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap” is door art. 232 wet 2 mei 2019 (BS 21 mei 2019) vervangen door “artikelen 75, 215 en 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie”. Voor een toepassing van de Wet van 13 mei 2003 in een zaak van uitvoer zonder de vereiste vergunning, zie Cass. 25 april 2023, AR P.22.1396.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5, AC 2023, nr. 301, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(6)Over dit punt zie verder de bespreking van het derde middel van eiser.
(7)F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 198.
(8)Cass. 19 februari 2020, AR P.19.0159.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.3, AC 2020, nr. 141; Cass. 26 oktober 2015, AR C.15.0028.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151026.1, AC 2015, nr. 626; Cass. 18 november 1997, AR P.96.0477.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.2, AC 1997, nr. 484.
(9)E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane- en accijnsrecht”, in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Intersentia 2011, 466-482; D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 179.
(10)Cass. 25 april 2023, AR P.22.1396.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5, AC 2023, nr. 301, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 31 maart 2021, AR P.21.0221.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7, AC 2021, nr. 238, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340; Cass. 5 september 2006, AR P.06.0649.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060905.6, AC 2006, nr. 389; Cass. 23 september 1987, AR 6005, AC 1987, nr. 51.
(11)Cass. 13 februari 2024, AR P.23.1754.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.5, AC 2024, nr. 123; Cass. 25 april 2023, AR P.22.1396.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5, AC 2023, nr. 301, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 31 maart 2021, AR P.21.0221.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7, AC 2021, nr. 238, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215, NC 2021, 348, RW 2021-22, 1635; Cass. 1 april 2014, AR P.12.2036.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.2, AC 2014, nr. 253; Cass. 5 september 2006, AR P.06.0649.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060905.6, AC 2006, nr. 389; Cass. 13 september 2005, AR P.05.0657.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.41, AC 2005, nr. 430; Cass. 23 oktober 2002, AR P.02.0958.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.9, AC 2002, nr. 561; A. SMETRYNS, De motiveringsverplichting van de strafrechter, Larcier 2005, 17-21; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1454-1458; F. KUTY, “La qualification des faits en matière correctionnelle et de police”, RDPC 2024, 94-165.
(12)Cass. 25 april 2023, AR P.22.1396.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5, AC 2023, nr. 301, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2, AC 2022, nr. 708, met concl. OM, RW 2023, 1143.
(13)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 830; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1734.
(14)Met eendaadse samenloop (concours idéal) wordt in de rechtsleer de situatie bedoeld van eenzelfde feit of gedraging dat verschillende misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven wegens eenheid van opzet één voortgezet misdrijf uitmaken, zie T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure, 2022, 368-372; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022 529.
(15)In die zin zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 830.
(16)Cass. 13 maart 1984, AR 8380, AC 1984, nr. 402; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 926.
(17)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 831; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1321.
(18)Cass. 25 juni 2008, AR P.07.1364.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.2, AC 2008, nr. 395; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 924.
(19)Cass. 13 februari 2024, P.23.1754.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.5, AC 2024, nr. 123; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1411.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14, AC 2023, nr. 587; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1, AC 2022, nr. 416; Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15, NC 2020, 463; Cass. 13 september 2005, AR P.05.0657.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.41, AC 2005, nr. 430; EHRM 25 maart 1999, Pelissier en Sassi t/Frankrijk, www.echr.coe.int; P. MORLET, “Changement de qualification. Droits et devoirs du juge”, RDPC 1990, 561-590; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 689 en 926; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1455-1456.
(20)Cass. 13 februari 2024, AR P.23.1754.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.5, AC 2024, nr. 123; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2, AC 2022, nr. 708, met concl. OM, RW 2023, 1143; Cass. 31 maart 2021, AR P.21.0221.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7, AC 2021, nr. 238, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 17 maart 2020, AR P.19.1219.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1, AC 2020, nr. 196, NC 2020, 473; Cass. 5 september 2006, AR P.06.0649.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060905.6, AC 2006, nr. 389.
(21)Cass. 27 april 2021, AR P.21.0234.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.10, AC 2021, nr. 304.
(22)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 835.
(23)Cass. 1 april 2014, AR P.12.2036.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.2, AC 2014, nr. 253; Cass. 26 juni 1990, AR 3535, AC 1990, nr. 627 noot R.D.; Cass. 15 januari 1987, AR 7624, AC 1986-87, nr. 285, RW 1986-87, 2300; P. ARNOU, “Vrijwillige verschijning door de verdachte”, in Comm. Straf. 1993, 7; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 926; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1449-
  1. Vrijwillige verschijning is wel uitgesloten voor misdaden, zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012,
  2. Een bijkomende saisine door ontdubbelling van de telastlegging is uitgesloten in tweede aanleg (Cass. 1 april 2014, AR P.12.2036.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.2, AC 2014, nr. 253; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, o.c., 1453).
(24)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2, AC 2022, nr. 708, met concl. OM, RW 2023, 1143.
(25)Zie in dezelfde zin, wat betreft de toevoeging van een verzwarende omstandigheid , M.A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1734.
(26)R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, in Strafrecht voor rechtspractici- IV, Acco, 1991, 184, met verwijzing naar Cass. 4 november 1946, Pas. 1946, I, 399; Cass. 18 januari 1972, Pas. 1972, I, 482 en Cass. 26 februari 1985, AR 7912, AC 1984-85, nr. 381: “Wanneer tegen een beklaagde vervolgingen worden ingesteld wegens misdrijven inzake douane en accijnzen, nadat hij bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing werd veroordeeld wegens misdrijven van gemeen recht, en de rechter oordeelt dat de misdrijven van gemeen recht en de misdrijven inzake douane en accijnzen de uitvoering zijn van dezelfde misdadige opzet, staat de veroordeling wegens de misdrijven van gemeen recht aan de veroordeling tot fiscale geldboeten wegens de misdrijven inzake douane en accijnzen niet in de weg”.
(27)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 833.
(28)GwH 13 maart 2002, nr. 51/2002, T. Strafr. 2003, 197; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 191 en 1031; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 334 en 1440; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 922.
(29)Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0321.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.18, AC 2022, nr. 468, T. Strafr. 2022, 294, NC 2023, 352; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0631.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1, AC 2020, nr. 58; Cass. 29 september 1993, AR P.93.0293.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930929.6, AC 1993, nr. 383, RW 1993-94, 1301 met noot B. SPRIET, “Vergelijking van de zwaarte van straffen”; E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane- en accijnsrecht”, in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Intersentia 2011, 473-474.
(30)Cass. 30 januari 2018, AR P.17.0102.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.3, AC 2018, nr. 64; Zie ook P. WAETERINCKX, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen”, in Strafrecht in de onderneming, Intersentia 2004, p. 31: “De filosofie (over art. 5 Sw., BDS) bestaat erin om op een zo ruim mogelijke manier, de rechtspersonen te assimileren met de natuurlijke persoon”.
(31)GwH 18 januari 2018, arrest 5/2018, B.4.1; GwH 23 juni 2022, arrest 84/2022, B.3, www.const-court.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930929.6 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970211.3 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.2 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.41 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060905.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151026.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.