← België

VLAAMS GEWEST contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.6 Rolnummer: C.23.0483.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 415 - laatst gezien 2026-06-18 17:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.6 Fiches 1 - 2 De motivering die de bestuurshandeling moet dragen, moet, om afdoende te zijn, de bestuurde in staat stellen te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen; die motivering kan ook blijken uit andere stukken waarnaar in de akte wordt verwezen en waarvan de bestuurde voorafgaandelijk in kennis werd gesteld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Wettelijke bepalingen: Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 2 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Fiche 3 Tijdens het openbaar onderzoek moeten minstens het voorlopig onteigeningsbesluit, het onteigeningsplan en de projectnota beschikbaar zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 10 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 20 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Tekst van de conclusie C.23.0483.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat een onderdeel van een perceel van het landbouwbedrijf van de verweerders het voorwerp uitmaakt van een onteigening met het oog op de zuivering van afvalwater en de aanleg van een bufferbekken. Tijdens het openbaar onderzoek van het voorlopig onteigeningsbesluit voerde de verweerders in hun bezwaarschrift aan dat in verschillende documenten wordt verwezen naar een hydronautische studie die niet kon worden geconsulteerd en die niet ter beschikking werd gesteld. De eiser is op die vraag niet ingegaan. Het definitief onteigeningsbesluit vermeldt (onder meer) de volgende motivering: “Overwegende dat het gekozen tracé technisch, maatschappelijk, economisch en ecologisch het meest verantwoorde tracé is; dat hiertoe een haalbaarheidsstudie en hydronautstudie werden opgemaakt; dat de impact van het project op de omgeving gedegen onderzocht werd; dat het tracé eveneens besproken werd met de verschillende vergunningsverlenende instanties”. De vrederechter stelt in het beroepen vonnis van 12 september 2022 vast dat in het definitief onteigeningsbesluit naar deze studie werd verwezen en dat de studie ‘ondertussen’ wel als stuk werd gevoegd in ‘huidige procedure’ (met name de door het Vlaams Gewest bij dagvaarding van 3 juni 2022 geïnitieerde procedure). De vrederechter overweegt dat van een normaal zorgvuldige overheid kan verwacht worden dat deze haar stukken tijdig meedeelt aan de verweerders zodat deze op een deugdelijke manier hun rechtspositie kunnen inschatten, een openbaar onderzoek slechts zin heeft voor zover de verweerders kennis krijgen van alle essentiële documenten, zijnde deze waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in de beslissing en dat de verweerders dit in hun bezwaarschrift tegen het voorlopig onteigeningsbesluit hebben aangehaald, maar de eiser daarop niet is ingegaan terwijl in het definitief onteigeningsbesluit opnieuw uitdrukkelijk ernaar wordt verwezen. De vrederechter besluit dat sprake is van een doelbewust niet voorleggen van de nota waardoor gegevens waarop de eiser zijn motivering uitdrukkelijk steunt aan inspraak werden onttrokken. De vrederechter verklaart het onteigeningsbesluit nietig. Het beroep tegen die beslissing wordt in het bestreden arrest van 21 september 2023 ongegrond verklaard. Tegen dat arrest komt de eiser in cassatie op met drie onderdelen. Bespreking van de onderdelen van het enig middel. Eerste onderdeel. Het onderdeel voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen, namelijk doordat de appelrechters beslissen dat de formele motiveringsplicht vereist dat aan de bestemmeling kennis wordt gegeven van alle elementen die tot de beslissing hebben geleid, echter zonder te onderzoeken of: 1. de beslissing de motieven vermeldt waarom de onteigening noodzakelijk is
(1), en 2. de verweerder op grond van de motivering van de beslissing kon oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren met de middelen die het recht verschaft. Artikel 2 van Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen
(2)bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden moeten gemotiveerd. Artikel 3 van deze wet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat zij afdoende moet zijn. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat volgt uit deze bepalingen niet dat de formele motivering beperkt is tot de motieven waarom de beslissing noodzakelijk is. In zoverre het onderdeel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het komt me voor dat het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en feitelijke grondslag mist. Daar waar de eiser met verwijzing naar rechtspraak van het Hof
(3), zelf stelt dat de motivering van de ‘noodzakelijkheid’ een relatief begrip is waarvan de draagwijdte een concrete afweging vereist op basis van werkelijke feiten, blijkt uit het arrest dat de appelrechters die afweging concreet hebben gemaakt. De appelrechters wijzen op de concrete situatie waarin middels een openbaar onderzoek de betrokkene wordt uitgenodigd vooraf een standpunt in te nemen over de voorgenomen onteigening. Ze motiveren in het bijzonder dat onteigeningen bijzondere zorgen en verplichtingen met zich meebrengen voor de overheid en het voorafgaand onderzoek toelaat om alle elementen kenbaar te maken waarop de (voorgenomen) beslissing steunt zodat de betrokkene in een bezwaarschrift daarop kan ingaan. Daarenboven motiveren ze dat de opsomming van documenten in het Vlaams Onteigeningsdecreet niet limitatief van aard is en dat het niet spontaan kenbaar maken van bepaalde informatie niet verzoenbaar zou zijn met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM juncto artikel 16 van de Grondwet. De appelrechters wijzen ook uitdrukkelijk de stelling van de eiser af dat de betrokkene zelf het initiatief kon en diende te nemen om via de ‘openbaarheid van bestuur’ een kopie van de studie te verkrijgen om zo standpunt te kunnen innemen, hetgeen de last van de onteigening zou verschuiven naar de betrokkenen en strijdig zou zijn met artikel 16 van de Grondwet. Ze oordelen tenslotte dat de ontbrekende studie “op zijn minst belangrijk was”. Met deze en de overige concrete overwegingen vermeld in het bestreden vonnis oordelen de appelrechters concreet over de vereisten van een afdoende motivering bij een onteigening die de betrokkene moet toelaten zich met kennis van zaken hun rechten van verdediging naar behoren te kunnen waarnemen. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het vonnis niet oordeelt over de aanwezigheid van motieven betreffende ‘de noodzakelijkheid’ van de onteigening, hetzij niet oordeelt of de verweerder op grond van de motivering van de beslissing kon oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren met de middelen die het recht verschaft, berust op een onvolledige lezing en mist feitelijke grondslag. Na te hebben vastgesteld dat de bestuurshandeling is gesteund op een ander stuk waarnaar is verwezen maar dat niet is ter kennis gebracht, dienden de appelrechters niet meer na te gaan of te onderzoeken of de beslissing de motieven vermeldt waarom de onteigening noodzakelijk is en of de verweerders op grond van de motivering van de beslissing kon oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verzetten met de middelen die het recht verschaft. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat een bestuurshandeling formeel kan worden gemotiveerd door verwijzing in de akte naar andere stukken waarvan de betrokkene voorafgaandelijk in kennis werd gesteld
(4). In zoverre het onderdeel aanvoert dat de motiveringsplicht niet vereist dat elk stuk waarop de beslissing steunt kenbaar is op het ogenblik dat de beslissing ter kennis van de bestuurde wordt gebracht, faalt het naar recht
(5). Het is vaste rechtspraak van het Hof dat het aan de feitenrechter staat te oordelen of de motivering van de bestuurshandeling afdoende is waarbij hij evenwel het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet mag schenden
(6). De feitelijke appreciatie van wat hier concreet kan worden aangemerkt als een afdoende motivering onderscheidt zich van de rechtsvraag of de studie waarop de beslissing steunt, kenbaar diende te zijn op het moment van de kennisgeving ervan zodat de betrokkene zich desgevallend tegen de beslissing met kennis van zaken kan verweren. In zoverre het onderdeel erop gericht is te oordelen dat de kenbaarheid van de hydronautische studie niet is vereist voor het bereiken van een afdoende motivering, nodigt het onderdeel het Hof uit tot een onderzoek van de feiten en is het niet ontvankelijk
(7). De bijkomende grief van het onderdeel over de schending van artikel 159 van de Grondwet is niet ontvankelijk wegens geheel afgeleid van het tevergeefs aangevoerde schending van artikel 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen. Tweede onderdeel. Door te beslissen dat uit het Vlaams Onteigeningsdecreet en artikel 1 van eerste aanvullend protocol van het EVRM en artikel 16 van de Grondwet volgt dat alle documenten die in overweging werden genomen bij de beslissing tot onteigening in het kader van een openbaar onderzoek spontaan aan verweerders dienden te worden voorgelegd, meent de eiser dat de appelrechters de artikelen 10, 11, 12, 17, 18 en 20 van het Vlaams Onteigeningsdecreet, evenals de artikelen 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM en 16 van de Grondwet schenden. De appelrechters oordelen dat die stukken kenbaar moeten zijn, niet dat de overheid de stukken spontaan dient voor te leggen aan de betrokkene. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters hebben beslist dat alle documenten waarop de beslissing steunt spontaan aan de betrokkene dient te worden voorgelegd, berust het op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Artikel 10, § 2 Vlaams Onteigeningsdecreet bepaalt dat het voorlopige onteigeningsbesluit altijd, op straffe van nietigheid, de volgende bijlagen bevat: 1° een onteigeningsplan en 2° een projectnota. Artikel 10, § 2, in fine Vlaams Onteigeningsbesluit bepaalt dat de onteigenende instantie bijkomende gegevens kan opnemen in het voorlopige onteigeningsbesluit en de bijlagen. Artikel 20 Vlaams Onteigeningsdecreet bepaalt dat gedurende het openbaar onderzoek het voorlopige onteigeningsbesluit ter inzage wordt gelegd in het gemeentehuis van de gemeente waarin het onroerend goed, dat onteigend zal worden of waarop het te onteigenen zakelijk recht rust, gelegen is en dat alle documenten van het voorlopige onteigeningsbesluit tijdens de duur van het openbaar onderzoek tevens beschikbaar zijn op de website van de onteigenende instantie en van de gemeente waarin het onroerend goed of het daarop gevestigde zakelijk recht gelegen is
(8). Uit deze bepalingen volgt dat de documenten bedoeld in artikel 10, § 2, in fine Vlaams Onteigeningsdecreet overeenkomstig artikel 20, tweede lid Vlaams Onteigeningsdecreet tijdens de duur van het openbaar onderzoek beschikbaar moeten zijn op de website van de onteigenende instantie en van de gemeente waarin het onroerend goed of het daarop gevestigde zakelijk recht gelegen is. Uit deze bepalingen volgt niet dat op limitatieve wijze is bepaald welke documenten tijdens het openbaar onderzoek beschikbaar moeten zijn en dit het voorlopig onteigengingsbesluit, het onteigeningsplan en de projectnota zijn
(9). Dat de in het Vlaams Onteigeningsdecreet vermelde stukken niet definitief of exclusief zijn, blijkt uit de artikelen 28, § 2 en 30 van dit decreet. Uit artikel 30 Vlaams Onteigeningsdecreet, dat bepaalt dat de onteigenende instantie een kopie van het definitieve onteigeningsbesluit en haar bijlagen per beveiligde zending aan de te onteigenen partijen zendt, en uit artikel 28, § 2 Vlaams Onteigeningsdecreet, dat bepaalt dat bijkomende gegevens kunnen worden opgenomen in het onteigeningsbesluit en de bijlagen, volgt dat ook de relevante bijlagen moeten worden kenbaar gemaakt
(10). In de toelichting bij dit onderdeel verwijst de eiser naar een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 april 2022
(11). Dit arrest overweegt dat de verzoekende partij niet overtuigt dat er meer documenten ter inzage hadden moeten liggen tijdens het openbaar onderzoek. Anders dan de eiser aanvoert, volgt uit dit arrest m.i. niet dat het Vlaams Onteigeningsdecreet op limitatieve wijze bepaalt welke documenten moeten of mogen beschikbaar zijn, noch dat de in het Vlaams Onteigeningsdecreet aangehaalde documenten limitatief zouden zijn. Het onderdeel dat berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde onderdeel. In het derde onderdeel voert de eiser aan dat de appelrechters artikel II. 2 van het Bestuursdecreet evenals artikel 159 van de Grondwet schenden, namelijk door te beslissen dat de beslissing tot onteigening onwettig was. Het onderdeel is m.i. gericht tegen een overtollige reden die de beslissing niet draagt en komt bijgevolg niet ontvankelijk voor bij gebrek aan belang. Besluit: verwerping. _________________________________
(1)“hetgeen impliceert dat de motivering moet berusten op werkelijke feiten, dat uit de motivering een redelijk verband tussen de voorgenomen onteigening en het vooropgestelde doel kan worden afgeleid en dat, naargelang het geval, uit die motivering blijkt dat de genomen beleidsopties afgewogen werden”, stelt de eiser in het onderdeel.
(2)Hierna de ‘Wet Motivering Bestuurshandelingen’.
(3)Cass. 7 september 2017, AR C.16.0360.N, AC 2017, nr. 452, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170907.2, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170907.2; Cass. 3 februari 2000, AR C.96.0380.N, AC 2000, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5; Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N, AC 2003, nr. 426, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7.
(4)Cass. 29 mei 2008, AR C.07.0193.N, AC 2008, nr. 330, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.2; Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N AC 2003, nr. 426, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7.
(5)M. VAN DAMME, Overzicht Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Kluwer 2021, nr. 1094: “Zo zal, wanneer een advies wordt uitgebracht dat door de bestuurlijke overheid wordt gevolgd en door haar als een voldoende basis voor de te nemen beslissing wordt beschouwd, reeds een verwijzing naar dat advies aanvaardbaar zijn, op voorwaarde dat de bestuurde volledig kennis heeft of krijgt van dat advies, het advies zelf afdoende gemotiveerd is en het vaststaat dat die motivering door de beslissende overheid is genomen. In dergelijke gevallen wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene de motieven kent en er zich heeft tegen kunnen verweren, zodat hij geen schade heeft geleden door de schending van de formele motiveringsverplichting.”; I. OPDEBEECK en A. COOLSAET, “Draagwijdte van de formele motiveringsplicht”, in De formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, die Keure 2013, nr. 13, 135: “Het doel van de motiveringsplicht wordt niet bereikt door een verwijzing naar adviezen waarvan de inhoud onbekend is voor de bestuurde. Er mag dan ook enkel worden verwezen naar stukken die aan de bestuurde ter kennis werden gebracht of hem bekend zijn. Het is het bestuur zelf dat het initiatief moet nemen tot het ter kennis geven: de bestuurde hoeft zelf niet om mededeling van het advies te vragen. Het feit dat de bestuurde de mogelijkheid had om kennis te nemen van de inhoud van het advies op basis van de openbaarheidsregelgeving ontslaat het bestuur dus niet van de verplichting tot kennisgeving. De inhoud van het stuk moet aan de bestuurde ter kennis worden gebracht, hetzij voor de beslissing wordt genomen hetzij ten laatste samen met de eindbeslissing”.
(6)Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N, AC 2003, nr. 426, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7; Cass. 3 februari 2000, AR C.96.0380.N, AC 2000, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5; Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0223.N-C.18.0227.N, AC 2019, nr. 196, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.2, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGHEM, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.2.
(7)Hierbij kan worden opgemerkt dat rekening houdende met het doel van de onteigening, namelijk een plan van zuivering van afvalwater met aanleg van een bufferbekken, het zeer aannemelijk is dat de hydronautische studie een specifiek en groot belang heeft voor de realisatie van het doel en de lokalisatie van de onteigening.
(8)Ook artikel 28, § 2, in fine Vlaams Onteigeningsdecreet bepaalt dat, wat betreft het definitief onteigeningsbesluit, dat de onteigenende instantie bijkomende gegevens kan opnemen in het definitieve onteigeningsbesluit en de bijlagen.
(9)S. VERBIST, C. BUGGENHOUDT en C. BIMBENET, “Het Vlaamse Onteigeningsdecreet. Een kritische analyse voor overheid, eigenaar en magistraat”, Brugge, die Keure 2018, 84, nr. 252: “Het opnemen van extra documenten is aangewezen als voorbereiding op de gerechtelijke onteigeningsprocedure, in het bijzonder ter staving van de mogelijkheid om het project effectief te realiseren. Zo kunnen bijvoorbeeld adviezen van de bevoegde instanties gevraagd worden die later noodzakelijk zullen zijn om bepaalde vergunningen te verkrijgen”.
(10)S. VERBIST, C. BUGGENHOUDT en C. BIMBENET, “Het Vlaamse Onteigeningsdecreet. Een kritische analyse voor overheid, eigenaar en magistraat”, Brugge, die Keure 2018, 86, nr. 260.
(11)RvVb 28 april 2022, nr. RvVb-A-2122-0699, p. 29, randnr. 6, https://dbrc.be/sites/default/files/2022-05/RVVB.A.2122.0699.pdf. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170907.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170907.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.