← België

R. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.4 Rolnummer: C.22.0474.N Zaak: R. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-11-27 Raadplegingen: 477 - laatst gezien 2026-06-15 07:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.4 Fiches 1 - 2 De rechtscolleges dienen in procedures die op het kind betrekking hebben, zoals een procedure tot vernietiging van zijn afstamming, in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen; hoewel dit belang een eerste overweging vormt, heeft het evenwel geen absoluut karakter; de rechter dient, in het licht van alle juridische en feitelijke elementen van de zaak voor hem, een in concreto afweging te maken tussen de verschillende betrokken belangen, waarbij het belang van het kind een bijzondere plaats inneemt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag inzake de Rechten van het Kind aangenomen te New York op 20 november 1989 - 20-11-1989 - Art. 3.1 - 35 Link Justel databank 19891120-35 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag inzake de Rechten van het Kind aangenomen te New York op 20 november 1989 - 20-11-1989 - Art. 3.1 - 35 Link Justel databank 19891120-35 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 3 - 4 Een toetsing van het belang van het kind veronderstelt het in aanmerking nemen van het recht van het kind op identiteit, waaronder het recht om zowel zijn ouders te kennen als door hen te worden verzorgd; de vaststelling van de juridische afstammingsband kan helpen bij het waarborgen daarvan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag inzake de Rechten van het Kind aangenomen te New York op 20 november 1989 - 20-11-1989 - Art. 3.1 - 35 Link Justel databank 19891120-35 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag inzake de Rechten van het Kind aangenomen te New York op 20 november 1989 - 20-11-1989 - Art. 3.1 - 35 Link Justel databank 19891120-35 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 5 Uit het geheel van de artikelen 330/1, 330/3, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 3, eerste lid, Kinderrechtenverdrag en artikel 22bis, Grondwet volgt dat de rechter die zich over een vordering tot nietigverklaring van een erkenning op grond van de artikelen 330/1 en 330/3 Oud Burgerlijk Wetboek moet uitspreken, in het licht van alle juridische en feitelijke elementen, het belang van het kind in concreto moet afwegen ten opzichte van een complexe situatie waarin met de erkenning een doelstelling van verblijfsrechtelijke fraude zou worden nagestreefd; hij kan zich daarbij niet beperken tot het louter nagaan of bij de erkenner kennelijk de intentie ontbreekt om zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het kind op te nemen, maar dient tevens het belang van het kind om onder meer zijn beide ouders te kennen, in rekening te nemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAMMING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 330/1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 330/3, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Verdrag inzake de Rechten van het Kind aangenomen te New York op 20 november 1989 - 20-11-1989 - Art. 3, eerste lid - 35 Link Justel databank 19891120-35 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie C.22.0474.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseressen komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, gewezen op 24 mei
  1. Door de eisers wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft de vraag of in het kader van de beoordeling van de vordering tot nietigverklaring van de erkenning ingesteld door de procureur des Konings op basis van artikel 330/3 Oud Burgerlijk Wetboek de rechter enkel de toepassingsvoorwaarde van artikel 330/1 Oud Burgerlijk Wetboek moet toetsen of daarbij ook een volwaardige toets van het belang van het kind moet uitvoeren. Of eenvoudiger geformuleerd: kan een frauduleuze erkenning ook in het belang van het kind zijn? II. Eerste onderdeel. Tweede subonderdeel. In dit subonderdeel voeren de eisers aan dat de appelrechter de artikelen 22, 22bis Grondwet, de artikelen 3 en 7 van het Kinderrechtenverdrag, artikel 8 van het EVRM, de artikelen 2, 330/1, 330/3 en 1131 van het Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek heeft geschonden door te beslissen dat niet is aangetoond dat de nietigverklaring van de erkenning van het kind door eerste eiser in strijd is met het belang van het kind op grond van de overwegingen dat het manifest zo is dat de erkenner met de erkenning enkel en alleen een verblijfsrechtelijk voordeel op het oog had en hiermee geenszins beoogde om zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het kind op te nemen en verder dat uit geen enkel stuk blijkt dat eerste eiser een werkelijke, familiale en emotionele rol inneemt in het leven van het kind en door het kind zowel als door de buitenwereld beschouwd wordt als zijn vader, zonder hierbij acht te slaan op de belangen van het kind zelf. II.
  2. principes. In de doctrine zijn er uiteenlopende standpunten over de vraag of een fraudeleuze erkenning in het belang van het kind kan zijn. Sommigen verdedigen het standpunt dat een erkenning die kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel en waarbij de erkenner niet tot doel heeft een familierechtelijke band tot stand te brengen, per definitie niet in het belang van het kind is
(1). Anderen verdedigen volgens mij terecht de stelling die de Raad van State reeds heeft verdedigd, dat dit niet altijd het geval is en er altijd een belangenafweging dient te gebeuren waarbij het belang van kind de eerste overweging is, zeker wanneer er sprake is van biologisch vaderschap tussen de erkenner en het kind
(2). Wanneer er geen biologisch vaderschap is, stelt het probleem zich evident niet omdat in het geval de rechter vaststelt dat de erkenning wel degelijk gericht is op het tot stand brengen van een socio-affectieve en/of familierechtelijke band, er geen sprake kan zijn van een frauduleuze erkenning gelet op de definitie ervan in artikel 330/1 Oud Burgerlijk Wetboek. Evident is het ook zo dat een erkenning kan geweigerd worden in het belang van het kind zelfs wanneer er een biologisch vaderschap is in hoofde van de erkenner
(3). Ik ben dan ook van oordeel dat het subonderdeel gegrond is. De wet van 19 september 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning (verder De wet van 19 september 2017) heeft tot doel frauduleuze erkenningen tegen te gaan
(4). Deze wet voerde onder meer de artikelen 330/1 tot 330/3 Oud Burgerlijk Wetboek in. In artikel 330/1 Oud Burgerlijk Wetboek wordt omschreven wat er onder een frauduleuze erkenning moet worden begrepen nl. “Er is, ingeval van aangifte van erkenning, geen afstammingsband tussen het kind en de erkenner wanneer uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner, kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband”. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier benadrukte reeds met verwijzing naar het advies van de Raad van State bij het wetsontwerp dat met deze bepaling niet de afwezigheid van een biologische band wordt gehekeld maar wel “de gevallen waarbij een afstammingsband wordt vastgesteld met de bedoeling om de wetgeving inzake de controle op de immigratie te omzeilen”
(5). Artikel 330/3, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de procureur des Konings in het geval van 330/1 Oud Burgerlijk Wetboek de nietigheid van de erkenning vordert. Dit houdt een verplichting in voor de procureur des Konings
(6). Artikel 330/2, eerste tot en met vierde lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt wat de ambtenaar van de burgerlijke stand moet doen wanneer hij geconfronteerd wordt met een frauduleuze erkenning. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert om de akte van erkenning om die reden op te stellen, dan beschikt de erkenner over de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing overeenkomstig artikel 330/2, zevende lid Oud Burgerlijk Wetboek bij de familierechtbank. De familierechtbank bepaalt volgens artikel 330/2, negende lid Oud Burgerlijk Wetboek in het kader van deze procedure of het gaat om een frauduleuze erkenning en houdt daarbij rekening met de aanwezige belangen waarbij het belang van het kind de eerste overweging is. Deze laatste procedure werd ingevoegd door de Wet van 31 juli 2020
(7)als gevolg van het arrest nr. 58/2020 van het Grondwettelijk Hof
(8). Artikel 3.1. van het Kinderrechtenverdrag
(9)en artikel 22bis, vierde lid Grondwet vereisen dat het belang van het kind de eerste overweging vormt bij elke beslissing die het kind aangaat. Artikel 7.1. van het Kinderrechtenverdrag
(10)bepaalt onder meer dat het kind het recht heeft om zijn ouders te kennen en door hen te worden opgevoed. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en van het EHRM volgen belangrijke richtlijnen voor het in overweging nemen van het belang van het kind bij procedures die betrekking hebben op het vaststellen of betwisten van de afstamming van het kind: - Zowel artikel 22bis, vierde lid Grondwet als artikel 3, lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten alle instellingen die maatregelen nemen betreffende kinderen om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben
(11). - Ook rechtscolleges moeten in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben, zoals in dossiers met betrekking tot het vaststellen van de afstamming
(12). - Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen neemt het belang van het kind echter een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie
(13). - Bij procedures met betrekking tot het vaststellen of het betwisten van de afstamming dient het belang van het kind de eerste overweging te vormen en naar gelang de aard en de ernst van het belang van het kind kan het voorrang hebben op dat van de ouders
(14). - De erkenning en de nietigverklaring van een afstammingsband raakt rechtstreeks de identiteit van de persoon van wie de verwantschap in het geding is
(15)en er is een diepgaande belangenafweging noodzakelijk
(16). De rechter vorm het onafhankelijke en onpartijdige orgaan dat over onderzoeksbevoegdheden beschikt en dat bijgevolg in staat is te beschikken over alle feitelijke en juridische elementen die het mogelijk maken rekening te houden met het belang van het kind ten opzichte van een complexe situatie waarin met de erkenning een doelstelling van verblijfsrechtelijke fraude zou worden nagestreefd
(17). - De beroepsprocedure tegen de weigeringsbeslissing tot erkenning van het kind van de ambtenaar van de burgerlijke stand moet de rechter de mogelijkheid bieden over een beroep met volle rechtsmacht te beschikken en uitspraak te doen waarbij de verschillende op het spel staande belangen tegen elkaar worden afgewogen en waarbij het belang van het kind de eerste overweging is
(18). In het arrest nr. 12/2023 van het Grondwettelijk Hof werd (onder meer) geoordeeld dat omwille van het belang van het kind de gevolgen van de vernietiging van een frauduleuze erkenning voor de nationaliteit van het kind door een rechter moeten kunnen worden beperkt door te beslissen dat de minderjarige de Belgische nationaliteit mag behouden
(19). Ondertussen werd onder meer een artikel 334quater Oud Burgerlijk Wetboek ingevoerd om aan de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen
(20). Ook bij deze beoordeling zal de rechter volgens de wetgever geval per geval moeten oordelen over de individuele situatie van de minderjarige, de gevolgen van de intrekking van de Belgische nationaliteit en van de rechten die daaruit voortvloeien, inzonderheid op het gebied van het verblijfsrecht, en moet hij daarbij rekening houden met het belang van het kind en het risico op staatloosheid
(21). Ook bij het beoordelen van een vordering tot nietigverklaring uitgaande van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 330/3 Oud Burgerlijk wetboek moet de rechter volgens mij, net zoals hij daartoe uitdrukkelijk toe verplicht is op basis van artikel 330/2, negende lid Oud Burgerlijk Wetboek bij een beroep van de erkenner tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van erkenning op te maken, rekening houden met alle belangen bij zijn oordeel of het al dan niet gaat om een frauduleuze erkenning en moet het belang van het kind daarbij de eerste overweging vormen. Het valt immers onmogelijk in te zien waarom de familierechtbank dit niet zou moeten doen bij het beoordelen van een vordering tot nietigverklaring van een frauduleuze erkenning en wel moet doen bij het beoordelen van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand omwille van het frauduleus karakter van de erkenning. De rechter moet hierbij rekening houden met alle juridische en feitelijke elementen en desnoods daartoe gebruik maken van zijn onderzoeksbevoegdheden. Hij moet het belang van het kind in concreto aftoetsen ten opzichte van een complexe situatie waarin met de erkenning een doelstelling van verblijfsrechtelijke fraude zou worden nagestreefd. Deze in concreto-belangenafweging is ten andere een constante vereiste die het Grondwettelijk Hof oplegt aan de wetgever en de rechter in afstammingszaken
(22). De familierechter moet volgens mij bij een vordering tot nietigverklaring zoals bedoeld in artikel 330/3 Oud Burgerlijk Wetboek waarbij er biologisch vaderschap is, steeds nagaan of door de erkenning een verblijfsrechtelijk voordeel werd bekomen. Er kan in het kader van deze procedure een DNA-onderzoek overeenkomstig artikel 331octies Oud Burgerlijk Wetboek worden bevolen teneinde wetenschappelijke zekerheid over het biologische vaderschap van de erkenner te verkrijgen maar dit is niet noodzakelijk
(23). Indien er geen verblijfsrechtelijk voordeel werd bekomen, kan er nooit sprake zijn van een frauduleuze erkenning. Indien dit wel het geval is, moet de familierechter de intentie in hoofde van de erkenner nagaan. Wanneer die intentie enkel bestond uit het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel voor zichzelf, het kind of degene die zijn toestemming moet verlenen, dan was de erkenning er niet op gericht om een socio-affectieve band/gezinsleven/familierechtelijke band tot stand te brengen tussen de erkenner en het kind. Op dat ogenblik moet de familierechter rekening houden met het belang van het kind en is het mogelijk dat ondanks de frauduleuze intentie van de erkenner de erkenning toch in het belang is van het kind. Artikel 22bis Grondwet en artikel 3.
  1. en 7.
  2. van het Kinderrechtenverdrag vereisen een afzonderlijke toetsing in concreto van het belang van het kind. Bij deze concrete belangenafweging moet volgens mij minstens: - het recht van het kind op identiteit, waaronder het recht om zowel zijn ouders te kennen als door hen te worden verzorgd (de vaststelling van de juridische afstammingsband kan daarbij een waarborg zijn), - de vermogensrechtelijke belangen van het kind bij een erkenning zoals de ouderlijke verplichting tot het betalen van een onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen
(24)en erfrechtelijke belangen van het kind en - het gevolg van de nietigverklaring van de erkenning voor de verblijfsrechtelijke toestand van de minderjarige worden betrokken. De noodzaak van deze belangenafweging in concreto blijkt ten andere ook uit de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 19 september 2017 waarbij de minister van Justitie verklaarde dat de ontworpen regelingen en de bestaande wetgeving het belang van het kind als leidend principe huldigen en dat er steeds een concrete toetsing in het licht van het belang van het kind moet gebeuren en dat in geval van een frauduleuze erkenning de vaststelling van de afstammingsband niet noodzakelijk in het belang van het kind is
(25). II.2. toepassing van de principes in deze zaak. Uit de motivering vermeld op pagina 13 en 14 (randnummer ii.13.) van het bestreden arrest blijkt dat de appelrechter de toetsing van het belang van het kind beperkt tot het nagaan van de kennelijke intentie van de eerste eiser om uitsluitend een verblijfrechtelijk voordeel te bezorgen aan de moeder van het kind en aan zijn gebrek aan intentie om ouderlijke verantwoordelijkheid op te nemen een familierechtelijke band tot stand te brengen. De appelrechter laat na om het belang van het kind zelf bij zijn oordeel te betrekken en verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het subonderdeel is gegrond. De voorgestelde prejudiciële vragen dienen gelet op de gegrondheid van het tweede subonderdeel niet gesteld te worden. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie. __________________________________
(1)P. SENAEVE, “De bestrijding van frauduleuze erkenningen. Commentaar bij de wet van 19 september 2017. Deel I. Civielrechtelijke aspecten”, T.Fam. 2018, 112, randnr. 69; P. SENAEVE, “Wijzigingen en reparaties in het personen- en familierecht. Commentaar bij de wet van 31 juli 2020 (Wet Potpourri XI), T.Fam. 2020, 238, randnr. 62; P. SENAEVE, “Commentaar bij artikel 330/2 oud BW”, 22-23, randnr. 52; G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, die Keure 2021, 67.
(2)Adv. RvS nr. 60.382/2 van 9 januari 2017, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2529/001, 61-67; V. SAINT-GHISLAIN, “De quelques nouveautés et éclairages pratiques en matière de relations de complaisance”, JT 2023, 82; L. VAN DRIESSCHE, “Het ene gezin is het andere niet: het verschil tussen afwegen en verzoenen van belangen”, TBBR 2021, 28, 34-38, randnrs. 16, 30, 37-45; N. GALLUS, “Reconnaissance de filiation frauduleuse”, Act.dr.fam. 2018, 101; J. VERHELLEN en S. DEN HAESE, “De wet frauduleuze erkenningen – Nieuw hoofdstuk in de strijd tegen het gebruik van het familierecht voor verblijfsrechtelijke doeleinden”, RW 2018-19, 1694, randnr. 53; F. BOURTON, “Lutte contre les reconnaissances frauduleuses: et l’intérêt de l’enfant dans tout ça?”, JDJ 2017, nr. 369, 39-40; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht (achtste, herziene uitgave), Brussel, Intersentia 2023, 504, nr. 737.
(3)EHRM 5 november 2022, nr. 33711/96, Youssef t. Nederland.
(4)BS 4 oktober 2017.
(5)Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0290.N, AC 2022, nr. 187, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.5. met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER (ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220310.1N.5); T.Fam. 2022/10, 279 met noot P. SENAEVE; Adv. RvS nr. 60.382/2 van 9 januari 2017, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2529/001, 61.
(6)Verslag bij het Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning en bij Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van het Strafwetboek wat het tegengaan van schijnerkenningen betreft, Parl.St. Kamer, 2016-17, 54-2529/003, 8; P. SENAEVE, “De bestrijding van frauduleuze erkenningen. Commentaar bij de wet van 19 september 2017. Deel I. Civielrechtelijke aspecten”, T.Fam. 2018, 119, randnr. 104; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht (achtste, herziene uitgave), Brussel, Intersentia 2023, 504.
(7)Wet van 31 juli 2020 houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie, BS 7 augustus 2020.
(8)Gwh, 7mei 2020, nr. 58/2020; Act.dr.fam. 2020, 159, met noot M. GHARBI; JT 2020, 505 met noot F. REUSENS; TBBR 2021, 17 met noot L. VAN DRIESSCHE; TJK 2020, 164 met noot H. RIAD.
(9)Artikel 3.1 Kinderrechtenverdrag heeft volgens uw vaste rechtspraak geen directe werking en kan niet fungeren als bron van subjectieve rechten en verplichtingen in hoofde van privépersonen (vb. Cass. 26 januari 2024, AR C.21.0470.F, Pas. 2024, nr. 75 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240126.1F.3; Cass. 2 maart 2012, AR C.10.0685.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130927.1, AC 2012, nr. 145, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120302.4.).
(10)Artikel 7.1. heeft eveneens geen directe werking volgens Uw rechtspraak (vb. Cass. 11 juni 2010, AR C.09.0236.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120203.3, AC 2010, nr. 420, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.4).
(11)Gwh 7 mei 2020, nr. 58/2020, overw. B.13.1.
(12)GwH 7 maart 2013, nr. 30/2013, overw. B.5.3. en B.9.
(13)Gwh 7 mei 2020, nr. 58/2020, overw. B.13.2.; GwH 7 maart 2013, nr. 30/2013, overw. B.10.
(14)Gwh 7mei 2020, nr. 58/2020, overw. B.14.1.; EHRM 22 maart 2022, nr. 45071, Ahrens t. Duitsland, § 63.
(15)Gwh 7 mei 2020 nr. 58/2020, overw. B20.2; EHRM 28 november 1984, 8777/79, Rasmussen t. Denemarken, § 33.
(16)Gwh 7 mei 2020 nr. 58/2020, overw. B20.2; EHRM 13 juli 2006, nr. 58757/00, Jäggi t. Zwitserland, § 47.
(17)Gwh 7mei 2020, nr. 58/2020, overw. B.20.3.
(18)Gwh 7 mei 2020 nr. 58/2020, overw. B28.2.
(19)Gwh 19 januari 2023, nr. 12/2023; NjW 2023, 746 met noot R. VASSEUR; TJK 2023, 268 met noot J. CALLEWAERT en A. NACHTERGAELE.
(20)Art. 165 van de Wet van 27 maart 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis, BS 29 maart 2024.
(21)Mvt. bij het wetsontwerp houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis, Parl.St. Kamer, 2023-24, 55-3728/001, p. 175.
(22)Zie hieromtrent uitvoerig F. SWENNEN, “Wat is ouderschap?”, TPR 2016, 28-36; J. VAN DEN SANDE, “Naar een hervormd vaderschapsrecht”, TPR 2022, 935-936, 960-982.
(23)V. SAINT-GHISLAIN, “De quelques nouveautés et éclairages pratiques en matière de relations de complaisance”, JT 2023, 82.
(24)Zie Mvt bij het Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning en bij Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van het Strafwetboek wat het tegengaan van schijnerkenningen betreft, Parl.St. Kamer, 2016-17, 54-2529/001, 24.
(25)Verslag bij het Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning en bij Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van het Strafwetboek wat het tegengaan van schijnerkenningen betreft, Parl.St. Kamer, 2016-17, 54-2529/003, 7. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120203.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120302.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130927.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220310.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240126.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.