← België

DAMA nv contra BELGISCHE STAAT FOD JUSTITIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 Rolnummer: C.23.0501.N Zaak: DAMA nv contra BELGISCHE STAAT FOD JUSTITIE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-11-27 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-06-18 15:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.7 Fiche 1 De rechtbank van eerste aanleg gaat na of de beslissing van de Kansspelcommissie tot het opleggen van een administratieve geldboete in feite en in rechte verantwoord is, waarbij de rechtbank de bewijswaarde van de door de partijen ingeroepen elementen tot staving van hun voor de rechtbank gevoerde verweer anders kan beoordelen dan de Kansspelcommissie

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15/7, § 1 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Fiches 2 - 3 De Kansspelwet bepaalt geen termijn waarbinnen een afschrift van het proces-verbaal moet worden toegezonden aan de betrokkene en waarvan de niet-naleving tot gevolg heeft dat het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest; Niettemin kan een laattijdige toezending tot gevolg hebben dat het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest indien daardoor het recht van verdediging van de betrokkene wordt miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15, § 2, tweede en derde lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15, § 2, tweede en derde lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Fiche 4 Uit het enkele feit dat een afschrift van het proces-verbaal pas aan de betrokkene wordt overgezonden nadat de Kansspelcommissie de procedure tegen hem heeft opgestart, volgt niet automatisch een miskenning van zijn recht van verdediging; de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of het recht van verdediging van de betrokkene daardoor daadwerkelijk is miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15, § 2, tweede en derde lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Fiche 5 Bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk mag de Kanspelcommissie, en in beroep de rechtbank, onder meer rekening houden met de winst die de inbreuk heeft opgeleverd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15/3, § 2 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Tekst van de conclusie C.23.0501.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiser komt op tegen het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel, gewezen op 26 juni
  1. Door de eiseres worden er twee middelen aangevoerd. I. Eerste middel. I.
  2. Eerste onderdeel. I.1.
  3. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft de vraag of de rechtbank die kennisneemt van het beroep ingesteld tegen een beslissing van de Kansspelcommissie om een administratieve boete op te leggen, de bewijswaarde van het proces-verbaal dat aan de basis ligt van de administratiefrechtelijke vervolging nog (anders) kan beoordelen wanneer de Kansspelcommissie heeft geoordeeld dat het proces-verbaal zijn bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel heeft verloren. I.1.
  4. Principes en beoordeling. In het eerste onderdeel verwijt eiseres de rechter de artikelen 15, § 2, en 15/7, §§ 1 en 4, Kansspelwet
(1), het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging en voor zoveel als nodig artikel 1054 Gerechtelijk Wetboek te hebben geschonden door te oordelen in tegenstelling met wat de Kansspelcommissie had beslist, dat het proces-verbaal BR58.000017/20 dat aan de basis ligt van de administratieve vervolging, zijn bijzondere bewijswaarde, nl. tot bewijs van het tegendeel, niet verloren heeft terwijl het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Kansspelcommissie slechts binnen de perken van het beroep ingesteld door de betrokkene niet tot gevolg kan hebben dat een voor deze persoon gunstige deelbeslissing, waartegen geen beroep mogelijk is door de Belgische Staat, teniet zou worden gedaan of hervormd door de rechtbank die kennisneemt van dit beroep. Art. 15/7 Kansspelwet bepaalt het volgende: “§
  1. De betrokkene die de beslissing waarbij door de commissie een administratieve geldboete wordt opgelegd, betwist, kan binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de commissie, door middel van een verzoekschrift, beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats of maatschappelijke zetel, die zetelt met volle rechtsmacht. §
  2. Het beroep schorst de uitwerking van de beslissing van de commissie. §
  3. Tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg is alleen een voorziening in cassatie mogelijk. §
  4. Onverminderd hetgeen bepaald is in de vorige paragrafen, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de rechtbank van eerste aanleg”. Vooreerst kan worden opgemerkt dat artikel 1054 Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het incidenteel hoger beroep niet van toepassing is op het beroep ingesteld op basis van artikel 15/7, § 1, Kansspelwet. In artikel 15/7, § 1, Kansspelwet gaat het om een beroep tegen een beslissing van een overheidsorgaan, een onafhankelijke administratieve overheid, om een geldelijke sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM op te leggen. Het betreft niet een hoger beroep tegen een beslissing van een rechterlijke instantie. Incidenteel hoger beroep is dan ook niet mogelijk te meer daar artikel 15/7, § 1, Kansspelwet enkel een beroep mogelijk maakt door de betrokkene aan wie de administratieve boete wordt opgelegd en niet door de Belgische Staat als verwerende partij. De verwijzing in artikel 15/7, § 4, Kansspelwet naar de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die van toepassing zijn op het beroep bij de rechtbank van eerste aanleg betreft dan ook voornamelijk in eerste instantie de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld nl. bij wijze van verzoekschrift op tegenspraak zoals bedoeld in artikel 1034bis e.v. Gerechtelijk Wetboek, het beroep moet gericht zijn tegen de Belgische Staat en niet tegen de Kansspelcommissie omdat deze geen rechtspersoonlijkheid heeft
(2)en het verloop van het geding bij de rechtbank van eerste aanleg. De strafrechtelijke aard van de administratieve boete in de zin van artikel 6 EVRM opgelegd door de Kansspelcommissie, die geen rechterlijke instantie is in de zin van artikel 6.1. EVRM, vereist dat de wet aan de betrokkene ten laste van wie de administratieve boete werd opgelegd over de mogelijkheid beschikt om een nieuwe beoordeling te vragen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die beschikt over volle rechtsmacht. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat dergelijke rechterlijke instantie over de macht moet beschikken om alle aspecten in feite en in rechte vastgesteld in de administratieve beslissing te vernietigen
(3). Dit is wat begrepen moet worden onder het begrip volle rechtsmacht waarvan sprake in artikel 15/7, § 1, Kansspelwet. Het begrip “volle rechtsmacht” is echter een vlag die vele ladingen dekt
(4). De parlementaire voorbereiding bij de Wet van 10 januari 2010 die de mogelijkheid tot het opleggen van administratieve boetes invoerde in de Kansspelwet, bevat geen enkele indicatie van wat de wetgever hiermee precies voor ogen had en dus ook geen verduidelijking over wat de rechtbank van eerste aanleg precies uitspraak moet doen
(5). De toelichting bij het goedgekeurde amendement dat aan de basis lag van deze bepaling vermeldt enkel dat het wil verduidelijken dat de rechtbank van eerste aanleg zetelt met volle rechtsmacht, wanneer de betrokkene een beslissing, waarbij de Kansspelcommissie een administratieve geldboete oplegt, betwist
(6). Wat betreft de vraag of de rechtbank van eerste aanleg gebonden is door de beoordeling van de Kansspelcommissie van de bewijswaarde van het opgestelde proces-verbaal zal men zich dan ook moeten laten leiden door Uw rechtspraak in zake volle rechtsmacht voor rechtscolleges die uitspraak doen over een beroep gericht tegen een administratieve geldboete in andere materies dan die van de Kansspelwetgeving en door de algemene principes van het strafrecht (door de kwalificatie van de administratieve boete als strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6.1. EVRM) en vooral van het gemeen burgerlijk procesrecht (door de verwijzing in artikel 15/7, § 1, Kansspelwet naar de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek). Uit Uw rechtspraak in verband met het begrip “volle rechtsmacht” met betrekking tot het beroep tegen een administratieve geldboete volgt dat alles wat onder de controle van de instantie die de administratieve boete oplegde valt, ook onder de controlebevoegdheid valt van de rechter die kennisneemt van het beroep tegen de administratieve boete
(7). De bewijswaarde van een proces-verbaal is iets wat moet beoordeeld worden door de Kansspelcommissie zodat ook de rechtbank van eerste aanleg die kennis neemt van het beroep tegen de beslissing van de Kansspelcommissie om een administratieve geldboete op te leggen, eveneens over deze bevoegdheid beschikt. In het strafrecht bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de toestand van een vervolgd persoon niet zou mogen worden verzwaard op zijn hoger beroep alleen
(8). De straf zelf mag echter op hoger beroep van de beklaagde alleen niet worden verzwaard omdat het hoger beroep van de beklaagde de zaak bij de hogere rechter slechts aanhangig maakt binnen de grenzen van het belang van de beklaagde
(9). Dit principe geldt ook in het bestuursstrafrecht
(10). Een beslissing over de bewijswaarde van een proces-verbaal valt evident niet onder het begrip straf en de appelrechter bij wie een grief over de schuld aanhangig werd gemaakt moet in ieder geval vaststellen dat een bewijsgegeven door een nietigheid is aangetast. Dit vloeit immers automatisch voort uit de grief over de schuld, waaraan de regelmatigheid van het bewijs en de bewijsvoering in beginsel onafscheidelijk is gekoppeld
(11). Ook in dit dossier komt de eiseres op tegen de bewezenverklaring van de feiten door de Kansspelcommissie, zodat de rechter in de beroepsprocedure de regelmatigheid van het bewijs en de bewijsvoering dient na te gaan. Ook dit is volgens mij een principe dat geldt in het bestuursstrafrecht. Ook op basis van het gemeen burgerlijk procesrecht komt men tot dezelfde conclusie. Artikel 15/7, § 1, Kansspelwet heeft het over beroep en niet over hoger beroep. Het gaat bovendien niet om een hoger beroep in de zin van artikel 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek waarbij wordt opgekomen tegen een beslissing van een rechterlijke instantie. In het kader van de Voetbalwet oordeelde het Hof reeds dat de artikelen 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn op het hoger beroep dat wordt ingesteld bij de politierechtbank tegen de beslissing van de ambtenaar bedoeld in artikel 26, § 1, eerste lid, Voetbalwet
(12). In het kader van de Wet Gemeentelijke Administratieve sancties en de Voetbalwet oordeelde het Hof dat regels inzake eerste aanleg van toepassing zijn en niet de regels inzake hoger beroep
(13). De regels van de devolutieve werking zoals die voortvloeien uit artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek zijn dan ook niet van toepassing op het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Kansspelcommissie om een administratieve boete op te leggen. Op grond van het beschikkingsbeginsel bepalen de partijen de omvang en de grenzen van het geschil. Er kan hierbij geen uitspraak worden gedaan over niet-gevorderde zaken
(14). De rechter die in het kader van het beroep tegen de beslissing van de kansspelcommissie om een administratieve boete op te leggen uitspraak doet over de betwisting tussen de partijen over de bewijswaarde van een proces-verbaal, doet geen uitspraak over niet-gevorderde zaken, zelfs niet wanneer de Kansspelcommissie een ander oordeel maakte over de bewijswaarde van dat proces-verbaal. De beslissing van de rechter onder punt 4.
  1. van het bestreden vonnis schendt dan ook geen van de in het onderdeel als geschonden aangewezen wetsbepalingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. I.
  2. Tweede onderdeel. I.2.
  3. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft de vraag wat het gevolg is voor de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal dat inbreuken vaststelt op de Kansspelwet wanneer het afschrift van dat proces-verbaal pas werd overgezonden naar de vermoedelijke overtreder op het ogenblik dat de procedure tot het opleggen van een administratieve boete door de Kanspelcommissie reeds werd opgestart. Eenvoudiger gesteld: Is er automatisch verlies van de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal wanneer de vermoedelijke overtreder pas een afschrift ervan ontvangt wanneer de administratieve procedure is opgestart? I.2.
  4. Principes en beoordeling. In dit onderdeel verwijt eiseres de rechter artikel 15, § 2, Kansspelwet en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging te hebben geschonden door te oordelen dat het proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel terwijl er geen afschrift van het proces-verbaal werd toegezonden aan eisers vooraleer de procedure tot het opleggen van een administratieve boete werd opgestart, en dit automatisch tot gevolg heeft dat het proces-verbaal zijn bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel verliest omdat daardoor het recht van verdediging van de betrokkene wordt miskend. Artikel 15, § 2, Kansspelwet bepaalt: “De politieambtenaar of de in § 1 bedoelde met het onderzoek belaste ambtenaren die een inbreuk vaststellen op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, zenden het origineel van het proces-verbaal over aan het bevoegde parket. Een afschrift van het betreffende proces-verbaal wordt overgezonden aan de commissie evenals aan de persoon die een inbreuk heeft gepleegd op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, met uitdrukkelijke vermelding van de datum waarop het origineel werd toegestuurd of ter hand werd gesteld aan de procureur des Konings. Het proces-verbaal dat door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren werd opgesteld inzake inbreuken op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Wanneer de commissie kennis heeft van een inbreuk op de toepassing en naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, mag zij eisen dat de politiediensten en administratieve diensten van de Staat, haar alle bijkomende inlichtingen die zij voor de vervulling van haar opdracht nodig acht, meedelen binnen de door haar bepaalde termijn op voorwaarde dat die diensten daarvoor vooraf de toestemming van de procureur des Konings hebben verkregen”. De verplichting om een afschrift van het proces-verbaal aan de Kansspelcommissie en aan de betrokkene over te zenden werd eveneens ingevoerd door de Wet van 10 januari
  5. Voor deze wetswijziging bepaalde artikel 15, § 2, Kansspelwet reeds dat de inbreuken worden vastgesteld door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben tot het tegendeel bewezen is. De bedoeling met de verplichting om een afschrift van het proces-verbaal op te sturen kadert volgens de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 10 januari 2010 in een verplichte doorstroming van informatie omdat werd vastgesteld dat sommige controles op de kansspelen en kansspelinrichtingen uitgevoerd werden door de verbalisanten zonder dat zij hiervan de Kansspelcommissie dienden in te lichten waardoor sommige beslissingen door de Kansspelcommissie werden genomen zonder kennis van de volledige achtergrond van een vergunninghouder
(15). Artikel 15, § 2, Kansspelwet bepaalt dus geen termijn binnen de welke een afschrift van het proces-verbaal moet worden overgemaakt aan de Kansspelcommissie en de overtreder. Deze verplichting is ook niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Er is geen expliciete sanctie voor de schending van dit vormvoorschrift bepaalt. Dit is logisch gelet op de bedoeling van de wetgever met deze bepaling. Hierdoor valt men volgens mij terug op de algemene regels in verband met de bewijswaarde van een proces-verbaal waarvan de vaststellingen door bevoegde personen gelden tot het bewijs van het tegendeel. Een proces-verbaal heeft in de regel geen bijzondere bewijswaarde. In beginsel beoordeelt de rechter volkomen vrij, d.i. op onaantastbare wijze, (in feite) de bewijswaarde die hij aan een bepaald bewijselement toekent. Dit geldt ook voor de processen-verbaal. Zij hebben in beginsel slechts de waarde van een gewone inlichting
(16). De wetgever heeft echter wettelijke bepalingen ingevoerd die een bijzondere bewijswaarde geven aan bepaalde processen-verbaal waardoor de vrije beoordeling door de rechter niet meer geldt. De basisbepaling voor dergelijke processen-verbaal betreft artikel 154 Wetboek van Strafvordering. Artikel 154 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De overtredingen worden bewezen hetzij door processen-verbaal of verslagen, hetzij door getuigen bij ontstentenis van verslagen en processen-verbaal of tot staving ervan. Niemand wordt op straffe van nietigheid, toegelaten om door getuigen bewijs te leveren boven of tegen de inhoud van de processen-verbaal of verslagen van de officieren van politie aan wie de wet bevoegdheid verleent om wanbedrijven of overtredingen vast te stellen zolang er geen betichting van valsheid is. De processen-verbaal en verslagen daarentegen, opgemaakt door agenten, aangestelden of officieren aan wie de wet niet het recht verleent om geloofd te worden zolang er geen betichting van valsheid is, kunnen bestreden worden met tegenbewijzen, hetzij door geschrift, hetzij door getuigen, indien de rechtbank het geraden oordeelt ze toe te laten”. Overeenkomstig artikel 189 Wetboek van Strafvordering geldt artikel 154 Wetboek van Strafvordering ook voor het bewijs van wanbedrijven. Er bestaan dus drie soorten processen-verbaal: processen-verbaal die voor de rechter de waarde hebben van een inlichting (wat de regel is), processen-verbaal die een bewijswaarde bezitten tot bewijs van het tegendeel en processen-verbaal die bekleed zijn met een bewijswaarde tot inschrijving wegens valsheid
(17). Wanneer er, zoals in artikel 15, § 2, Kansspelwet, is bepaald dat een proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel geldt, dan is de rechter verplicht de vaststellingen en bevestigingen van de opsteller van het proces-verbaal voor waar aan te nemen tenzij het tegenovergestelde bewezen wordt
(18). Hij kan dan niet de inhoud van het proces-verbaal naast zich neerleggen, het eenvoudig tegenspreken of in twijfel trekken. Het tegenbewijs moet geleverd zijn. De bewijslast wordt dan verlegd van het Openbaar Ministerie naar de beklaagde
(19). In het onderdeel wordt enkel aangevoerd dat het overzenden van het afschrift van het proces-verbaal naar de overtreder nadat de procedure bij de Kansspelcommissie reeds werd aangevat, automatisch leidt tot het verlies van de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal omdat het recht van verdediging werd geschonden. De andere toepassingsvoorwaarden opdat een proces-verbaal bekleed is met een bijzondere bewijswaarde worden niet bekritiseerd door het onderdeel (nl. het moet gaan om wanbedrijven of overtredingen (wat betreft de misdaden gelden de processen-verbaal steeds als inlichting), het aanwijzings- en specialiteitsbeginsel (werd het proces-verbaal opgesteld door een door de wet aangeduide vaststeller nl. door een personeelslid van het secretariaat van de Kansspelcommissie die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bezitten), het proces-verbaal werd tijdig opgesteld en ondertekend door de opsteller, het proces-verbaal werd tijdig overgemaakt aan de procureur des Konings en aan de Kansspelcommissie, enz.). Enkel wanneer de wet een bijzondere termijn voorschrijft binnen de welke het proces-verbaal moet worden overgemaakt aan de overtreder, en deze termijn niet werd gerespecteerd, zal dit tot gevolg hebben dat de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal verdwijnt en nog slechts zal gelden als inlichting (de normale bewijswaarde van een proces-verbaal)
(20). Nu de Kansspelwet geen dergelijke termijn voor het overmaken van een afschrift aan de overtreder bepaalt, zal in de regel het verzuim om het afschrift over te maken aan de overtreder geen invloed hebben op de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal. Het zou trouwens geenszins aansluiten op de hoger omschreven bedoeling van de wetgever met het invoeren van deze bepaling in artikel 15 Kansspelwet, mocht de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal verdwijnen. Voor de processen-verbaal opgesteld op basis van artikel 15, § 2, Kansspelwet geldt dus hetzelfde als voor de processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel, opgesteld op basis van artikel 154 Wetboek van Strafvordering nl. enkel wanneer het recht van verdediging is geschonden door het niet opsturen van het afschrift van het proces-verbaal, verdwijnt de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal. Het onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen. II. Tweede middel. (…) II.2. Derde onderdeel. In dit onderdeel verwijt de eiseres de hierboven in het eerste en tweede onderdeel vermelde wetsbepalingen te hebben geschonden alsook de artikelen 42 tot en met 43quater Strafwetboek te hebben geschonden door bij het bepalen van de hoogte van de administratieve boete rekening te houden met de winsten die de inbreuk oplevert, wat neerkomt op een verkapte of oneigenlijke verbeurdverklaring van de winsten waartoe de Kansspelcommissie en de rechtbank niet bevoegd is. Artikel 15/3, § 2, laatste zin, Kansspelwet bepaalt: “De omvang van de administratieve geldboete is evenredig ten aanzien van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en eventuele herhaling.” De rechtbank overweegt dat aangezien eiseres zich gedurende ruim elf maanden in België schuldig heeft gemaakt aan de illegale exploitatie van twee websites, wat inderdaad een ernstige inbreuk betreft, haar ongetwijfeld aanzienlijk winsten heeft opgeleverd en Belgische gokkers en potentiële gokverslaafden in gevaar heeft gebracht, zij een administratieve boete van 20.000 euro (opdeciemen inbegrepen) in casu gepast acht. In tegenstelling met was de eiseres voorhoudt, kan de winst die de inbreuken haar hebben opgeleverd weldegelijk worden beschouwd als een indicatie van de ernst van deze inbreuken (of bij gebrek aan winst, een indicatie van geringere ernst). Dit komt geenszins neer op een verkapte of oneigenlijke verbeurdverklaring. De rechtbank overweegt geenszins dat ze door het opleggen van de administratie boete de onterechte winsten als gevolg van de gepleegde inbreuken wenst te recupereren. Het onderdeel faalt naar recht omdat het uitgaat van een andere rechtsopvatting. Conclusie: Verwerping. __________________________________
(1)Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (verder Kansspelwet), BS 30 december 1999.
(2)De Kansspelcommissie heeft immers geen rechtspersoonlijkheid (zie vaststaande rechtspraak van de Raad van State (vb. RvS 30 juni 2016, nr. 235.284, ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.284; RvS 3 oktober 2013, nr. 224.975, ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.224.975; RvS 21 maart 2013, nr. 222.935, ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.935) waardoor het beroep tegen het opleggen van een administratieve boete moet worden gericht tegen de Belgische Staat. Zie voor een uitgebreide analyse mijn conclusie bij de zaak C.23.0500.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6.
(3)EHRM 23 oktober 1995, nr. 25523/89, Schmautzer t. Oostenrijk, § 36; EHRM 23 oktober 1995, nr. 15963/90, Gradinger c. Oostenrijk, § 44; EHRM 4 maart 2014, nr. 18640/10, 18647/10, 18663/10, 18668/10 et 18698/10, Grande Stevens e.a. t. Italië, 2014, § 139; EHRM 4 maart 2004, nr. 47650/99, Silvester’s Horeca Service t. België, § 27.
(4)Voor een zeer uitgebreide analyse van dit begrip zie de doctoraatsthesis van P.-J. VAN DE WEYER, Vereiste van volle rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM in bestuursrechtelijke geschillen, Leuven, 615p., (https://bib.kuleuven.be/sbib/onderzoeksondersteuning/lirias).
(5)De Wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, wat de Kansspelcommissie betreft, BS 1 februari 2010.
(6)Amendement nr. 3 bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, wat de Kansspelcommissie betreft, Parl.St. Senaat, 2009-10, nr. 4-1410/3, 2.
(7)Cass. 15 oktober 2010, AR F.09.0081.N, AC 2010, nr. 606, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.5; Cass. 12 december 2008, AR F.06.0111.N, AC 2008, nr. 726, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8, met concl. van advocaat-generaal THIJS (ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.8); Cass. 17 november 2008, AR S.07.0069.N, AC 2008, nr. 638, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.5. Zie ook Cass. 13 september 2004 AR S.03.0129.F, AC 2004, nr. 405, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.6.
(8)R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen 2014, 1353, nr. 3452.
(9)Cass. 26 september 2012, AR P.12.563.F, AC 2012, nr. 488, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120926.3; Cass. 21 december 1976, AC 1976, 451; Cass. 16 september en 25 november 1975, AC 1975, 77, ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19750916.1 en 388.
(10)P.-J. VAN DE WEYER, Vereiste van volle rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM in bestuursrechtelijke geschillen, Leuven, 604p., https://bib.kuleuven.be/sbib/onderzoeksondersteuning/lirias.
(11)S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen 2022, 163-164 en 211.
(12)Cass. 23 april 2007, AR C.04.0347.N, AC 2007, nr. 201, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.2.
(13)Cass. 16 oktober 2023, AR C.20.0548.N, AC 2023, nr. 651, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1; Cass. 8 juni 2012, AR C.11.0735.F, AC 2012, nr. 375, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120608.3; Cass. 23 april 2007, AR C.04.0347.N, AC 2007, nr. 201, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.2.
(14)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia 2007, 227 e.v.
(15)Mvt bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, wat de Kansspelcommissie betreft, Parl.St. Kamer, 2008-09, 1992/001; 23.
(16)M. VAN NOOTEN, “Het proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel”, Jura Falconis 2002-03/3, 338.
(17)Cass. 26 april 1926, Pas. 1926, I, 350.
(18)J. MEESE, “Het bewijs in strafzaken”, 513-514 in P. TAELMAN, Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Reeks ‘Gandaius - Postuniversitaire Cyclus Willy Delva’, nr. 41. Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2016, 800 p.
(19)M. VAN NOOTEN, “Het proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel”, Jura Falconis 2002-03/3, 340.
(20)P. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, MYS&BREESCH, Gent, 1992, 439, nr. 868; D. HOLSTERS, “De bewijswaarde van het proces-verbaal betreffende de vaststelling van misdrijven”, RW 1980-81, 1372-13775. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19750916.1 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120608.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120926.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.935 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.224.975 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.284 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.