← België

A. contra SINT-FRANCISCUSZIEKENHUIS vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 oktober 2024

Art. 8

, 4° - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Gecoördineerde wet 7 augustus 1987

Art. 131

, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wet 7 augustus 1987

Art. 8

, 4° - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Gecoördineerde wet 7 augustus 1987

Art. 131

, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Tekst van de conclusie C.23.0278.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eisers komen op tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 13 februari 2023 en 22 maart 2021. Door eisers wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de uitlegging van het begrip ziekenhuisgeneesheer zoals bedoeld in artikel 8, 4°, van de Wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (verder Ziekenhuiswet 1987)

(1)
(2). De wat bijzonder feitelijke situatie die aan de basis ligt van onderhavig geschil zoals dit blijkt uit de door de appelrechter weerhouden feitelijke vaststellingen is de volgende: - eerste eiser was permanentie-geneesheer was in de periode eind 1998 tot 16 maart 2005 op de spoedgevallendienst van het ziekenhuis; - eerste eiser verrichtte in die periode meer dan 7.000 uur spoedpermanentie in het ziekenhuis van verweerster, was ingeschakeld in de wachtdienst bij de verweerster en nam deel aan meer dan 350 MUG-interventies voor de verweerster; - eerste eiser sprong in voor andere geneesheren op deze dienst. Er heerste een collegiale sfeer op de dienst. Bij de opstart van zijn activiteiten had hij overleg met de hoofdgeneesheer. Hij droeg dezelfde werkkledij als de andere geneesheren; - de infrastructuur en lokalen van de verweerster ter beschikking waren van de eerste eiser; - het ereloon van de eiser werd centraal geïnd door de verweerster; - in januari 2005 biedt verweerster eerste eiser een overeenkomst aan voor de periode van 1 januari 2005 tot 31.03.2005 in het kader van een reorganisatie van de spoedgevallendienst waarbij verweerster zelf de spoedgevallenzorg zou gaan organiseren. Eerste eiser ondertekende deze overeenkomst niet. II. Eerste onderdeel. In dit onderdeel verwijten de eisers de appelrechter de artikelen 8, 3° en 4°, 10, 11, 13, 14 en 68 van de Ziekenhuiswet 1987, artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 en artikel N4 van de bijlage bij dat koninklijk besluit te hebben geschonden door te oordelen met de motivering vermeld onder de punten 4.1 tot en met 4.9 van het bestreden arrest van 13 februari 2023 en onder de punten 4.2.2 en 4.2.3 van het bestreden arrest van 22 maart 2021 dat er geen sprake is van een juridische band tussen de eisers en verweerster en het niet bewezen is dat eerste eiser verbonden was met de verweerster in de zin van artikel 8, 4° van de Ziekenhuiswet 1987 terwijl de eiser als arts-specialist structureel deelnam aan de wachtdienst georganiseerd door verweerster, onderdeel van de medische activiteit die deel uitmaakt van de ziekenhuisactiviteit onder de algemene en uiteindelijke verantwoordelijkheid van verweerster en dit met toelating van verweerster. Voor zover de appelrechter weigert de hoedanigheid van ziekenhuisgeneesheer in hoofde van de eerste eiser te erkennen omdat er geen schriftelijke overeenkomst of een bewijs van benoeming voorligt, legt de appelrechter de in het voordeel van de eerste eiser dwingende bepalingen uit tegen de erdoor beschermde partij en schendt de appelrechter de artikelen 8, 4°, 130 en 131 van de Ziekenhuiswet 1987. Voor zover de appelrechter weigert een juridisch aspect te verbinden aan de feitelijke verbondenheid tussen eerste eiser en verweerster omdat eerste eiser zijn vergoedingen ontving via de Associatie Heelkunde en niet rechtstreeks door verweerster, voegt de appelrechter een vereiste toe aan artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 en schendt deze dit artikel. II.1 Principes. Artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat onder ziekenhuisgeneesheer wordt verstaan: de geneesheer verbonden aan het ziekenhuis. Artikel 8, 3°, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat onder geneesheer wordt verstaan: de beoefenaar van de geneeskunde in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies. Artikel 130, § 1, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat in elk ziekenhuis een algemene regeling wordt vastgesteld betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren, de organisatie- en de werkvoorwaarden, met inbegrip van de financiële werkvoorwaarden en dat onverminderd de toepassing van de artikelen 13 tot 17 Ziekenhuiswet 1987 het algemeen reglement geen bepalingen mag bevatten die de professionele autonomie van de individuele ziekenhuisgeneesheer op het vlak van het stellen van de diagnose of het uitvoeren van de behandeling in het gedrang brengt. Artikel 131, § 1, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat onder verwijzing naar de in artikel 130 bedoelde algemene regeling, de respectieve rechten en verplichtingen van de individuele ziekenhuisgeneesheer en de beheerder, alsook meer bepaald de werkvoorwaarden van de ziekenhuisgeneesheer schriftelijk vastgesteld worden, hetzij in een overeenkomst, hetzij in de benoemingsakte. Volgens artikel 8, 1°, Ziekenhuiswet 1987 wordt onder beheerder verstaan: het orgaan dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis. Uit deze bepalingen volgt dat niet alle geneesheren die medische activiteiten ontplooien in een ziekenhuis moeten worden beschouwd als ziekenhuisgeneesheer. Ziekenhuisgeneesheren zijn volgens artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 de geneesheren die verbonden zijn aan het ziekenhuis. In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 407 tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuis (verder koninklijk besluit nr. 407)
(3)dat aan de basis ligt van artikel 8,4°, Ziekenhuiswet 1987, is vermeld dat men teruggreep naar de definitie van het begrip “ziekenhuisgeneesheer” zoals dit door de Senaat werd aangenomen naar aanleiding van de bespreking van het wetsontwerp nr. 653
(4)(maar uiteindelijk niet door de Kamer aangenomen)
(5). Volgens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 407 is het begrip “verbonden aan” niet een louter feitelijke begrip, maar houdt het een juridische binding in die minstens in hoofde van de beheerder een voorafgaandelijke daad veronderstelt (aanstelling, benoeming, toelating)
(6). Bij de parlementaire bespreking van het ontwerp nr. 653 oordeelde de minister van Sociale Zaken dat het begrip “aan het ziekenhuis verbonden” ruim mag opgevat worden en dat het moeilijk doenbaar is in de wet zelf het begrip nog nader te preciseren. Het begrip “verbonden aan het ziekenhuis” houdt volgens de minister wel een juridisch element in, in die zin dat het begrip inhoudt dat er een aanstelling of benoeming is geweest door het beheersorgaan. In die zin kunnen huisartsen die hun patiënten bijstaan bij de bevalling volgens de minister niet als ziekenhuisgeneesheer worden beschouwd
(7). Een gynaecoloog die bijstand verleend bij bevallingen in verschillende ziekenhuizen, moet volgens de minister worden beschouwd als een ziekenhuisgeneesheer op voorwaarde dat hij daartoe een aanstelling heeft bekomen van de beheerder
(8). De omschrijving van het begrip “verbonden zijn” lijkt in het Verslag bij het koninklijk besluit nr. 407 dus wel iets ruimer te zijn doordat er ook wordt gewag gemaakt van een toelating door de beheerder. De definitie van ziekenhuisgeneesheer in het ontwerp nr. 653 werd ingevoegd
(9)naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State dat het begrip ziekenhuisgeneesheer voor het eerst in het ontwerp van wet ter sprake kwam in artikel 5, § 1 over de samenstelling van de Medische Raad zonder dat daarvoor een omschrijving werd gegeven
(10). Op het eerste zicht zou men dan ook kunnen vermoeden dat het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de medische raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen
(11)zou kunnen helpen bij het interpreteren van het begrip “verbonden zijn met een ziekenhuis. Evenwel bepaalt artikel 1 van dat koninklijk besluit enkel een definitie van het begrip ziekenhuisgeneesheer voor de toepassing van dat besluit zelf
(12). Die definitie kan dan ook niet gebruikt worden voor de interpretatie van het begrip ziekenhuisgeneesheer zoals bedoeld in artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987. Wanneer men de algemene doelstellingen van de hervormingen door de wetgever met de Ziekenhuiswet 1987 in beschouwing neemt, komt men volgens mij tot de conclusie dat er een aanstelling of benoeming van de geneesheer door de beheerder van het ziekenhuis is vereist opdat een geneesheer zou kunnen worden beschouwd als een ziekenhuisgeneesheer. Het fundamenteel uitgangspunt van de Ziekenhuiswet 1987 met de invoering van het statuut van de ziekenhuisgeneesheren was dat de ziekenhuisactiviteit globaal moet gezien worden en dat de medische activiteit van de ziekenhuisgeneesheer moet beschouwd worden als een integrerende component van de totale activiteit van het ziekenhuis. Het vroegere concept waarbij de opdracht van het ziekenhuis en de opdracht van de ziekenhuisgeneesheer los van elkaar werden beschouwd en de taak van het ziekenhuis werd herleid tot het ter beschikking stellen van de geneesheer van onderdak en bijkomende faciliteiten voor het presteren van zijn geneeskundige activiteit, werd als voorbijgestreefd beschouwd. Het concept van geïntegreerde ziekenhuiswerking heeft als gevolg naar het ziekenhuisbeheer toe dat de algemene verantwoordelijkheid en de uiteindelijke financiële verantwoordelijkheid voor de ziekenhuisactiviteit bij de beheerder ligt
(13). Dit nieuw concept had ook zijn gevolgen voor het functioneren van de geneesheren in het ziekenhuis. Om te vermijden dat er misverstanden ontstaan omtrent essentiële punten in de rechtsverhouding tussen beheerder en ziekenhuisgeneesheer werden de ziekenhuizen verplicht om een algemene regeling vast te stellen betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren, de organisatie- en de werkvoorwaarden, met inbegrip van de financiële voorwaarden (artikel 130 Ziekenhuiswet 1987) en is er de verplichting om een schriftelijke overeenkomst tussen iedere ziekenhuisgeneesheer en beheerder te sluiten waarin de respectieve rechten en verplichtingen van beide partijen worden vastgesteld of dit te bepalen in de benoemingsakte van de ziekenhuisgeneesheer (artikel 131 Ziekenhuiswet 1987)
(14). Ook uit de verhouding tussen de algemene regeling en de individuele regeling van de ziekenhuisgeneesheren volgt dezelfde conclusie. Artikel 130, § 1, eerste lid Ziekenhuiswet 1987 legt de ziekenhuizen de verplichting op om voor alle geneesheren een algemene regeling betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren, de organisatie- en de werkvoorwaarden, met in begrip van de financiële voorwaarden vast te stellen. Artikel 130, § 3, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt vervolgens wat er minstens moet behandeld worden in deze algemene regeling en maakt daarbij een onderscheid tussen wat geldt voor alle geneesheren en wat geldt voor ziekenhuisgeneesheren. Artikel 130, § 3, 1°, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat in deze algemene regeling de voorwaarden van toelating, aanwerving, benoeming en bevordering moeten worden behandeld. Deze bepaling heeft betrekking op alle geneesheren. Artikel 130, § 3, 2°, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat de algemene regeling bepalingen moet bevatten over hoe er een einde kan worden gesteld aan de rechtsverhoudingen tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheren. Dit heeft dus enkel betrekking op de ziekenhuisgeneesheren. Enkel de ziekenhuisgeneesheren kunnen zich met andere woorden op deze bijzondere bescherming beroepen. Artikel 130, § 3, 3°, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat de werkvoorwaarden van de ziekenhuisgeneesheren moeten behandeld worden in de algemene regeling. Ook deze bepaling heeft enkel betrekking op de ziekenhuisgeneesheren. Artikel 130, § 3, 4°, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat ook de financiële schikkingen met betrekking tot de medische activiteit met inbegrip van onder meer de wijze van vergoeding van de geneesheren, de wijze van inning van de honoraria en in voorkomend geval, de kostenregeling alsmede de standaardbepalingen die hierop betrekking hebben, moet behandeld worden in de algemene regeling. Deze bepaling heeft betrekking op alle geneesheren. Tenslotte volgt uit artikel 130, § 3, 5°, Ziekenhuiswet 1987 dat ook de rechten en verplichtingen met betrekking tot de permanentie van de medische verzorging moeten bepaald worden in de algemene regeling. Deze bepaling heeft eveneens betrekking op alle geneesheren. De schriftelijke individuele overeenkomst of benoemingsakte van de ziekenhuisgeneesheer mag niet van de algemene regeling afwijken
(15). Bij gebrek aan concretisering in een schriftelijke individuele overeenkomst of benoemingsakte is het niet mogelijk om zich op de algemene regeling te beroepen om rechtstreeks verplichtingen te scheppen voor de ziekenhuisgeneesheer
(16). Een ziekenhuisgeneesheer kan zich niet rechtstreeks beroepen op de algemene regeling
(17). Uit dit alles volgt dat er in een ziekenhuis diverse categorieën geneesheren actief kunnen zijn nl. de echte ziekenhuisgeneesheren die verbonden zijn aan het ziekenhuis en daartoe werden aangesteld of benoemd door de beheerder. De geneesheren, die geen ziekenhuisgeneesheer zijn omdat ze niet aangesteld of benoemd zijn door de beheerder maar die wel door het ziekenhuis worden toegelaten, al dan niet via een overeenkomst, om medische activiteit in het ziekenhuis uit te oefenen al dan niet met betrekking tot de permanentie van de medische verzorging. Daarnaast zijn er ook feitelijk gedoogde geneesheren
(18). Dit zijn geneesheren die actief zijn in het ziekenhuis zonder dat er sprake is van een overeenkomst, zelfs niet van een mondelinge overeenkomst. Soms gedoogt een ziekenhuis bijvoorbeeld dat een huisarts zijn patiënt een consult geeft in het ziekenhuis. De bepalingen van de Ziekenhuiswet 1987 inzake de afzetting zijn slechts van dwingend recht ten voordele van de ziekenhuisgeneesheren
(19). De vereiste die volgt uit artikel 131 Ziekenhuiswet 1987 dat er een schriftelijke individuele overeenkomst moet worden gesloten tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheer, belet niet dat er ook een mondelinge overeenkomst zou bestaan. Dit betreft immers slechts een relatieve nietigheid
(20). Een beheerder kan nooit verplicht worden om een geneesheer tegen zijn wil toe te laten zonder schending van artikel 11 Ziekenhuiswet 1987
(21). Wanneer er geen schriftelijke individuele overeenkomst bestaat, is het aan de geneesheer om te bewijzen dat hij wel een ziekenhuisgeneesheer in de zin van artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 is wanneer hij zich wenst te beroepen op de bijzondere bescherming die geldt voor ziekenhuisgeneesheren zoals bepaalt in de Ziekenhuiswet 1987. Wat betreft een toegelaten geneesheer zoals hoger omschreven, worden er in de algemene regeling van een ziekenhuis soms minder gunstige werk- en ontslagvoorwaarden bepaald voor deze categorie in vergelijking met de voorwaarden die gelden voor de ziekenhuisgeneesheer. DEWALLENS stelt terecht dat wanneer een toegelaten geneesheer verbonden is door een aanstelling of benoeming door een beheerder met het ziekenhuis (en dus een verbonden geneesheer is in de zin van artikel 8, 4° Ziekenhuiswet 1987) dat dergelijk onderscheid niet wettig is
(22). Wanneer een toegelaten geneesheer echter niet is aangesteld of benoemd door de beheerder van het ziekenhuis is dergelijk onderscheid volgens mij wel wettig. Er zou onder bepaalde omstandigheden wel rechtsmisbruik kunnen zijn in hoofde van het ziekenhuis door een aanstelling of benoeming te weigeren voor een dergelijke toegelaten of feitelijk gedoogde geneesheer
(23). Rechtsmisbruik wordt in deze zaak echter niet aangevoerd door de eisers. Het feitelijk gedogen van een geneesheer kan door een ziekenhuis op elk moment ongedaan worden gemaakt omdat de aanwezigheid van de geneesheer op geen enkele rechtsgrond stoelt
(24). Uit de motivering onder punt 4 2.2.van het bestreden arrest van 22 maart 2021 en de motivering onder punt 4.3 tot en met 4.5 van het bestreden arrest van 13 februari 2023 blijkt dat de appelrechters de eerste eiser beschouwen als een toegelaten geneesheer of als een feitelijk gedoogde geneesheer zoals hoger omschreven. II.2. Toepassing van de principes in dit dossier. Uit de artikelen 8, 4°, 130, § 1 en 3 en 131, § 1, Ziekenhuiswet en de wetsgeschiedenis ervan blijkt dat een ziekenhuisgeneesheer een geneesheer is die verbonden is aan het ziekenhuis als hij door de beheerder is aangesteld of benoemd. Het onderdeel faalt naar recht in zoverre het ervan uitgaat dat een arts die met toelating van het ziekenhuis op structurele wijze deelneemt aan de door de dienst heelkundige behandeling in het ziekenhuis georganiseerde wachtdiensten, een ziekenhuisgeneesheer is zonder dat een aanstelling of een benoeming door de beheerder noodzakelijk is. In zoverre het onderdeel de appelrechter verwijt ten onrechte geen juridisch aspect te verbinden aan de feitelijke verbondenheid tussen eiser en verweerster omdat eerste eiser zijn vergoedingen ontving via de Associatie Heelkunde en niet rechtstreeks door verweerster, is het niet ontvankelijk omdat het is gericht tegen een motief waarop de appelrechter zijn beslissing dat eerste eiser geen ziekenhuisgeneesheer niet laat steunen. (…) Conclusie: Verwerping. _____________________________________
(1)BS 7 oktober 1987, zoals van toepassing voor de (nieuwe) coördinatie ervan bij koninklijk besluit van 10 juli 2008.
(2)De opvolger van de Ziekenhuiswet 1987 nl. de Gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen (BS 7 november 2008) bevat gelijkaardige bepalingen waarbij niet langer van (ziekenhuis)geneesheer maar van (ziekenhuis)arts wordt gesproken (zie de artikelen 8, 3° en 4°, 144 en 145).
(3)BS 6 mei 1986.
(4)Ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, Parl. St. Senaat, 1983-84, nr. 653/1.
(5)Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986, tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, BS 6 mei 1986, 6478. Zie ook R. VERMAERKE, “Het koninklijk besluit nr. 407 en het statuut van de ziekenhuisgeneesheer”, Vl. T. Gez. 1986, 89-121.
(6)Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986, tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, BS 6 mei 1986, 6478.
(7)Verslag bij het ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 653/2, 48 en 58.
(8)Verslag bij het ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 653/2, 52.
(9)Verslag bij het ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 653/2, 50.
(10)Adv. RvSt. bij het ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, Parl. St. Senaat, 1983-84, nr. 653/1, 51.
(11)BS 18 augustus 1987.
(12)In artikel 1, 1°, a) van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 wordt steeds vereist dat een ziekenhuisgeneesheer een geneesheer is die werkzaam is in het ziekenhuis en van wie de activiteit wordt geregeld door een individuele overeenkomst of een benoemingsakte.
(13)Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986, tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, BS 6 mei 1986, 6473.
(14)Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986, tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, BS 6 mei 1986, 6490.
(15)Cass. 10 februari 2020, AR C.19.0041.N, AC 2020, nr.115, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.10, met concl. van advocaat-generaal H. VANDERLINDEN (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200210.3N.10), RABG 2020/14, 1151 met noot T. BALTHAZAR.
(16)H. NYS, “Overzicht van rechtspraak. Medisch recht (2016-2022). De uitoefening van gezondheidszorgberoepen”, TPR 2023, 284, randnr. 51. Cass. 27 mei 2019, AR C.16.0081.N, AC 2019, nr. 324, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.2, RW 2019-20, 1260.
(17)H. NYS, Overzicht van het gezondheidsrecht in 2016-2020, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2021, 10; T. BALTHAZAR, “Meer duidelijkheid over de verhouding tussen algemene regeling en individuele overeenkomst in ziekenhuisverband”, RABG 2020, 1154; Cass. 27 mei 2019, AR C.16.0081.N, AC 2019, nr. 324, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.2, RW 2019-20, 1260.
(18)Over de diverse categorieën van geneesheren werkzaam in een ziekenhuis zie T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.) Handboek Gezondheidsrecht, I, Intersentia 2022, 223-229; F. DEWALLENS, Het statuut van de ziekenhuisarts, Intersentia 2015, 82; H. NYS, Geneeskunde. Recht en medisch handelen, APR, Wolters Kluwer Belgium 2016, 648, randnr. 1576. F. DEWALLENS “Over ziekenhuisgeneesheren en andere artsen werkzaam in het ziekenhuis” (noot bij Gent, 20 januari 1993) Vl.T.Gez. 1993-94, 51-53.
(19)Cass. 8 februari 2021, AR C.18.0464.N, AC 2021, nr. 100, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.6 RW 2020-21, 1372; Cass. 1 april 2019, AR C.15.0356.N, AC 2019, nr. 200, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.2 met concl. van advocaat-generaal VANDERLINDEN (ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.2); Cass. 9 februari 2009, AR C.07.0348.F, AC 2009, nr. 103, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090209.7; Cass. 24 januari 2005, AR C.03.0360.N, AC 2005, nr. 47, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050124.4.
(20)F. DEWALLENS, Het statuut van de ziekenhuisarts, Intersentia 2015, 79-80.
(21)F. DEWALLENS, Het statuut van de ziekenhuisarts, Intersentia 2015, 83. F. DEWALLENS “Over ziekenhuisgeneesheren en andere artsen werkzaam in het ziekenhuis” (noot bij Gent, 20 januari 1993) Vl.T.Gez. 1993-94, 51-53.
(22)F. DEWALLENS, Het statuut van de ziekenhuisarts, Intersentia 2015, 81-82; T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.) Handboek Gezondheidsrecht, I, Intersentia 2022, 225-226.
(23)F. DEWALLENS, Het statuut van de ziekenhuisarts, Intersentia 2015, 84-86; T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.) Handboek Gezondheidsrecht, I, Intersentia 2022, 227-228.
(24)F. DEWALLENS, Het statuut van de ziekenhuisarts, Intersentia 2015, 84. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050124.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090209.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.10 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200210.3N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.