id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.2 Rolnummer: C.23.0184.N Zaak: D. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Constitutioneel recht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-10-25 Raadplegingen: 415 - laatst gezien 2026-06-19 00:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.2 Fiche 1 Uit de artikelen XX.194, eerste en tweede lid, XX.161, eerste lid, 104, tweede en derde lid, 107, § 1, eerste lid WER volgt dat de eigenaar van een goed dat in het bezit is van de gefailleerde, onder voorbehoud van situaties van overmacht, beschikt over een termijn variërend van vijfendertig tot zestig dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, welk vonnis binnen vijf dagen na zijn dagtekening in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd en volgt tevens dat de eigenaar via de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel van het vonnis van faillietverklaring kennis heeft van de datum van neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen en dus van het uiterlijke ogenblik waarop hij zijn recht van terugvordering kan uitoefenen, maar dat hij niet in het bijzonder erover wordt geïnformeerd dat zijn recht op terugvordering uiterlijk op dat ogenblik moet worden uitgeoefend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. 104, tweede en derde lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. 107, § 1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.161, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, eerste en tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 2 - 5 Nu wordt aangevoerd dat de vervaltermijn om het recht tot terugvordering uit te oefenen zoals bepaald in artikel XX.194, tweede lid, WER, bijzonder kort is vooral ten aanzien van een in het buitenland gevestigde schuldeiser, bestaat er grond om aan het Grondwettelijk hof de prejudiciële vraag te stellen of artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, schendt in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 16 Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.23.0184.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiser komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 5 januari
- Door de eiser wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de schuldenaar op het ogenblik van het faillissement (artikel XX.194 WER) en in het bijzonder de vraag of de regel dat het recht van terugvordering vervallen is wanneer dit recht wordt uitgeoefend na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen (artikel XX.194, tweede lid WER) al dan niet klaarblijkelijk in overeenstemming is met artikel 16 Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM. II. Eerste middel. II.
- Eerste onderdeel. In dit onderdeel voert de eiser aan dat de appelrechter de artikelen XX.161, eerste lid WER, de artikelen 3.50 en 3.51 Burgerlijk Wetboek, artikel 544 Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM heeft geschonden door te oordelen dat hij geen aanspraken meer zou kunnen maken op zijn goederen na het verstrijken van de strikte en korte termijn voorzien in artikel XX.194 WER doordat deze bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan zijn eigendomsrecht. II.
- Principes. II.2.
- De relevante wettelijke bepalingen. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bepaalt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren”. Artikel 16 Grondwet bepaalt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling”. Volgens artikel 544 Oud Burgerlijk Wetboek is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen. Volgens artikel 3.50 Burgerlijk Wetboek verleent het eigendomsrecht aan de eigenaar rechtstreeks het recht om het voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te beschikken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, behoudens de beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden worden opgelegd. Volgens artikel 3.51 Burgerlijk Wetboek kan de eigenaar onder voorbehoud van andere bepalingen in dit Boek het voorwerp terugvorderen uit handen van degene die het onder zich heeft en zich verzetten tegen elke inbreuk of aanspraak van een derde. Artikel XX.194, eerste lid, WER bepaalt dat het faillissement geen afbreuk doet aan het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de schuldenaar. Artikel XX.194, tweede lid, WER bepaalt dat op straffe van verval de rechtsvordering tot terugvordering moet worden ingesteld voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Er is dus een strikte termijn voor de terugvordering voor de eigenaar van de goederen die het bezit zijn van de gefailleerde. Respecteert hij deze termijn niet dan is zijn recht op terugvordering vervallen volgens artikel XX.194, tweede lid WER, behalve ingeval van overmacht. In casu werd er door de appelrechters geen overmacht in hoofde van de eiser weerhouden (p. 11-14 van het bestreden arrest) en de voorziening is daar ook niet tegen gericht. II.2.
- Artikel XX.194, tweede lid WER en de interpretatie ervan. Voor de interpretatie van artikel XX.194, tweede lid WER moet er worden gekeken naar de interpretatieve wet van 12 maart 2000 tot uitlegging van artikel 101, derde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997
(1). Volgens artikel 2 van deze interpretatieve wet moeten de woorden "moet de rechtsvordering tot terugvordering worden ingesteld" worden uitgelegd als volgt: “moet het recht van terugvordering worden uitgeoefend". Deze interpretatieve wet was noodzakelijk omdat er een verschil was tussen de Nederlandse en Franse versie van artikel 101, derde lid, Faillissementswet die aanleiding gaf tot verschillende interpretaties nl. in de ene interpretatie meende men dat het noodzakelijk was om een procedure voor de rechtbank op te starten voor de uitoefening van het revindicatierecht en in de andere interpretatie meende men dat het volstond om de revindicatie ter kennis te brengen aan de curator, bijvoorbeeld bij gewone brief
(2). De interpretatieve wet beslechtte de problematiek door de voorkeur te geven aan de tweede interpretatie. Artikel 4 van de wet van 6 december 2005
(3)wijzigde onder meer artikel 101, derde lid, Faillissementswet en luidde als volgt: Art.
- In de artikelen 26, eerste lid, 50, 75, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, 100, tweede lid, en 101, derde lid, uitgelegd bij de wet van 12 maart 2000, van dezelfde wet worden de woorden " de sluiting van het proces-verbaal van verificatie " en in artikel 62, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden " het sluiten van het proces-verbaal van verificatie ", telkens vervangen door de woorden "de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie". Dit gewijzigd artikel 101, derde lid, Faillissementswet werd ongewijzigd overgenomen in artikel XX.194, tweede lid, WER. II.2.
- Draagwijdte van artikel XX.194, tweede lid, WER In tegenstelling met wat de eiser voorhoudt heeft het niet respecteren van de vervaltermijn van artikel XX.194, tweede lid, WER niet tot gevolg dat zijn eigendomsrecht zou worden ontnomen. Dit heeft enkel tot gevolg dat zijn eigendomsrecht niet tegenstelbaar is aan de failliete boedel
(4). Het niet respecteren van de termijn bepaald in dit artikel is eigendomsbeperkend. Er is dus in ieder geval geen sprake van een de facto onteigening of een onherroepelijk verlies van het eigendomsrecht. Na de faillissementsprocedure mag de eigenaar zijn goed opeisen indien het nog aanwezig zou zijn bij de ex-gefailleerde (wat weliswaar slechts zeer zelden het geval zal zijn). Indien de curator het goed heeft verkocht aan een derde dan kan de eigenaar het uiteraard niet van die derde terugvorderen
(5). Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol beschermt het eigendomsrecht als fundamenteel recht. De opening van een faillissementsprocedure heeft vergaande repercussies op het eigendomsrecht van de gefailleerde, van de schuldeisers van de gefailleerde en van de eigenaars van de goederen die zich in het bezit van de gefailleerde bevinden bij de opening van het faillissement. Het faillissement wordt echter vanuit het standpunt van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol niet als een eigendomsontneming gekwalificeerd, maar als een gerechtvaardigde eigendomsregulering
(6). II.2.4. Nood aan prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof? In de rechtsleer wordt verdedigd dat artikel XX.194, tweede lid, WER niet in strijd is met de bescherming van het eigendomsrecht zoals dit voortvloeit uit artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM
(7). Er wordt hiervoor verwezen naar rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie
(8). Het is inderdaad vaste rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie dat artikel L.624-9 van de Code de commerce
(9)dat een gelijkaardige regel bepaalt als artikel XX.194 WER, niet ongrondwettelijk is en dat de beperkingen van dat artikel aan het eigendomsrecht geen disproportionele schending inhoudt van dat recht zodat artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol niet wordt geschonden
(10). De vraag rijst of deze rechtspraak zomaar kan worden overgenomen naar Belgisch recht. In het Franse recht is er immers sprake van een vaste termijn van drie maanden vanaf de bekendmaking van het “faillissementsvonnis”. Uit de bepalingen van de artikelen XX.104, tweede en derde lid, XX.107, § 1, eerste lid, XX.161, eerste lid, en XX.194, tweede lid WER volgt dat, onder voorbehoud van situaties van overmacht, de revindicant over een termijn van 35 tot 60 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, dat binnen vijf dagen na zijn dagtekening in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, beschikt om zijn recht op terugvordering uit te oefenen. In dit dossier beschikte de eiser over een maand en vijf dagen
(11)om zijn recht tot terugvordering uit te oefenen. Dit is toch een aanzienlijk kortere termijn dan degene die geldt in Frankrijk. De omstandigheid dat de revindicant in het buitenland woont of daar is gevestigd heeft volgens mij in ieder geval geen invloed op deze vraag. Het Belgisch Staatsblad is slechts online beschikbaar via zijn website. De aanwezigheid van de revindicant in het buitenland heeft dan ook geen enkele invloed op zijn mogelijkheid om het Belgisch Staatsblad te raadplegen en ook niet op de mogelijkheid om zijn recht tot terugvordering uit te oefenen aangezien dit laatste aan geen enkele vormvereiste is verbonden. Een gewone brief of een email-bericht aan de curator volstaat daartoe. De buitenlandse revindicant heeft niet meer hindernissen te overwinnen dan een binnenlandse. De eiser vraagt dat het Hof volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk hof: Schendt artikel XX.194 WER artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM in zoverre het bepaalt dat een revindicant geen aanspraken meer zou kunnen maken op zijn goederen na het verstrijken van de korte termijn voorzien in artikel XX.194 WER, wat een de facto onteigening of een herroepelijk verlies van het eigendomsrecht impliceert? Overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2° Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof moet een rechtscollege geen prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer het oordeelt dat er klaarblijkelijk geen schending is van de bepaling uit titel II van de Grondwet. Ik meen dat deze toepassingsvoorwaarde niet voorhanden is. Men kan volgens mij niet voorhouden dat er klaarblijkelijk geen schending is door artikel XX.194, tweede lid, WER van artikel 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM. Er is grond om volgende prejudiciële vraag te stellen: Schendt artikel XX.194, tweede lid, WER, artikel 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht tot terugvordering van deze goederen, wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen? III. Tweede onderdeel. In dit onderdeel verwijt de eiser de appelrechter de artikelen XX.161 en XX.194 WER en de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en de algemene rechtsbeginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen door te oordelen dat de eiser vervallen is van zijn recht tot terugvordering wegens laattijdige uitoefening ervan en dat de eiser niet concreet aantoont dat hij zich in een situatie van overmacht bevond terwijl in de publicatie in het Belgisch Staatsblad geen melding wordt gemaakt van het bestaan van een rechtsvordering tot terugvordering en de termijn ervan. Dit onderdeel berust op een verkeerde rechtsopvatting. Zoals reeds uiteengezet bij het eerste onderdeel volgt uit de interpretatieve wet van 12 maart 2000 dat het helemaal niet noodzakelijk is dat de eigenaar zijn recht op terugvordering binnen de termijn van artikel XX.194 WER instelt door een rechtsvordering aanhangig te maken bij een rechtbank. Het volstaat dat hij de curator in kennis stelt van zijn recht op terugvordering. XX.194, tweede lid WER heeft dan ook in tegenstelling met wat de eiser voorhoudt geen betrekking op het recht op toegang tot de rechter. Het onderdeel faalt naar recht. De door eiser gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet dan ook niet gesteld worden. Conclusie: Het stellen van de onder het eerste onderdeel geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. ________________________________
(1)BS 7 april 2000.
(2)I. VEROUGSTRAETE, Manuel de l’insolvabilié de l’entreprise, Wolters-Kluwer 2019, 1019, randr. 1408; B. VERMEULEN, Praktische gids voor Faillissementscuratoren, Wolters Kluwer Belgium 2021 139-140.
(3)Wet van 6 december 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 met betrekking tot de procedure van verificatie van schuldvorderingen, BS 22 december 2005.
(4)E. DIRIX, “Commentaar bij art. XX.194 WER”, 10 nr. 18, in R. STEENNOT, G. STRAETMANS, J. STUYCK, en H. VANHEES, Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln., z.p.
(5)Ibid.
(6)S. BAEYENS, “Faillissement en lopende overeenkomsten: een rechtsvergelijkende analyse van artikel XX.139 WER”, TPR 2019, 952; zie ook ECRM 10 maart 1981, X / België, nr. 8988/90; EHRM 25 oktober 2001, Saggio /Italië, nr. 41879/98.
(7)V. SAGAERT, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Kluwer, Mechelen 2021, 351-352, nr. 360. E. DIRIX, “Commentaar bij art. XX.194 WER”, 10 nr. 18 in R. STEENNOT, G. STRAETMANS, J. STUYCK, J. en H. VANHEES, Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln., z.p.
(8)Ook de appelrechters verwijzen hiernaar, zie pagina 21 van het bestreden arrest.
(9)Dit artikel luidt als volgt: “La revendication des meubles ne peut être exercée que dans le délai de trois mois suivant la publication du jugement ouvrant la procédure”; vrij vertaald: “de terugvordering van de goederen kan slechts worden uitgeoefend binnen een termijn van drie maanden volgend op de bekendmaking van het vonnis waarbij de procedure wordt geopend”.
(10)Cass.fr. 3 april 2019, nr. 18-11.247; Cass.fr. 7 maart 2017, nr. 16-22.000; Cass.fr. 1 april 2014, nr. 13-13.574; Cass.fr. 15 maart 2011, nr. 40-40.073 Cass.fr. 17 december 1996, nr. 94-17.601; Cass.fr. 5 december 1995, nr. 994-14.133; Cass. fr. 8 maart 1994, nr. 92-14.394 (arresten raadpleegbaar via www.courdecassation.fr); Zie ook het jaarverslag 2019 van het Franse Hof van Cassatie, p. 166 en 167 (www.courdecassation.fr/publications/rapport-annuel/rapport-annuel-2019-de-la-cour-de-cassation).
(11)Publicatie op 20 juni 2018 in het Belgisch Staatsblad van het vonnis van faillietverklaring met datum neerlegging van het eerste proces-verbaal van de verificatie van de schuldvorderingen op 25 juli 2018. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.2 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div