id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 Rolnummer: F.23.0081.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën c. GOVERNMENT PENSION IN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 489 - laatst gezien 2026-06-16 02:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8 Fiche 1 De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen; aldus is deze wetsbepaling ook van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet in een verval- of verjaringstermijn voorziet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 2 Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit sluit de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, uit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De terugbetaling van niet-ingekohierde roerende voorheffing die ten onrechte in de Schatkist wordt gestort, maakt voor de Belgische Staat geen vaste uitgave uit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Tekst van de conclusie F.23.0081.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat in hoofde van de verweerster, hoewel ze recht had op een vrijstelling, ten onrechte roerende voorheffing werd ingehouden naar aanleiding van de uitkering van dividenden tijdens de jaren 1998, 1999 en 2007. De bezwaarschriften van 23 december 2004 en 6, 8, 9 en 23 augustus 2012 tot vermindering en teruggave van de roerende voorheffing werden afgewezen bij beslissing van 29 oktober 2015 wegens laattijdigheid, meer bepaald in toepassing van artikel 100, 1° van de Wetten op de Rijkscomptabiliteit (hierna ‘WRC’). De verweerster stelde een gerechtelijke procedure in tegen die beslissing. De eerste rechter (rechtbank Leuven) bevestigde het standpunt van de administratie dat de vordering tot teruggaaf verjaard is omdat de vijfjarige verjaringstermijn van art. 100, 1° en 2° WRC toepasselijk is vanaf het moment dat het onverschuldigd karakter van de schuld vaststaat, namelijk bij de storting van de roerende voorheffing die hier de aard heeft van een definitieve (niet verrekenbare) eindbelasting. In het bestreden arrest van 28 april 2023 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat niet artikel 100 WRC toepasselijk is voor de terugbetaling van belastingen maar wel de eigen fiscale regeling toepasselijk is, namelijk de bezwaarprocedure en dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift niet is beginnen lopen kan niet leiden tot een toepassing van de WRC. Bij gebreke aan een verjaringstermijn binnen het kader van de fiscale bezwaarprocedure oordeelt de appelrechter dat de tienjarige termijn voorzien in artikel 2262bis oud BW toepasselijk is. De eiser komt tegen die beslissing op met twee middelen Bespreking van de middelen. In het eerste middel voert de eiser in het bijzonder aan dat de appelrechter artikel 100, 1° WRC heeft geschonden door te oordelen dat deze bepaling niet toepasselijk is. De rechtsvraag naar de toepasselijkheid van de WRC ten aanzien van het verzoek tot teruggave van de roerende voorheffing kan enkel betrekking hebben op deze ingehouden vóór 1 januari 2011, namelijk vóór de inwerkingtreding van artikel 368 WIB92 dat daartoe in een verjaringstermijn voorziet. De visie van de appelrechter vindt steun in een kritische analyse van Sylvie DE RAEDT over de rechtspraak van het Hof, maar kan op grond van die vaste rechtspraak van het Hof niet worden gevolgd
(1). Het is reeds sinds het arrest van 31 maart 1955 dat het Hof aanneemt dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 100, 1° WRC geldt voor alle schuldvorderingen ten aanzien van de Staat tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen
(2). Het Hof heeft die rechtspraak nadien meermaals bevestigd
(3). De toepassing van de WRC op schuldvorderingen op de Staat lijkt zich te beperken tot de vragen of het al dan niet een vaste uitgave betreft en of al dan niet een afwijkende bijzondere regeling toepasselijk is. De ‘plicht tot overlegging’ zoals voorzien in artikel 100, eerste lid, 1°, WRC geldt in beginsel voor alle uitgaven die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken. Het staat niet ter discussie dat de hier beoogde teruggave van roerende voorheffing geen vaste uitgave betreft
(4). De vordering tot teruggave van de belasting dient te worden "overlegd" waardoor de vijfjarige verjaringstermijn voorzien in artikel 100, eerste lid, 1° Wet Rijkscomptabiliteit toepasselijk is. Wat betreft de vraag of de WRC toepasselijk is in fiscale aangelegenheden dient te worden nagegaan of met betrekking tot de specifieke vraag tot teruggave van de (door de appelrechter als een eindbelasting vastgestelde) voorheffing een verjaringstermijn is voorzien in de fiscale wetgeving. Uit de vermelding in de parlementaire voorbereiding van de WRC, waarop de appelrechter zich steunt, dat de "procedures inzake terugbetaling van directe en indirecte belastingen buiten het gebied van dit ontwerp vallen"
(5), besluit de appelrechter zonder meer dat “wat de verjaring in fiscale zaken betreft, dat deze bepaald worden door specifieke fiscale wetgeving”
(6). Daar waar de appelrechter aan deze vermelding in de voorbereidende werken een absoluut karakter verleent, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de uitsluiting van de toepassing van de WRC in fiscale zaken geldt in zoverre de fiscale wetgeving (werkelijk) een eigen verjaringstermijn bepaalt. De appelrechter verwijst vervolgens naar het arrest van het Hof van 9 juni 1995
(7). In dat arrest oordeelde het Hof dat de belastingplichtige voor zijn verzoek tot teruggave van ingehouden maar niet-ingekohierde bedrijfsvoorheffing toepassing kan maken van de bezwaarprocedure. De appelrechter leidt daaruit af dat de bezwaarprocedure de eigen (fiscale) procedure is tot terugbetaling van belastingen waarin de fiscale wetgeving voorziet waardoor (a fortiori) de WRC niet toepasselijk is. Die redenering doet de appelrechter ertoe besluiten dat gebreke aan een verjaringstermijn binnen het kader van de fiscale bezwaarprocedure de tienjarige termijn voorzien in artikel 2262bis oud BW toepasselijk is. Met betrekking tot die redenering merkt de eiser terecht op dat de appelrechter het bestaan van de bezwaarprocedure vermoedelijk verwart met het bestaan van verjaringstermijnen. Een bezwaar dient zich inderdaad conform het voormelde arrest van 9 juni 1995 aan als het middel van overlegging van het verzoek tot teruggave maar voorziet niet in een verjaringstermijn zoals de appelrechter nochtans terecht opmerkt. Het is precies ook enkel dit aspect dat de wetgever heeft geregeld in het sedert 1 januari 2011 toepasselijk artikel 368 WIB92, namelijk dat een verjaringstermijn voorziet een geen (nieuwe) procedure
(8). De vaststelling dat de fiscale wetgeving voorziet in een bezwaarprocedure kan aldus op zich niet worden aangemerkt als een eigen afwijkende fiscale verjaringsregeling. De redenering van de appelrechter dat de bezwaarprocedure een afwijkende fiscale verjaringsregel inhoudt waardoor de WRC is uitgesloten en artikel 226bis oud BW toepasselijk is, lijkt dan ook niet naar recht verantwoord. Het middel komt gegrond voor. Ook het tweede middel komt gegrond voor in zoverre het arrest zou hebben beslist dat ook na 1 januari 2011 de verjaringstermijn van 10 jaar overeenkomstig artikel 2226bis oud BW toepasselijk is, vermits vanaf dan artikel 368 WIB92 duidelijk bepaalt dat de verjaringstermijn vijf jaar is. Besluit: cassatie. _________________________________
(1)S. DE RAEDT, “Zin en onzin van het toepassen van de Wet Rijkscomptabiliteit in fiscale zaken”, TFR 2011/10, nr. 402, 450.
(2)Cass. 31 maart 1955, AC 1955, 656.
(3)Cass. 14 april 2003, AR C.00.0167.N, AC 2003, nr. 250, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7, RW 2003-04, afl. 12, p. 460, noot D. MERTENS, RABG 2003, p. 837, noot I. CLAEYS; zie ook Cass. 13 juni 2003, RW 2004-05, 384, noot S. VAN DER JEUGHT; Cass. 25 maart 2004, AR C.01.0597.N, AC 2004, nr. 167, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040325.7, TFR 2004, 851, noot D. JAECQUES, 56; J. VANDEN BRANDEN, “Verjaringstermijn Wet Rijkscomptabiliteit primeert nog op gemeenrechtelijke termijn”, Fisc.Act. 2010/38, 10; Cass. 10 september 2010, AR F.09.0063.N, AC 2010, nr. 510, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.3, Fisc.Koer. 2010/18, 680, noot F. JACOBS, FJF 2011/3, 225, NJW 2011/245, 461, noot S. DE RAEDT, RW 2011-12, afl. 30, 1334, noot B. VAN DEN BERGH, en TFR 2011/393, 44; Contra: Gent, 6 november 2018, AR 2017/AR/1312 en 2017/AR/1313, niet gepubliceerd, Antwerpen 22 januari 2008, TFR 2008, afl. 358, 274, noot J. VAN BESIEN; Cass. 4 juni 2021, AR F.20.0056.N, AC 2021, nr. 411, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.10.
(4)Artikel 68 van het koninklijk besluit houdende het reglement op de rijkscomptabiliteit (BS 19 december 1868, opgenomen onder de paragraaf 2 genaamd ‘vaste uitgaven’) bepaalt: “Onder van het visa van het Rekenhof vrijgestelde vaste uitgaven worden verstaan de wedden, ontvanglonen, vergoedingen, abonnementen, kantoor- en huurkosten, pensioenen, interesten van borgtochten en depositogelden waarvan het bedrag bij de wetten of door de bevoegde overheden wordt bepaald.”; zie ook Cass. 21 april 1994, AR C.93.0329.F, AC 1994, nr. 190, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940421.9, JLMB 1994, 1098, VANDENBOSSCHE J., “De wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën”, L'entreprise et le droit, 41, RW 1994-95, 536 met noot van I. CLAEYS, “De verjaring van buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de overheid: elke macht haar zegje”, RAGB 2003, 840.
(5)De wetgever verwijst hierbij uitdrukkelijk naar de artikelen 267, 272 en 277 (oud) WIB64, zie Parl. Besch. Kamer zitting 1966-67, Doc. 408/5, 3 e.v. Daaruit kan worden afgeleid dat in fiscale aangelegenheden waarvoor geen specifieke fiscale verjaringsregel bestaat, de wetgever de toepassing van de WRC niet heeft willen uitsluiten.
(6)Arrest, randnr. 8, p. 10.
(7)Cass. 9 juni 1995, AR F.93.0021.N, AC 1995, nr. 286, ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950609.13, D. GARABEDIAN, “La procédure de récupération des précomptes et versements anticipés”, JDF 1995, 193.
(8)F. SOETAERT en C. VANDEPITTE C., Voor teruggaafverzoeken m.b.t. 'oude' RV past fiscus dubbele verjaringstermijn uit artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit toe, Fisc. Act. 2024/8, 10; zie ook Parl. St. Kamer 2011-12, nr. 1952/4, 7-8; Fisc. Act. 2011/44, 5; Fisc. Act. 2009/23, 7 en Fisc. Act. 2010/38, 1. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940421.9 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950609.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040325.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div