id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.7 Rolnummer: F.22.0062.N Zaak: B. contra VERIMO nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 424 - laatst gezien 2026-06-15 07:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.7 Fiches 1 - 2 Een dagvaarding in faillissement waarbij een schuldeiser zijn rechtsvordering uitoefent en een collectief beslag beoogt met tegeldemaking en verdeling van het vermogen van zijn schuldenaar door toedoen van een curator teneinde zijn schuldvordering te innen, is een dagvaarding en heeft bijgevolg stuitende werking
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Stuiting Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Aaaaaaaaaaaaaaart. 2244 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 443bis, § 1, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Aaaaaaaaaaaaaaart. 2244 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 443bis, § 1, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.22.0062.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1985 betwist. Het onbetwiste verschuldigd gedeelte wordt vastgesteld op nihil. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 april 2004 wordt de verweerster definitief veroordeeld tot betaling van de aanslag. Nadien laat de eiser op 9 februari 2005, 29 januari 2010 en 1 december 2014 aan de verweerster dwangbevelen betekenen tot betaling van de belastingschuld, die hiertegen nooit verzet aantekent. Vervolgens gaat de eiser over tot dagvaarding van de verweerster in faillissement op 21 maart 2018. Het bestreden arrest van het hof van beroep Brussel van 1 maart 2021 oordeelt dat die dagvaarding in faillissement de verjaring van de belastingschuld niet schorst of stuit omdat die dagvaarding strekt tot het faillissement van de verweerster en niet tot de betaling van de belastingschuld en die dagvaarding niet kan worden beschouwd als een rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van belastingen of voorheffingen. Het arrest besluit dat de vordering tot betaling van de belastingschuld is verjaard. De eiser komt met twee onderdelen in cassatie op tegen dat arrest. Bespreking. In het eerste onderdeel stelt de eiser dat de dagvaarding in faillissement een rechtsgeding is met betrekking tot de invordering van de belasting die de verjaring schorst. In het tweede onderdeel voert de eiser aan dat de dagvaarding in faillissement de verjaring van de belasting heeft gestuit. Het hier toepasselijk artikel 443bis, § 2, eerste lid, WIB92 bepaalt dat de termijn bedoeld in § 1 kan worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. Artikel 2244, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Wat betreft het tweede onderdeel, met name wat betreft de stuiting van de verjaring van de invordering van de belasting door de dagvaarding in faillissement, oordeelde het Hof reeds meermaals in gelijkaardige zin. Bij arrest van 19 januari 1967 oordeelde het Hof dat het door de administratie ingediende verzoek tot aanneming in het faillissement van haar schuldvordering betreffende de aanslag, een regelmatige stuitingsdaad is van de verjaringstermijn van vijf jaar voor de invordering van de directe belastingen
(1). Ook bij arrest van 13 november 1997 oordeelde het Hof dat de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde wordt gestuit door de aangifte ervan in het faillissement van de schuldenaar, die een vordering onderwerpt aan het gerecht, zowel ten aanzien van de boedel als ten aanzien van de gefailleerde zelf, en wordt geschorst zolang het faillissement niet is gesloten
(2). Een dagvaarding voor het gerecht zoals bedoeld door artikel 2244 oud BW houdt elke handeling in waarmee een persoon een vordering instelt om het bestaan van een bedreigd recht door het gerecht te doen erkennen
(3), hetzij de wil te kennen geeft aanspraak te maken op een recht of zijn verhaalsrecht uitoefent
(4). De dagvaarding in faillissement strekt ertoe de inning van de belastingschuld te bereiken middels de realisatie van het actief in de boedel van het faillissement. Daaruit volgt dat de dagvaarding in faillissement eveneens doelt op de inning van de belasting en de verjaring van de belastingschuld stuit
(5). Het arrest dat oordeelt dat de dagvaarding in faillissement van 21 maart 2018 de verjaring niet stuit, schendt artikel 443bis, § 2, eerste lid WIB 1992 en artikel 2244, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek. Het tweede onderdeel komt gegrond voor. Bovendien bepaalt artikel 443ter, §§ 1 en 2, WIB92 dat de inleidende vordering van elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belastingen of de voorheffingen de verjaring schorst tot wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Zoals hoger vermeld, is de dagvaarding in faillissement erop gericht om door middel van de realisatie van het actief de inning van de belasting mogelijk te maken. De dagvaarding in faillissement is de inleidende vordering met betrekking tot de invordering van de belasting zoals bedoeld in artikel 443ter, § 1, eerste lid, WIB92. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een nuance van DELANOTE, namelijk dat uit het arrest van het Hof van 19 januari 1967 volgt dat de verjaringstermijn niet wordt geschorst ten aanzien van de fiscale administratie in zoverre de belastingschuld door een wettelijke hypotheek wordt gewaarborgd, geen betrekking heeft op en geen afbreuk doet aan de regeling voorzien in artikel 443ter WIB92, zoals hij ook zelf aangeeft
(6). Door te oordelen dat de dagvaarding in faillissement niet kan beschouwd worden als een rechtsgeding met betrekking tot de invordering van de belasting, schenden de appelrechters artikel 443ter, § 1, eerste lid, WIB92. Ook het eerste onderdeel komt gegrond voor. Besluit: cassatie. ____________________________________
(1)Cass. 19 januari 1967, AC 1967, 611; zie ook inzake RSZ-bijdragen Cass. 20 juni 1968 AC 1968, 1283, met concl. A.G. COLARD in Jurisprudence commerciale de Belgique, 1969, 2e deel, 73; zie ook Antwerpen, 16 september 2019, 2016/AR/531, FJF 2020/ 4, 148; Antwerpen 13 september 2011, Fisc. Act. 2011/41, 16; S. VAN CROMBRUGGE, “De fiscale aspecten van het faillissement”, in X, Faillissement en reorganisatie, IV, Kluwer, losbl., nr. 37, p. 37.
(2)Cass. 13 november 1997, AR C.95.0361.N, AC 1997, nr. 474, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971113.10, RW 1997-98, 1287, TBH 1998, 103 en JDF 1998, 42.
(3)Cass. 19 september 2016, AR C.16.0021.F, AC 2016, nr. 504, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160919.2; Cass. 6 februari 2015, AR C.13.0176.N, AC 2015, nr. 88, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150206.1; DELANOTE M., “Fiscaal Invorderingsrecht”, Reeks APR, Kluwer, nr. 571, 167; DELANOTE M., “Invordering federale fiscale schulden”, Kluwer 2022, é (De notie dagvaarding voor het gerecht moet ruim worden uitgelegd. Deze term verwijst in wezen naar iedere vordering in rechte die ertoe strekt het bedreigde recht rechtmatig te doen erkennen. In die zin bv. het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, de aangifte van een schuldvordering in het passief van een faillissement en de daaropvolgende opneming in het passief.); zie ook Bergen 29 april 2009, TFR 2009, afl. 369, 870; Beslagr. Luik 7 december 2004, JLMB 2006, afl. 4, 173.
(4)Th. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, 964, nr. 1311 (De wil aanspraak te maken op een recht is van belang, eerder dan de vorm waarin die wil tot uiting komt. Daarom wordt het begrip ‘dagvaarding’ traditioneel ruim geïnterpreteerd).
(5)H. DE PAGE, Traité, deel VIII, 1957, 1065, nr. 1172; PLANIOL en RIPERT, Tome III, Les biens, in Traité pratique de droit civil français, 1952 (door M. PICARD), 773, nr. 1361, noot 2 met verwijzing naar Civ. fr., 13 januari 1879, S. 1879, I, 441, noot LABBÉ. Zie ook Civ., 18 juni 1965, Bull. civ. II, n°554; zie ook B. VAN ERMEn, Verjaring inzake directe belastingen en BTW, Larcier 2009, nr. 49, 32.
(6)DELANOTE M., “Invordering federale fiscale schulden”, Kluwer, Mechelen, 2022, 237; Cass. 19 januari 1967, AC 1967, 611. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971113.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150206.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160919.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div