← België

STAD GENT contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.5 Rolnummer: C.23.0453.N Zaak: STAD GENT contra A. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-17 08:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.5 Fiches 1 - 2 Van zodra de sanctionerend ambtenaar een aanbod tot bemiddeling formuleert, komt een bemiddeling tussen in de zin van artikel 26, § 2, Wet Gemeentelijke administratieve sancties zonder dat het formuleren van dit aanbod afhankelijk is van de instemming van de overtreder

(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: OVERTREDING Wettelijke bepalingen: Wet 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties - 24-06-2013 - Art. 12, § 1 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Wet 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties - 24-06-2013 - Art. 26, § 2 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties - 24-06-2013 - Art. 12, § 1 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Wet 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties - 24-06-2013 - Art. 26, § 2 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Tekst van de conclusie C.23.0453.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. Het geschil betreft de toepassing van de verjaringstermijn van 12 maanden indien er een gemeenschapsdienst en/of bemiddeling tussenkomt, waarover de sanctionerend ambtenaar beschikt om een administratieve geldboete op te leggen (artikel 26, § 2, van de Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, hierna GAS-Wet). Centraal staan hier niet zozeer de data van de correspondentie of de berekening van de verjaringstermijnen, wel eerder de rechtsvraag over de inhoud van de woorden ‘een bemiddeling tussenkomt’ in het voormelde artikel 26, § 2, GAS-Wet, waardoor de verjaringstermijn van 6 maanden wordt verlengd naar 12 maanden. Een aanbod en voorstel tot bemiddeling. Vooraf dient te worden opgemerkt dat uit de teksten van de GAS-Wet en het KB Bemiddeling
(1), alsook de voorbereidende werken en de rechtsleer over de bemiddeling bij gemeentelijke administratieve sancties, de woorden “aanbod”, “voorstellen”, “geslaagde of geweigerde bemiddeling” door elkaar worden gebruikt, hoewel deze begrippen op basis van de tekst van de wet en het KB een verschillende juridische betekenis kunnen hebben. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de voorbereidende werken dat er al sprake is van een geslaagde lokale bemiddeling louter indien de betrokken ermee akkoord gaat om de bemiddelingsprocedure op te starten
(2). Het KB Bemiddeling bepaalt dat een geslaagde bemiddeling gelijk is aan een bemiddeling die tot een uitgevoerd akkoord heeft geleid, of tot een akkoord waarvan de niet-uitvoering niet toe te schrijven is aan de overtreder. Artikel 5 van het KB Bemiddeling bepaalt dat indien het aanbod wordt geweigerd of de bemiddeling faalt, het evaluatieverslag kan vermelden dat een gemeenschapsdienst echter gepast zou zijn en deze beschrijven. Daar waar het woord “aanbod” in deze laatste bepaling doet vermoeden dat het een aanbod tot bemiddeling betreft, blijkt uit de context dat een aanbod van een bemiddelingsakkoord wordt bedoeld nadat een bemiddelingsprocedure werd opgestart. Artikel 26, § 1, GAS-Wet bepaalt dat de sanctionerend ambtenaar zijn beslissing binnen een termijn van zes maanden ter kennis brengt van de betrokkene. Het hier toepasselijk artikel 26, § 2, GAS-Wet bepaalt dat (in afwijking van § 1) die beslissing wordt genomen binnen een termijn van twaalf maanden indien er een gemeenschapsdienst en/of bemiddeling tussenkomt. Die termijn van 6 of 12 neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling. Artikel 26, § 3, GAS-Wet bepaalt dat na het verstrijken van de in §§ 1 en 2 bedoelde termijnen, de sanctionerend ambtenaar geen administratieve geldboete meer kan opleggen. Voor de toepassing van (het hier toepasslijk) artikel 26, § 2, GAS-Wet, stelt zich in deze zaak de vraag vanaf wanneer moet worden aangenomen dat de bemiddelingsdienst is tussengekomen, meer bepaald of het daartoe volstaat dat een eenzijdig aanbod tot bemiddeling is gedaan door de sanctionerende ambtenaar of de bemiddelingsdienst. Mijns inziens kan deze bepaling niet worden losgezien van artikel 12 GAS-Wet. Het hier toepasselijk artikel 12 bepaalt dat de sanctionerend ambtenaar een bemiddeling aan een meerderjarige overtreder kan voorstellen, wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° de gemeenteraad moet dit hebben voorzien in zijn reglement, evenals de procedure en de daarmee gepaard gaande nadere regels; 2 de instemming van de overtreder; 3° een slachtoffer werd geïdentificeerd. Over de voorwaarde van de instemming van de overtreder lichten de voorbereidende werken bij artikel 12 van de GAS-Wet het volgende toe: “De overtreder moet het aanbod tot lokale bemiddeling aanvaarden (…)”
(3). De bemiddeling maakt het voor de overtreder en voor de partijen die als slachtoffers geïdentificeerd worden, mogelijk om de herstelling of de schadeloosstelling van de geleden schade, met de tussenkomst van een bemiddelaar, te regelen - op vrijwillige basis en op vertrouwelijke wijze
(4). Daar waar het redelijk aannemelijk is dat de sanctionerende ambtenaar aan de betrokkene (zijnde de vermoedelijke of vastgestelde overtreder) eerst een bemiddeling aanbiedt en het dossier pas aan de bemiddelingsdienst overmaakt indien de betrokkene daarmee instemt, blijkt uit de praktijk dat sanctionerende ambtenaren zelf autonoom beslissen om een dossier al dan niet over te maken aan de bemiddelingsdienst zonder (voorafgaande) instemming van de betrokkene
(5). Hoewel krachtens artikel 12 GAS-Wet voor een voorstel tot bemiddeling is vereist dat de betrokkene daartoe instemt, bestaat de praktijk dat de sanctionerende ambtenaar zelf beslist om een dossier over te maken aan de bemiddelingsdienst zonder enige instemming van de betrokkene. De cruciale vraag in dit dossier is of dan kan worden aangenomen dat een bemiddeling is “tussengekomen” in de zin van artikel 26, § 2 GAS-Wet, waardoor de verjaringstermijn verlengd wordt naar 12 maanden, namelijk indien blijkt dat een bemiddeling wel is aangeboden aan de betrokkenen maar uit niets blijkt dat hij ermee heeft ingestemd en dus geen bemiddeling is voorgesteld in de zin van artikel 12 GAS-Wet. Bepaalde rechtsleer neemt zonder meer aan dat van zodra een aanbod tot bemiddeling is gedaan, de verjaringstermijn van twaalf maanden geldt
(6). Ook de omzendbrief van 22 juli 2014 is daarover zeer duidelijk: “De bepalingen aangaande de verlengde verjaringstermijn dienen alzo begrepen te worden dat het loutere aanbod van een bemiddelingsvoorstel of gemeenschapsdienst reeds volstaat om te "genieten" van de termijn van 12 maanden. Immers het feit dat een bemiddeling niet succesvol verloopt, of dat een gemeenschapsdienst niet (goed) wordt uitgevoerd, kan niet tot gevolg hebben dat de verjaringstermijn van 6 maanden vanaf de dag van de vaststelling van de feiten opnieuw zou gelden, hetgeen in voorkomend geval tot gevolg zou kunnen hebben dat het niet meer mogelijk zou zijn om tijdig een beslissing te nemen”
(7). VAN GOOL stelt duidelijk dat voor de bemiddeling een “vrije toestemming” is vereist en dat de doelstelling is dat men effectief de volledige draagwijdte van de bemiddelingsprocedure begrijpt, vooraleer er al dan niet mee in te stemmen
(8). Ook LANCKSWEERDT stelt dat de vrijwilligheid een essentieel kenmerk is van de bemiddeling: “Een essentieel kenmerk van bemiddeling is de vrijwilligheid ervan. Het staat aan alle betrokkenen dus vrij om in een bemiddeling te stappen of dat te weigeren. In dat laatste geval houdt de bemiddeling meteen op (is zij eigenlijk niet echt gestart) en wordt dit door de bemiddelaar ook medegedeeld aan de gemeentelijke instantie die de administratieve sanctie kan opleggen. Zijn alle betrokkenen bereid om aan de bemiddeling deel te nemen, dan wordt de bemiddeling daadwerkelijk aangevat”
(9). Hoewel LANKCKWEERDT terecht opmerkt dat het niet aangewezen is om bij een bemiddeling te vervallen in formalisme, stelt hij wel voor om bij een instemming tot bemiddeling een bemiddelingsovereenkomst te sluiten. Dat lijkt bij uitstek het stuk waaruit kan blijken dat werkelijk een bemiddeling is tussengekomen in de zin van artikel 26, § 2, GAS-Wet, op grond waarvan kan worden aangetoond dat de sanctionerende ambtenaar over een termijn van 12 maanden beschikt om eventueel nog een sanctie op te leggen. Ook OPFERGELT en VAN DEN HENDE wijzen op het principe van vrije toestemming bij een bemiddeling
(10). Een bemiddeling kan slechts worden gestart indien alle partijen akkoord gaan
(11). De doelstelling van de wetgever bij de invoering van bemiddeling bij GAS werd in het artikel 119ter Nieuwe Gemeentewet zelf ingeschreven, namelijk om de dader van de inbreuk de mogelijkheid te bieden de schade die hij heeft aangebracht, te vergoeden of te herstellen
(12). Indien de betrokkene de feiten ontkent of een aanbod van bemiddeling weigert kan er bezwaarlijk sprake zijn van een tussengekomen bemiddeling. Dat louter een (eenzijdig) aanbod of verzoek tot bemiddeling van de sanctionerende ambtenaar of de bemiddelingsdienst, zonder bewijs van instemming van de betrokkene, volstaat opdat wordt aangenomen dat een ‘bemiddeling is tussengekomen’ en de 12-maanden termijn activeert, acht ik niet overtuigend in het licht van artikel 12 GAS-Wet. Uit artikel 12 GAS-Wet volgt logischerwijze dat er eerst een bemiddeling wordt aangeboden waarna de sanctionerend ambtenaar een bemiddeling kan voorstellen indien aan de voorwaarden van artikel 12 GAS-Wet zijn voldaan, namelijk indien de betrokkene zijn instemming geeft
(13). Een bemiddeling “voorstellen” is mijns inziens in het licht van deze wettekst niet gelijk te stellen met een bemiddeling “aanbieden”. Uit de wet volgt dat een aanbod niet hetzelfde is als een voorstel. Immers, indien een aanbod tot bemiddeling zou volstaan voor de toepassing van de verjaringstermijn van 12 maanden, is de toepassing ervan louter afhankelijk van de eenzijdige wil van de sanctionerende ambtenaar. Door in de kennisgeving van de overtreding, voorzien in artikel 25, § 2, GAS-Wet, standaard formeel een bemiddeling aan te bieden, zou de normale verjaringstermijn van 6 maanden worden vermeden
(14). De sanctionerende ambtenaar zou ook kunnen wachten tot één dag voor het verstrijken van de termijn van zes maanden en louter door het (alsnog) eenzijdig aanbieden van een bemiddeling de verjaringstermijn doen verlengen naar 12 maanden. De verjaringstermijn van 6 maanden zou daarmee door het eenzijdig optreden van de sanctionerende ambtenaar of de bemiddelingsdienst worden uitgeschakeld of uitgehold. Niet enkel de normale verjaringstermijn van 6 maanden maar ook de door de wetgever vereiste instemming met de bemiddelingsprocedure worden daardoor als het ware buiten spel gezet en zinloos. Het standaard of automatisch verlengen van de verjaringstermijn naar 12 maanden (door formeel een bemiddeling aan te bieden) lijkt ook moeilijk verzoenbaar met het hele opzet van de GAS, namelijk een snel en efficiënt instrument dat de gemeenten in staat stelt een “lik-op-stukbeleid” te voeren ten aanzien van openbare overlast
(15). De korte termijn van zes maanden werd juist ingevoerd om dit zogenaamde “lik-op-stukbeleid” te kunnen voeren
(16). Bij een bemiddeling is een verlenging van die termijn naar 12 maanden zeker goed te verantwoorden mits het een ernstige, lees ‘echte’ bemiddeling is, namelijk met de bereidheid en instemming daartoe van de betrokkene. Artikel 26, § 2, GAS-Wet bepaalt niet dat de termijn van 12 maanden geldt indien “een aanbod tot bemiddeling tussenkomt”, wel dat “een bemiddeling tussenkomt”. Dat “een bemiddeling tussenkomt” vereist dat er daadwerkelijk een bemiddeling was en aldus aan de voorwaarden ervan is voldaan, hetgeen enkel zinvol kan worden geïnterpreteerd zoals bedoeld in artikel 12 GAS-Wet, namelijk dat de bemiddeling wordt voorgesteld op basis van de instemming daartoe van de betrokkene
(17). Gelet op de belangrijke consequentie van de verdubbeling van de verjaringstermijn is het niet redelijk aannemelijk dat de wetgever in artikel 26, § 2, GAS-Wet heeft bedoeld dat met de woorden ‘een bemiddeling tussenkomt’ volstaat dat een bemiddeling is aangeboden zonder dat er een instemming was in de zin van artikel 12 GAS-Wet. De verlenging van de verjaringstermijn van 6 naar 12 maanden moet toelaten om een bereidwillige bemiddeling de nodige tijd te geven om deze te kunnen organiseren en voldoende zin en slaagkans te bieden. De bemiddelingsprocedure heeft pas voldoende slaagkans als de betrokkene vooraf ermee heeft ingestemd, ongeacht het resultaat. De bemiddeling is een vrijwillig proces en kan niet worden opgelegd
(18). Een bemiddelingsprocedure, hoewel zij wordt aanvaard wordt door de 2 partijen, zal niet noodzakelijk leiden tot een akkoord
(19). Uit de vastgestelde feiten blijkt dat er geen instemming was tot een bemiddeling. Louter uit de vaststelling dat de bemiddelingsdienst aan de sanctionerende ambtenaar (6 maanden na de vaststelling) meedeelt dat de bemiddeling ‘werd opgestart’, maar door de 'betrokken overtreder’ werd ‘geweigerd’, volstaat niet als bewijs van het bestaan van een bemiddeling met instemming van de betrokkene. Louter het aanbod of de vaststelling van het overmaken van het dossier door de sanctionerende ambtenaar naar de bemiddelingsdienst, noch het autonoom opstarten van een bemiddelingspoging door de bemiddelingsdienst, volstaat m.i. niet om te ertoe te besluiten dat een bemiddeling is tussengekomen in de zin van artikel 26, § 2 GAS-Wet. Niets belet de sanctionerende ambtenaar en de bemiddelingsdienst om eenzijdig een bemiddeling aan te bieden of “op te starten”, maar zolang niet is aangetoond dat er een (voorafgaande) instemming is tot bemiddeling van de betrokkene, ongeacht het resultaat, kan een aanbod of weigering ervan m.i. niet tot gevolg hebben dat de verjaringstermijn voor het opleggen van de administratieve geldboete wordt verlengd naar 12 maanden. Een evaluatieverslag zoals bedoeld in artikel 5 van het KB Bemiddeling kan pas zinvol worden opgemaakt bij het afsluiten van een werkelijke bemiddelingsprocedure die is opgestart met instemming van de betrokkene. De bereidwilligheid en vrije instemming met de bemiddeling van de betrokkene is mijns inziens een noodzakelijke voorwaarde alvorens de verlengde verjaringstermijn van artikel 26, § 2 GAS-Wet toepasselijk is. Het komt de sanctionerende overheid toe te bewijzen dat bij het opleggen van de administratieve sanctie de verjaring niet is ingetreden, desgevallend de verlengde verjaringstermijn toepasselijk is. Het onderzoek naar de verjaring behoort tot het ambtshalve onderzoek van de sanctionerende overheid en de politierechter. Het enig middel van de eiseres dat ervan uitgaat dat een bemiddeling tussenkomt in de zin van artikel 26, § 2, GAS-Wet, wanneer er een eenzijdig aanbod is tot bemiddeling uitgaande van de sanctionerend ambtenaar ongeacht de instemming van de betrokkene, lijkt mij dan ook niet in overeenstemming met de samenlezing van de artikelen 12 en 26, § 2, GAS-Wet, en faalt daarom naar recht. Besluit: verwerping. ________________________________
(1)Koninklijk besluit van 28 januari 2014 houdende de minimumvoorwaarden en modaliteiten voor de bemiddeling in het kader van de wet betreffende de Gemeentelijke Administratieve Sancties, hierna ‘KB Bemiddeling’.
(2)Parl.St. Kamer, DOC 53, 2712/001, 14. De praktijk bestaat klaarblijkelijk dat indien de betrokkene niet akkoord gaat met een aanbod tot bemiddeling vanwege de sanctionerende ambtenaar, deze ambtenaar dit doorgeeft aan de bemiddelingsdienst die de weigering acteert: Tessa ALLEWAERT, Gemeentelijke Administratieve Sancties in de praktijk, die Keure 2014, 50.
(3)Parl.St. Kamer, DOC 53, 2712/001, 12, https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/2712/53K2712001.pdf . Of een instemming noodzakelijk een schulderkenning inhoudt, staat hier niet ter discussie. Niets sluit uit dat de betrokkene de feiten betwist maar toch bereid is via een bemiddeling in debat te gaan met een (beweerd) slachtoffer.
(4)Parl.St. Kamer, DOC 53, 2712/001, 11.
(5)T. ALLEWAERT, Gemeentelijke Administratieve Sancties in de praktijk, die Keure 2014, 49.
(6)T. ALLEWAERT, Gemeentelijke Administratieve Sancties in de praktijk, die Keure 2014, 50; B. DE SMET, “Administratief sanctierecht voor minderjarigen”, in Commentaar strafrecht en strafprocesrecht, Mechelen, Kluwer, losbl., 2023, nr. 104. In dezelfde zin: B. DE SMET, “Administratief sanctierecht voor minderjarigen. Gemeentelijke administratieve santcies”, in Portalis Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, Mechelen, Kluwer, losbl., 2023, nr. 103; I. WATTIER, “Le régime des infractions mixtes de droit commun”, in C. GUILLAIN en Y. CARTUYVELS (eds), Les sanctions administratives communales, Brugge, die Keure 2015, 102; T. ALLEWAERT, “Gemeentelijke administratieve sancties in de praktijk”, Brugge, die Keure 2014, 50; J. PUT, “Handboek Jeugdbeschermingsrecht”, Brugge, die Keure 2021, 602, nr. 1195.
(7)Omzendbrief van 22 juli 2014 van de FOD Binnenlandse Zaken waarbij uitleg wordt verschaft bij de nieuwe regelgeving aangaande de gemeentelijke administratieve sancties, randnr. 31, https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&caller=summary&pub_date=14-08-08&numac=2014000625.
(8)E. VAN GOOL, “De GAS-procedure – Rechtsbescherming bij gemeentelijke administratieve sancties”, Brussel 2015, Larcier, randnr. 249, 127.
(9)E. LANCKSWEERDT, “Bemiddeling i.h.k.v. de wetgeving op de gemeentelijke administratieve sancties: een unieke kans voor de gemeenten”, T.Gem. 2005/1, randnr. 50, 52.
(10)A. OPFERGELT, “Lokale bemiddeling in de spotlights”, Orde van de Dag, 2016/73, 62; T. VAN DEN HENDE, “De rol van het parket inzake gemeentelijke administratieve sancties”, in Gemeentelijke administratieve sancties. Balans 1999-2009, die Keure 2010, 109.
(11)A. OPFERGELT A., “Bemiddeling in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties: een gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen”, Orde van de dag, 2012/58, 84.
(12)E. LANCKSWEERDT, “Bemiddeling i.h.k.v. de wetgeving op de gemeentelijke administratieve sancties: een unieke kans voor de gemeenten”, T.Gem. 2005/1, randnr. 1, 41.
(13)Tijdens de voorbereidende werken was kamerlid Genot verrast dat een bemiddeling volgens het wetsontwerp enkel de instemming vereist van de ‘overtreder’ maar niet van die van het slachtoffer. De minister antwoordde dat de bemiddeling steunt op een akkoord tussen de partijen, en dus zowel op de instemming van de overtreder als van het slachtoffer (Parl.St, DOC 53 2712/006, 72).
(14)Deze werkwijze werd bovendien voorgesteld in de Omzendbrief OOP 30bis, BS 20 januari 2005, 1733. Toen was er nog verlenging van de verjaringstermijn: “Bij het toepassen van de bemiddelingsprocedure, dient men voor ogen te houden dat de verjaringstermijn voor het opleggen van de boete betrekkelijk kort is. Deze procedure mag immers niet als resultaat hebben dat de dader ontsnapt aan de administratieve boete. Om tijd te winnen lijkt het mij aangewezen om de bemiddelingsprocedure op te nemen in de opstartbrief voor de administratieve procedure. De ambtenaar zou aan de overtreder bij voorbeeld kunnen vragen om, binnen een termijn van vijftien dagen, ofwel te bewijzen dat de aangebrachte schade hersteld is ofwel verweermiddelen in te dienen”.
(15)Zie onder meer de “Nota evaluatie GAS-wet” van 25 oktober 2021 van de VVSG ter voorbereiding van de hoorzitting op 9 november 2021 van de Commissie Binnenlandse Zaken, https://www.vvsg.be/nieuws/vvsg-evalueert-toepassing-van-de-gas-wet.
(16)Tweejaarlijks verslag over de toepassing van de GAS-Wet (2014-2015), 47, https://www.besafe.be/sites/default/files/2022-07/gas_rapport_nl.pdf.
(17)Ook voor een gemeenschapsdienst vereist artikel 9 GAS-Wet uitdrukkelijk het akkoord van de betrokkene.
(18)Tom BAUWENS, Stefaan PLEYSIER, Evelien DE PAUW en Tom VAN DEN BROECK, “De nieuwe GAS-wet. Zuurstof of stikstof voor steden en gemeenten?”, Orde van de Dag 2016/73, 77.
(19)Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid, kortweg POD Maatschappelijke Integratie of POD MI, Evaluatieverslag van de wet van 24 juni 2013 betreffende de Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS), p.24: “De reden kunnen uiteenlopend zijn: omdat de partijen het niet eens zijn over de inhoud van het herstelakkoord of, omdat de overlast aanhoudt, bijvoorbeeld.”, https://www.mi-is.be/sites/default/files/documents/evaluatieverslag_van_de_wet_van_24_juni_2013_betreffende_de_gas_0.pdf. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.