id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241008.2N.30 Rolnummer: P.24.1339.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Unierecht - Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2024-11-28 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-06-18 14:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.30 Fiches 1 - 5 Volgens artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel weigert de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel onder meer ingeval de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat, op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen; volgens artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat uitvoering geeft aan artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd onder meer ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dat bevel ten grondslag liggen; het Hof van Justitie heeft artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel met het arrest van 23 januari 2018 in de zaak C-367/16 (ro 30) uitgelegd in die zin, eensdeels, dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat alleen de overlevering moet weigeren van minderjarigen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die volgens het recht van de uitvoerende lidstaat niet de leeftijd hebben die is vereist om strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het tegen hen uitgevaardigde aanhoudingsbevel, en, anderdeels, dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat voor haar beslissing over de overlevering van een minderjarige tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, alleen moet nagaan of de betrokkene de minimumleeftijd heeft om in de uitvoerende lidstaat strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan dat aanhoudingsbevel, zonder dat zij rekening hoeft te houden met eventuele aanvullende voorwaarden inzake een gepersonaliseerde beoordeling die in het recht van deze lidstaat concreet worden gesteld voor de vervolging of veroordeling van een minderjarige voor dergelijke feiten; hieruit volgt dat onder het niet “strafrechtelijk verantwoordelijk” kunnen worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, of het niet “strafrechtelijk aansprakelijk” kunnen worden gesteld zoals bedoeld in artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, moet worden begrepen dat de minderjarigen in de uitvoerende lidstaat, wegens hun leeftijd, niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd of veroordeeld voor de betrokken feiten van overlevering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
- Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
- Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
- Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
- Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: MINDERJARIGHEID Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
- Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 6 - 10 Artikel 5, eerste lid, Decreet Jeugddelinquentierecht bepaalt dat de op grond van het gemene recht bevoegde rechtbanken, behoudens samenhang met vervolgingen wegens andere misdrijven, kennis nemen van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens personen ouder dan zestien jaar en beneden achttien jaar op het ogenblik van het plegen van de feiten, wegens in dat artikel bepaalde verkeersmisdrijven; de jeugdrechtbank kan een minderjarige uit handen geven in de in artikel 38 Decreet Jeugddelinquentierecht bepaalde gevallen; deze uithandengeving is slechts mogelijk als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder was en houdt in dat de jeugdrechtbank de zaak naar het openbaar ministerie verwijst, met het oog op vervolging voor de bevoegde rechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast; enkel indien een uithandengeving mogelijk is of het betreft één van de in artikel 5, eerste lid, Decreet Jeugddelinquentierecht bedoelde verkeersmisdrijven, kan een minderjarige bij toepassing van het Decreet Jeugddelinquentierecht strafrechtelijk worden vervolgd en veroordeeld en dus strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; van dergelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid is geen sprake wanneer bij toepassing van het Decreet Jeugddelinquentierecht aan een minderjarige, jonger dan zestien jaar, in dat decreet bedoelde maatregelen of sancties worden opgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: MINDERJARIGHEID Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 11 - 12 De onwettigheid van de niet-toepassing van de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij het tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer wordt gelegd; aangezien er niets meer te beslissen valt, geschiedt de cassatie zonder verwijzing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Andere partijen Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.24.1339.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het verbod van overlevering van minderjarigen die niet strafrechtelijk verantwoordelijk zijn (art. 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel). Geldt deze verplichte weigeringsgrond ook voor minderjarigen aangetroffen in het Vlaams Gewest in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar, gelet op de bepalingen van het jeugddelinquentierecht over sancties (Decr. Vl. 15 februari 2019)?”
- Eiser is een minderjarige van Nederlandse nationaliteit, wonende in het Vlaams Gewest, die wordt verdacht van opzettelijke brandstichting in een bewoond pand in een gemeente in Nederland, begaan als 14-jarige. De vraag rijst of het onderzoeksgerecht de tenuitvoerlegging van een Nederlands Europees Aanhoudingsbevel kan toestaan om reden dat de minderjarige strafrechtelijk verantwoordelijk is, hoewel er wegens die leeftijd in België geen uithandengeving en dus ook geen toepassing van het gewone strafrecht mogelijk is.
- In Nederland zijn minderjarigen ouder dan 12 jaar en jonger dan 16 jaar op het moment van het strafbaar feit onderworpen aan aparte straffen, namelijk jeugddetentie, geldboetes en taakstraffen (artt. 77a, 77i, 77j, 77l en 77m Sr.)
(1). Aan minderjarigen ouder dan 16 jaar kunnen deze straffen eveneens worden opgelegd of, via een soort uithandengeving, de straffen bestemd voor volwassenen (art. 77b en 77i Sr.). Naar Nederlands recht is overlevering van een minderjarige op basis van een Europees aanhoudingsbevel niet mogelijk als de opgeëiste verdachte of veroordeelde nog geen 12 jaar oud was op het moment van de feiten (art. 10 Overleveringswet van 29 april 2004)
(2).
- De onderzoeksrechter te Antwerpen, afd. Turnhout heeft op 20 augustus 2024 geweigerd het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uit te voeren met het oog op vervolging, afgeleverd door de rechter-commissaris van Den Bosch (NL), met als reden dat minderjarigen beneden de leeftijd van 16 jaar op het moment van de feiten niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, naar Belgisch recht, en de verplichte weigeringsgrond van art. 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is.
- Het bestreden arrest heeft op hoger beroep van het openbaar ministerie, met eenparigheid van stemmen, de tenuitvoerlegging bevolen van het EAB, op volgende gronden: 1° Het EAB is uitgevaardigd voor feiten waarop in de uitvaardigende Staat een maximale gevangenisstraf staat van minstens 12 maanden (art. 157 NL-Wetboek van Strafrecht), 2°de strafbare feiten vermeld in het EAB zijn opgenomen in de lijst van art. 5, § 2 Wet Europees Aanhoudingsbevel van 19 december 2003, zodat de dubbele incriminatie niet moet worden nagegaan en 3°geen van de verplichte weigeringsgronden omschreven in art. 4 van deze wet moet worden toegepast.
- Eiser voert in een eerste middel aan dat de tenuitvoerlegging van het EAB in strijd is met artikel 4.
- Wet Europees Aanhoudingsbevel, omdat bij de interpretatie van de term ‘strafrechtelijke verantwoordelijkheid’ er alleen rekening is gehouden met de Belgische en Vlaamse regelgeving over strafbare feiten begaan door minderjarigen, terwijl het begrip moet worden uitgelegd volgens het Unierecht (meer bepaald het arrest C-367/16, zaak Piotrowski, waaruit volgt dat de weigeringsgrond van vermeld art. 4.3 alleen geldt voor minderjarigen die niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd of veroordeeld). Daarnaast creëert het bestreden arrest een ongeoorloofd onderscheid tussen minderjarigen op basis van hun nationaliteit en woonplaats, onder meer omdat minderjarigen van 14 jaar in Brussel of Wallonië niet kunnen worden overgeleverd. Tenslotte doet het arrest een onverantwoord onderscheid ontstaan tussen overlevering op vraag van een EU-lidstaat, mogelijk voor minderjarigen beneden de leeftijd van 16 jaar, en overlevering op vraag van een Belgische rechter, met als voorwaarde dat de betrokkene ouder is dan 16 jaar (art. 32, § 1/1 Wet Europees Aanhoudingsbevel).
- Beoordeling. De jeugdige leeftijd van de verdachte of veroordeelde kan onder bepaalde voorwaarden een obstakel zijn voor de overlevering vanuit België. Volgens artikel 3.
- Kaderbesluit 2002/584/JBZ geldt als verplichte weigeringsgrond voor overlevering de vaststelling dat de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd niet strafrechtelijk kan worden gesteld volgens het recht van de uitvoerende lidstaat (aangezochte staat). Krachtens artikel 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel van 19 december 2003 (BS 22 december 2003) wordt de tenuitvoerlegging van een EAB geweigerd in geval de persoon op wie dat bevel betrekking heeft volgens het Belgisch recht wegens zijn leeftijd nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dat bevel ten grondslag liggen
(3). 7. Strafrechtelijk aansprakelijk zijn betekent niet dat de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd ouder dan 18 jaar moet zijn op moment van de ten laste gelegde feiten. Uw Hof nam reeds aan dat de onderzoeksgerechten de tenuitvoerlegging kunnen bevelen van een EAB gericht ten een minderjarige, op voorwaarde dat de minderjarige zich in de voorwaarden bevindt voor uithandengeving, ook al heeft de jeugdrechtbank zich nog niet over de uithandengeving uitgesproken. Dit betekent dat de minderjarige minstens 16 jaar was op moment van de feiten omschreven in het EAB en die feiten ernstig genoeg zijn, in die zin dat zij volgens artikel 57bis Jeugdbeschermingswet in aanmerking komen voor uithandengeving
(4). Onder deze voorwaarden is de overlevering van een minderjarige boven de leeftijd van 16 jaar niet strijdig is met de Belgische openbare orde en art. 4, 3° EAB-Wet. Het gaat dan om minderjarigen die strafrechtelijk verantwoordelijk zijn, in de zin van deze wetsbepaling
(5). 8. Uithandengeving is een beslissing waarbij de jeugdrechtbank bij gemotiveerd vonnis vaststelt dat maatregelen van jeugdbescherming (in Vlaanderen sancties als reactie op het jeugddelict) niet meer gepast zijn, en de minderjarige ouder dan 16 jaar op moment van het ernstig als misdrijf omschreven feit onderworpen wordt aan het gewoon strafrecht (art. 38 Decr. Vl. 15 februari 2019 en art. 57bis, § 1 Wet Jeugdbescherming van 8 april 1965)
(6). Vanaf deze beslissing, indien onmiddellijk uitvoerbaar verklaard, kan de minderjarige worden veroordeeld tot effectieve straffen, opgelegd door het Hof van Assisen of de Kamer van uithandengeving (art. 76, 78 en 119 Ger. W.), al naar gelang de ernst van het feit. Legt de vonnisrechter een effectieve gevangenisstraf op, dan wordt deze wel uitgevoerd in een aparte gesloten instelling, in Vlaanderen het “Vlaams Detentiecentrum” (art. 41 Decreet Vl. 15 februari 2019, art. 12 B. Vl. 5 april 2019, BS 3 juli 2019, gewijzigd door art. 3 B. Vl. 7 juni 2019, BS 10 juli 2019 en MB van 7 juni 2024, BS 12 juli 2024). Ook voorlopige hechtenis is mogelijk, met uitvoering in dit centrum. 9. Oud artikel 36, 4° Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 bepaalde dat de jeugdrechtbank kennis neemt van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van personen die vervolgd worden wegens een “als misdrijf omschreven feit”, gepleegd voor de volle leeftijd van 18 jaar
(7). De term “strafbaar feit” werd niet gebruikt, aangezien de jeugdrechtbank geen straffen oplegde naar aanleiding van een feit omschreven in de strafwet, maar enkel maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding, met een uitwerking tot hoogstens de leeftijd van 20 jaar (oud art. 37, § 2 en § 3 JBW)
(8). De strafrechtelijke verantwoordelijkheid is sinds de Jeugdbeschermingswet in België aan de orde vanaf de leeftijd van 18 jaar
(9). Uitzondering is de bestraffing van minderjarige ouder dan 16 jaar wegens feiten waarvoor de uithandengeving is bevolen (art. 57bis JBW) of wegens verkeersinbreuken (oud art. 36bis JBW). Deze minderjarigen worden wel verondersteld met het vereiste schuldbesef te handelen. Zoals advocaat-generaal Alain WINANTS aangeeft, staat niets de tenuitvoerlegging van een EAB gericht tegen een minderjarige van meer dan 16 jaar in de weg
(10).
- De vraag rijst of de leeftijd van 16 jaar ook de ondergrens vormt voor overlevering van minderjarigen die zijn aangehouden in het Vlaams Gewest, waar sinds 1 september 2019 het strengere ‘jeugddelinquentierecht’ in de plaats komt van het ‘jeugdbeschermingsrecht’. Is een minderjarige ouder dan 12 jaar nu strafrechtelijk verantwoordelijk in de zin van het jeugddelinquentierecht en bijgevolg art. 4, 3° EAB-Wet, waardoor zijn overlevering mogelijk is?
- Een minderjarige die in Vlaanderen verdacht is van een jeugddelict, dit is een als misdrijf omschreven feit (art. 2, 7° Decreet Vl. 15 februari 2019, zelfde definitie als het vroegere art. 36, 4° Jeugdbeschermingswet), wordt vanaf 1 september 2019 niet meer gelijk gesteld met een minderjarige die zich in een verontrustende situatie bevindt. Deze minderjarigen in nood worden begeleid met verlangbare maatregelen van jeugdbeschermingsrecht en worden opgevangen in aparte jeugdinstellingen (art. 48 Decreet 12 juli 2013)
(11). Delinquente jongeren zijn thans onderworpen aan het jeugddelinquenterecht, gericht op duidelijke, snelle, constructieve en herstelgerichte ‘reacties’
(12). 12. In de zaak Piotrowski
(2018)over een minderjarige van 17 jaar ten tijde van de feiten gaf het Hof van Justitie van de Europese Unie aan, op basis van een prejudiciële vraag gesteld door de K.I. Brussel, dat de Uniewetgever niet alle minderjarigen van overlevering wil uitsluiten, maar alleen zij die in de uitvoerende lidstaat wegens hun leeftijd niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd of veroordeeld voor de betrokken feiten. Bij gebreke van harmonisatie ter zake, heeft de Uniewetgever aan die lidstaat de bevoegdheid gelaten om de minimumleeftijd te bepalen vanaf welke een persoon voldoet aan de voorwaarden om strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor dergelijke feiten (§ 30)
(13). Het is dan aan de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat om uit te maken, op basis van zijn intern recht, of de minderjarige tegen wie een EAB is uitgevaardigd strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de erin vermelde feiten, volgens het recht van de uitvoerende staat (§ 38). Het is de uitvoerende rechterlijke autoriteiten in beginsel niet is toegestaan de overlevering te weigeren van minderjarigen op wie een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft en die de minimumleeftijd hebben vanaf welke zij volgens het recht van de uitvoerende lidstaat strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het tegen hen uitgevaardigde aanhoudingsbevel (§ 31). Verder stelt het Hof van Justitie dat de EU-Richtlijn 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2016, L132) bevestigt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten in beginsel minderjarigen kunnen overleveren die in de uitvoerende lidstaat de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben bereikt (§ 37). 13. Advocaat-generaal Y. BOT stelde in zijn conclusie in de zaak Piotrowski, waarnaar het Hof van Justitie verwijst (§§ 32 en 45), dat “de leeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet moet worden verward met de leeftijd van strafrechtelijke meerderjarigheid, welke duidelijk te onderscheiden begrippen zijn (§ 31). Minderjarigen kunnen strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor strafbare feiten die zij plegen. De strafrechtelijke meerderjarigheid is een begrip dat bepaalt vanaf welke leeftijd een persoon aan “het gemene recht inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt onderworpen” (§ 31)
(14). De weigeringsgrond van art. 3.3 Kaderbesluit 584/2002 kan niet worden ingeroepen ‘ten aanzien van minderjarigen’, maar enkel ‘ten aanzien van minderjarigen die niet strafrechtelijk verantwoordelijk zijn' (§ 32). Voor die verantwoordelijkheid zijn volgende elementen van belang:
- a)zich bewust zijn van hetgeen hij deed;
- b)geweten hebben dat de daad verboden was, en
- c)deze niettemin hebben willen plegen (§ 36). Deze kenmerken (besef, oordeelsvermogen en wil) worden per geval concreet beoordeeld en vormen, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, de taak van de gerechtelijke instanties van de uitvaardigende lidstaat (§ 37). Men kan deze stelling zo opvatten dat de uitvoerende lidstaat de overlevering niet mag weigeren om de enkele reden dat in de uitvaardigende lidstaat er een systeem geldt van jeugdstrafrecht
(15). 14. Er past volgens advocaat-generaal Yves BOT een onderscheid tussen “aansprakelijkheid” en “strafbaarheid”. Een minderjarige delinquent kan strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, zonder dat hem een straf kan worden opgelegd, vanwege zijn jeugdige leeftijd (§ 40)
(16). Reden is het fundamentele beginsel in het jeugdstrafrecht van “pedagogische aanpak boven bestraffing” (§§ 40 en 46). Hierbij moet worden rekening gehouden met het feit dat het “traditionele schema van de reactie van het strafrecht anders verloopt naargelang van hetgeen is vereist op grond van de in aanmerkingneming van het belang van het kind wegens zijn leeftijd en van het te bereiken doel, te weten ervoor zorgen dat met het repressieve gerechtelijke optreden zijn re-integratie en opvoeding maximaal kunnen worden verzekerd” (§ 48). Het is in het belang van de minderjarige en de samenleving dat dat toepasselijke reacties worden gediversifieerd, in die zin dat als strafrechtelijke sanctie een educatieve maatregel kan worden opgelegd, wanneer de wet dat toestaat (§ 49). Een rechtsstelsel dat geen onderscheid maakt tussen meerderjarigen en minderjarigen wat betreft de toepasselijke straffen miskent de grondrechten van de minderjarigen, omdat de noodzakelijke individualisering van de straf onmogelijk wordt gemaakt, in strijd met het beginsel van „pedagogische aanpak boven bestraffing” (§ 50).
- In het jeugdrecht van de EU-lidstaten ziet advocaat-generaal BOT twee tendensen: “Eerst middels de diversificatie van straffen die de rechter kan opleggen, en vervolgens door het opleggen van straffen die dicht bij klassieke gevangenisstraf of geldboeten komen, slechts mogelijk te maken vanaf bepaalde leeftijdscategorieën” (§ 52). Hij merkt daarbij een trapsgewijze opbouw op, met drie categorieën van minderjarigen, namelijk 1°de minderjarigen aan wie geen enkele straf kan worden opgelegd, omdat zij te jong zijn, 2°minderjarigen die ouder zijn en “alleen een opvoedkundige maatregel” als straf kunnen krijgen en 3°nog oudere minderjarigen aan wie in het concrete geval een straf kan worden opgelegd, in ondergeschikte orde, in functie van het beginsel van „pedagogische aanpak boven bestraffing” (§ 53).
- Het essentiële punt voor de overlevering op basis van een EAB blijft de vraag of aan de minderjarige, op grond van zijn leeftijd, een straf kan worden opgelegd (§ 57). De uitvoerende lidstaat kan de overlevering van een minderjarige weigeren wanneer aan deze minderjarige, rekening gehouden met diens leeftijd op het tijdstip waarop het strafbare feit werd gepleegd, krachtens het recht van deze lidstaat geen enkele straf kan worden opgelegd (§ 62). Daarentegen moet de uitvoerende lidstaat wel tot overlevering van de minderjarige overgaan telkens wanneer, rekening gehouden met diens leeftijd op het tijdstip waarop het strafbare feit werd gepleegd, de in de uitvaardigende lidstaat opgelopen straf naar aard en zwaarte overeenkomt met een straf die ook had kunnen worden opgelopen of opgelegd in de uitvoerende lidstaat (§ 62). Ingeval de uitvoerende lidstaat weigert de minderjarige over te leveren, moet deze lidstaat jegens die minderjarige voldoen aan de verplichtingen tot tenlasteneming in het kader van de opvoedingsondersteuning waartoe hij gehouden is (§ 63).
- Uit het arrest Piotrowski volgt dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van minderjarigen, als voorwaarde voor overlevering, niet vasthangt aan een bepaalde leeftijd of aan bepaalde als misdrijf omschreven feiten. Het is aan de EU-lidstaten om rekening houdend met de beginselen van dat arrest uit te maken welke minderjarigen thuishoren in één van de drie categorieën van loutere beschermingsmaatregelen, maatregelen met een pedagogisch doel en de mogelijkheid tot het opleggen van straffen. In het stelsel van het jeugdbeschermingsrecht
(1965)was die derde categorie beperkt tot minderjarigen ouder dan 16 jaar, die naar het strafrecht konden doorstromen na toepassing van de uithandengeving, als maatregelen van opvoeding geen zin meer hadden, of in zaken van verkeersmisdrijven. Het Vlaamse jeugddelinquentierecht
(2019)houdt in dat de jeugdrechtbank aan minderjarigen ouder dan 12 jaar een sanctie opleggen, als reactie op het jeugddelict, met als zwaarste sanctie en laatste optie de gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling (artt. 4, 6 en 29-37 Decreet Vl. 15 februari 2019). De vraag rijst of door deze aanpak van jeugdcriminaliteit de minderjarigen tussen 12 en 16 jaar oud strafrechtelijk verantwoordelijk zijn, en in de derde categorie terechtkomen.
- Het arrest betwist in cassatie maakt in de materie van de overlevering geen strikt onderscheid tussen straffen en sancties, stelt onder meer: - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid verwijst naar de leeftijd vanaf wanneer iemand onder toepassingsgebed van een geheel van rechtsregels valt die niet het gemeen strafrecht zijn; - De Europese Unie laat toe om een minderjarige te onderwerpen aan een strafrechtelijke procedure, hetgeen blijkt uit EU-Richtlijn 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagden zijn in een strafprocedure, waarbij die Kinderrichtlijn geen minimumleeftijd bepaalt vanaf wanneer het aanvaardbaar en toelaatbaar is om minderjarigen strafrechtelijk te vervolgen; - De strafrechtelijke verantwoordelijkheid is niet gedefinieerd op Europees niveau, binnen de Europese Unie. Deze Unie sluit het gebrek van Europese instrumenten, o.a. het EAB, echter niet uit in hoofde van minderjarigen; - Bij gebreke aan een definitie van strafrechtelijke verantwoordelijkheid kan het niet de bedoeling zijn om de lidstaten de mogelijkheid te geven om middels hun eigen nationaal recht het toepassingsgebied van Europese samenwerkingsinstrumenten in te perken; - Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschouwt vrijheidsbeperkende maatregelen met een doorlooptijd van drie maanden als strafrechtelijk van aard. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de reacties/maatregelen/sancties voorzien in de Belgische wetgeving ook tegen minderjarigen jongere dan 16 jaar, als strafrechtelijk van aard kunnen beschouwd worden. - Onder de toepassing van het Belgische recht kan eiser, thans 14 jaar oud, als strafrechtelijk verantwoordelijk worden beschouwd voor zijn daden.
- Het bestreden arrest geeft aan dat minderjarigen ouder dan 14 jaar kunnen worden overgeleverd, op voorwaarde dat het gaat om een strafbaar feit in de uitvaardigende lidstaat dat in Vlaanderen aanleiding kan geven tot de zwaarste reactie op het jeugddelict, namelijk de gesloten plaatsing voor meer dan drie maanden. Aan minderjarigen in de leeftijdscategorie van 14 tot 16 jaar kan de jeugdrechtbank de sancties opleggen van de gesloten begeleiding tot maximaal negen maanden of de plaatsing in een gesloten instelling voor een periode tot maximaal vijf jaar, onder stikte voorwaarden (artt. 29, 36 en 37 Decreet Vl. 15 februari 2019)
(17). 20. De auteurs Jantien LEENKNECHT en Wendy DE BONDT, aangehaald in het bestreden arrest, stellen vast het EU-recht geen autonome criteria aanreikt voor de term ‘niet strafrechtelijk verantwoordelijk zijn’ (art. 3.3 Kaderbesluit 584/2002) en komen op basis van de criteria over het begrip ‘strafzaak’, ontwikkeld door het Europees Hof te Straatsburg in de zaken Engel
(1976)en Öztürk
(1984)tot het besluit dat “de inbreuk die aanleiding geeft tot toepassing van het Jeugddelinquentiedecreet eerder strafrechtelijk dan niet-strafrechtelijk van aard is”, dat “het jeugddelinquentierecht gekwalificeerd moet worden als strafrechtelijk van aard” en “het niet uitgesloten is dat de EU dezelfde mening toegedaan is, waardoor het gebruik van de leeftijdsgerelateerde weigeringsgrond niet toegelaten is”. De auteurs bespreken de (fictieve) situatie van een meisje Merel, 15 jaar oud, die in België woont en in Nederland wordt gezocht voor feiten van drugshandel met de dood van een druggebruiker als gevolg. Volgens hen kan Merel “geconfronteerd worden met de gevolgen van samenwerking in strafzaken en mogelijk een overlevering tussen België en Nederland”
(18). 21. Ik ben van mening dat het criterium van plaatsing in een gesloten instelling, als maatregel of sanctie die de jeugdrechter kan bevelen, niet van belang is om uit te maken of een minderjarige strafrechtelijk aansprakelijk is in de zin van artikel 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel. Uit het arrest Piotroswki (C-367/16), over een 17-jarige verdachte, blijkt duidelijk dat als enige criterium wordt overgehouden de vraag of een straf ‘van gemeen recht’ van toepassing is of kan zijn op de minderjarige aangetroffen in België wiens overlevering vanuit België wordt gevraagd. Die poort naar het gemeen strafrecht klapt voor feiten die geen verkeersmisdrijf zijn alleen open bij uithandengeving. Het komt alleen de rechtscolleges van de uitvoerende staat toe om daarover standpunt in te nemen, aan de hand van de beginselen vooropgesteld in het arrest Piotrowski. Het lijkt mij dan ook niet nodig, anders eiser in ondergeschikte aanbrengt en professor Johan PUT suggereert, om aan het Hof van Justitie een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, gericht op minderjarigen in Vlaanderen in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar
(19). 22. Minderjarigen in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar, aangetroffen of wonende in het Vlaams Gewest
(20), kunnen thans nooit bestraft worden als een meerderjarige, ook niet voor verkeersmisdrijven. Uithandengeving is uitgesloten, hoe ernstig de feiten ook zijn of hoe erg hun persoonlijkheid ook zou ontwricht zijn (art. 38 Decreet Vl. 15 februari 2019 en federaal art. 57bis Jeugdbeschermingswet). Zij komen terecht in een hybride systeem van jeugdrecht, waarin de nadruk ligt op opvoeding en begeleiding. In de reeds aangehaalde conclusie van advocaat-generaal Y. BOT gaat het om minderjarigen van de tweede categorie, die aansprakelijk kunnen zijn, maar geen straf riskeren, wel een maatregel van opvoeding, of in het Vlaamse systeem een reactie op het jeugddelict (artt. 29-37 Decreet Vl. 15 februari 2019). 23. Het concept ‘strafrechtelijke verantwoordelijkheid’ als voorwaarde voor een overlevering is een autonoom begrip, dat alleen kan worden uitgelegd aan de hand van beginselen van het Unierecht. Die term geldt enkel voor minderjarigen van vermelde categorie 3, die in de uitvoerende lidstaat een straf riskeren voor de feiten vermeld in het EAB. Het intern onderscheid tussen maatregelen van opvoeding of sancties is daarbij niet relevant. Advocaat-generaal Frederic VROMAN leidt m.i. terecht uit het arrest Piotrowski af dat toegepast op de Belgische situatie minderjarigen jonger dan zestien jaar niet kunnen worden overgeleverd, omdat zij nooit uit handen kunnen worden gegeven en nooit kunnen worden gestraft
(21). 24. Het is niet omdat de jeugdrechtbank na berechting van de zaak ten gronde een “sanctie” kan opleggen aan minderjarigen die in Vlaanderen wonen of er worden aangetroffen en ouder zijn dan 12 jaar, als reactie op het jeugddelict, (art. 6 en 29 Decreet Vl. 15 februari 2019), dat minderjarigen tussen 12 en 16 jaar strafrechtelijk verantwoordelijk zouden zijn, in de betekenis die de artikelen 3 Kaderbesluit 584/2002 en 4 EAB-wet daaraan geven. Het feit dat de jeugdrechtbank nu geen maatregelen van opvoeding meer oplegt (oud art. 37, § 2 Jeugdbeschermingswet), maar sancties met een beperkte duurtijd, die niet meer verlengbaar zijn omdat er nog problemen zouden zijn in de opvoeding of leefomstandigheden (art. 16, § 2 Decreet Vl. 15 februari 2019), lijkt mij niet tot een ander besluit te leiden. Evenmin van belang is het feit dat tegen een minderjarige jonger dan 16 jaar de strafvordering kan worden ingesteld
(22). Bepalend is immers de uitkomst van die strafvordering, meer bepaald de vraag of er een werkelijke straf aan de minderjarige wordt opgelegd. 25. De sanctie als reactie op het jeugddelict is “het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst” (art. 2, 19° Decreet Vl. 15 februari 2019). Een sanctie als reactie op het jeugddelict is nog steeds geen straf
(23), ook al is er een mate van overeenstemming tussen onder meer de gemeenschapsdienst en de vorming als sancties (art. 29 en 34 Decreet Vl. 15 februari 2019) en de werkstraf en autonome probatiestraf voor de meerderjarige daders (art. 37quinquies en 37octies Strafwetboek). Ook de elektronische monitoring als sanctie (art. 29 Decreet Vl. 15 februari 2019 en Besl. Vl. Reg. 31 mei 2024, BS 24 juli 2024) en het elektronisch toezicht als straf (art. 37ter Sw.) vertonen gelijkenissen. Bovendien past enige nuancering, omdat in het nieuwe Strafwetboek, dat in werking treedt op 8 april 2026, de straffen niet meer gericht zijn op leedtoevoeging, het vergelden van een onrecht (Wet van 29 april 2024, BS 8 april 2024, art. 27 Nieuw Sw.)
(24). De criteria voor de keuze van een sanctie, als reactie op het jeugddelict, zijn opgenomen in art. 16, § 1 Decreet Vl. van 15 februari 2019, onder meer de ernst van de feiten en de persoonlijkheid en leefomgeving van de minderjarige. 26. Ondanks deze aspecten blijft er voor minderjarigen jonger dan 16 jaar op moment van de feiten een waterdichte scheidingsmuur bestaan tussen het gewoon strafrecht en het jeugddelinquentierecht. Het is niet omdat deze minderjarigen aansprakelijk worden gesteld voor een bewezen verklaard jeugddelict
(25), en onder toezicht van de jeugdrechtbank blijven tot het einde van hun sanctie of een beslissing tot intrekking van die sanctie (art. 16 en 29 Decreet Vl. 15 februari 2019), dat deze minderjarigen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn, in de zin van artikel 4, 3° EAB-wet. Het jeugddelinquentierecht is naar het strafrecht toegegroeid, maar is nog geen strafrecht. 27. Naast de autonome interpretatie van het Unierecht, met als regel dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid is gekoppeld aan het opleggen van straffen van gemeen recht, lijken mij volgende elementen van belang. 1°Het is aan de EU-lidstaten om te bepalen vanaf welke leeftijd een minderjarige strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld
(26). Dit uitgangspunt sluit aan op art. 40, lid 3, VN-Kinderrechtenverdrag
(1989)
(27). De Belgische (federale) wetgever had die strafrechtelijke meerderjarigheid in 1965 vastgesteld op 18 jaar (art. 36, 4° JBW), met als uitzondering verkeersmisdrijven en toepassing van de uithandengeving voor minderjarigen ouder dan 16 jaar (art. 36bis en 57bis JBW)
(28). Sinds de zesde staatshervorming
(2014)zijn de Gemeenschappen bevoegd voor jeugdbescherming, behoudens enkele uitzonderingen, zoals de burgerrechtelijke regels over het statuut van de minderjarigen en de uitvoering van straffen uitgesproken na uithandengeving (Art. 5, § 1, II, 6° Bijz. Wet 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, zoals gewijzigd door art. 9 Bijz. Wet 6 januari 2014, BS 31 januari 2014)
(29). Vóór die hervorming was de federale wetgever bevoegd voor ‘de opgave van maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd’
(30). Die federale restbevoegdheid is geschrapt. De Gemeenschappen hebben vanaf 1 juli 2014 de keuze, in functie van de leeftijd van de minderjarige, om jeugdcriminaliteit aan te pakken door maatregelen van opvoeding, sancties of straffen, mits het naleven van de bepalingen van het VN-Kinderrechtenverdrag
(31). Zij kunnen de leeftijd verlagen voor het opleggen van straffen door het mechanisme van de uithandengeving te versoepelen, daarbij niet langer vast te houden aan de minimale leeftijd van 16 jaar
(32). In het actuele jeugddelinquentierecht blijft de leeftijd voor het opleggen van straffen behouden op 18 jaar op het moment van de feiten en op 16 jaar in geval van uithandengeving of verkeersmisdrijven (artt. 2, 10°, 4, 5 en 38 Decreet Vl. 15 februari 2019). De jeugdrechtbank oordeelt niet over misdrijven, maar over ‘jeugddelicten’, die zijn “als misdrijf omschreven feiten” (art. 2, 7° Decreet Vl. 15 februari 2019). Met deze term, opgenomen in oud art. 36, 4° JBW, wou de decreetgever aangeven dat het gewoon strafrecht niet geldt voor minderjarigen, behoudens minderjarigen ouder dan 16 jaar in geval van verkeersmisdrijven of uithandengeving
(33). Een minderjarige beneden de leeftijd van 16 jaar valt in de huidige stand van de wetgeving buiten het toepassing van het strafrecht, en kan om die redenen niet worden overgeleverd, gelet op de beginselen vooropgesteld in het arrest C-367/16 (Piotrowski). 2° Minderjarigen beneden de leeftijd van 16 jaar zijn al sinds de Jeugdbeschermingswet van 15 mei 1912 (BS 27 mei 1912) aan het strafrecht onttrokken en onderworpen aan niet-repressieve vervangingsmaatregelen, met een pedagogisch doel
(34). Zij kunnen worden vervolgd en de jeugdrechtbank kan hen schuldig achten, na vaststelling van het opzet of onachtzaamheid vereist in de strafbaarstelling, maar zij kunnen nooit een ‘straf’ ondergaan, in de betekenis van het gewoon strafrecht
(35). In de grondbeginselen van het jeugddelinquentierecht ontbreekt de notie van bestraffing. Elk optreden tegen een minderjarige moet onder meer voor alle partijen humaan, zinvol en zingevend zijn (art. 3, § 2, 2° Decreet Vl. 15 Vl. februari 2019) en rekening houden met de specifieke situatie (art. 3, § 2, 4° Decreet Vl. 15 februari 2019). Verder worden minderjarigen aangemoedigd om hun verantwoordelijkheid op te nemen, onder meer door herstelbemiddeling of het indienen van een positief project van maatregelen of sancties (artt. 3, § 3, 2°, 12, 13, 21-24 en 30-32 Decreet Vl. 15 februari 2019)
(36). De component van de eigen verantwoordelijkheid van de minderjarige is in het jeugddelinquentierecht belangrijker dan in het jeugdbeschermingsrecht van 1965, waar de klemtoon lag op het begeleiden van minderjarigen in gevaar, wegens tekorten in de opvoeding of leefsituatie. Niettemin is er geen sprake van het terug onderbrengen van minderjarigen in het strafrecht (repenalisering) door hen volledig schuldbekwaam te achten, voor het opleggen van een straf
(37). 3° Tijdens de parlementaire bespreking van het jeugddelinquentierecht gaf de vertegenwoordiger van het College van Procureurs-generaal aan dat Europese strafrechtelijke samenwerking, in de vorm van o.a. overlevering, maar mogelijk is van zodra de betrokkene in aanmerking komt voor uithandengeving, en dus strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn
(38). Men kan uit deze visie afleiden dat minderjarigen jonger dan 16 jaar, voor wie uithandengeving niet mogelijk is, niet strafrechtelijk verantwoordelijk zijn in de zin van EU-normen over internationale samenwerking in strafzaken
(39). Overlevering vanuit België moet dan worden geweigerd. 4° De Belgische rechterlijke autoriteiten kunnen volgens art. 32, § 2/1 EAB-wet alleen een EAB uitvaardigen voor minderjarigen die ouder zijn dan 16 jaar op het moment van de feiten, zich in een EU-lidstaat bevinden en ten aanzien van wie een voorlopige vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken, door de jeugdrechter of jeugdrechtbank. Over deze bepaling, ingelast door art. 13, 2° wet van 11 juli 2018 (BS 18 juli 2018), werd tijdens de parlementaire bespreking aangegeven dat de voorwaarde van 16 jaar of ouder nodig was om “de strafrechtelijke finaliteit van het Europees aanhoudingsbevel in acht te nemen” en “enkel die minderjarigen het voorwerp kunnen zijn van een beslissing tot uithandengeving … en strafrechtelijk kunnen worden vervolgd”
(40). Over België als aangezochte of uitvaardigende lidstaat stelde de memorie van toelichting dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van justitie (vermeld arrest C-367/16) de weigeringsgrond van artikel 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel “moet toegepast worden als de persoon waarvan de overlevering wordt gevraagd een minderjarig van minder dan zestien jaar is”, en de invoering van artikel 32, § 1/1 EAB-wet geen wijzigingen aanbrengt aan die situatie
(41). 28. Om al deze redenen komt het mij voor dat het bestreden arrest niet naar recht is verantwoord, het eerste middel gegrond is een aanleiding kan geven tot cassatie zonder verwijzing van de zaak. De verwijzingsrechter kan m.i. niet tot een andere beslissing komen dan dat de verplichte weigeringsgrond van art. 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is, en eiser wegens het ontbreken van de vereiste strafrechtelijke verantwoordelijkheid naar Belgisch recht niet kan worden overgeleverd. Het is vervolgens aan de procureur des Konings om te onderzoeken of eiser kan worden berecht volgens de regels van het jeugddelinquentierecht, al dan niet door overname van de strafvordering. Het tweede middel over het gelijkheidsbeginsel behoeft geen antwoord. Conclusie: cassatie zonder verwijzing van de zaak. _______________________________
(1)Zie www.wetboek-online.nl, dan doorklikken op rubriek ‘Wetboek van Strafrecht’. Zie ook concl. van plaatsvervangend advocaat-generaal M. DE SWAEF in de zaak Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0780.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.2, AC 2013, nr. 359, punt 3.a. en C.P.M. CLEIREN en J.F. NIJBOER (ed.), Strafrecht. Tekst& Commentaar, Kluwer 1997, 353-357.
(2)H. SANDERS, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2011, 201.
(3)Zie alg. S. DEWULF, Overlevering, APR, Kluwer 2020, 124-130.
(4)Cass. 11 mei 2016, AR P.16.0545.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160511.12, AC 2016, nr. 316, T. Strafr. 2017, 127 noot F. VROMAN, TJK 2016, 352, noot L. MEEUWISSEN, RDPC 2017, noot M. ALIE; Cass. 13 april 2016, AR P.16.0429.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160413.1, AC 2016, nr. 253, RW 2017-18, 1137 noot BDS; Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0780.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.2, AC 2013, nr. 359, met concl. van plaatsvervangend advocaat-generaal M. DE SWAEF, T.Strafr. 2013, 252, noot J. VAN GAEVER, TJK 2013, 295, noot S. HESPEL. Contra: Cass. 6 februari 2013, AR P.13.0172.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130206.3, AC 2013, nr. 88, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., TJK 2013, 176 noot S. HESPEL; Over de overlevering van minderjarigen vanuit België zie F. ROGGEN, “L’application du mandat d’arrêt européen au mineur d’âge de plus de seize ans: la protection de l’intérêt de l’enfant à l’épreuve de l’harmonisation européenne”, in Liber amicorum François Glansdorff et Pierre Legros, Bruylant 2013, 881-898; J. VAN GAEVER, Europees aanhoudingsbevel, Kluwer 2013, 71-77; C. LAFFINEUR en S. NEVEU, “L’exécution en Belgique de mandat d’arrêts europééens émis à l’encontre de mineurs âgés de seize ans ou plus : contexte du problème et chronique d’une jurisprudence incertaine”, RDPC 2017, 82-99; S. DEWULF, Overlevering, APR, 2020, 124-130; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, die Keure 2021, nr. 1018; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 2085-2086.
(5)F. VROMAN, “Het Europees aanhoudingsbevel en de passieve overlevering door België van minderjarigen ouder dan zestien jaar: to be or not to be, that is the question”, T. Strafr. 2017, 130.
(6)Over beide wetsbepalingen inzake uithandengeving zie J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, die Keure 2021, 417-434.
(7)J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR, Kluwer, 1996, nrs. 789-1092; C. ELIAERTS, “Gerechtelijke bescherming van de jeugdigen”, in Jongeren&Recht, Intersentia, 2003, 135-173; I. DE JONGHE en L. UYTTENHOVE, Hulpverlening en recht, Intersentia 2020, 182-183.
(8)F. TULKENS en T. MOREAU, Droit de la jeunesse, Larcier 2000, 633-658.
(9)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, Story-Scientia, Deel 3, 654; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht. Een benadering in context, Intersentia 2021, 589; S. DE BUS, “Betekenis geven aan ‘jeugdrechter-zijn’ in de praktijk”, TJK 2022, 122.
(10)A. WINANTS, “Actuele beschouwingen over het Europees aanhoudingsbevel”, in Strafrecht…meer dan ooit, die keure 2011, 37.
(11)J. DANCKAERTS, “De rol van de jeugdrechter versus het parket in het Vlaamse jeugddelinquentierecht”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 67-68; R. GERITS, “Delictgericht contextbegeleiden en samenwerken tussen private organisaties”, in Het Vlaamse Jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 163-175; L. HOFKENS, “Samenplaatsing of gescheiden plaatsing van MOF- en VOS-jongeren in een gesloten jeugdinstelling: wat is kinderrechtenproof?”, TJK 2021, 162-178.
(12)D. DE WAELE, “Naar een versterkte positie van het jeugdparket?”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 39.
(13)HvJ 23 januari 2018, C-367/16 (Piotrowski), www.curia.europa.eu, RDPC 2018, 967 noot C. LAFFINEUR en S. NEVEU, T. Strafr. 2018, 108 noot F. VROMAN (111-115); J. LEENKNECHT en W. DE BONDT, “Jeugddelinquentierecht over de grenzen heen”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier, 2019, 230-231; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 129-130; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 2086; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, die Keure 2021, nr. 1020.
(14)Concl. van advocaat-generaal Y. BOT in de zaak C-367/16 (Piotrowski), 6 september 2017, www.curia.europa.eu. Voor een grondige bespreking ervan zie F. VROMAN, “Het Europees aanhoudingsbevel en de passieve overlevering door België van minderjarigen. Het antwoord van het Hof van Justitie: zestienjarigen kunnen altijd worden overgeleverd”, T. Strafr. 2018, 111-115; V. BEAUGRAND, “L’arrêt Piotrowski ou l’absence de prise en compte de la préférence éducative dans le cadre d’un mandat d’arrêt européen émis à l’encontre d’un mineur”, in V. BEAUGRAND, D. MAS, M. VIEUX (eds), Sa justice. L’Espace de Liberté, de Sécurité et de Justice. Liber amicorum en hommage à Yves Bot, 2022, Bruylant, 331-340.
(15)J. LEENKNECHT en W. DE BONDT, “Jeugddelinquentierecht over de grenzen heen”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 231.
(16)Concl. van advocaat-generaal Y. BOT in de zaak C-367/16, www.curia.europa.eu.
(17)Zie hierover J. PUT, Handboek Jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 399-400.
(18)J. LEENKNECHT en W. DE BONDT, “Jeugddelinquentierecht over de grenzen heen”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 236 en 237.
(19)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, die Keure 2021, nr. 1020, “Wat het antwoord van het Hof zou zijn op de vraag of een 15-jarige op basis van het Vlaamse jeugddelinquentierecht kan worden overgeleverd, is bijgevolg onduidelijk. Daar ligt de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid immers uitdrukkelijk op 12 jaar en wordt het beschermingsmodel verlaten als (enige) uitgangspunt. Of dat gevolg heeft dat Vlaanderen de overlevering van 12-jarigen moet toestaan of alsnog de weigeringsgrond van artikel 4, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan toepassen, is bijgevolg voer voor een nieuwe prejudiciële vraag”.
(20)Voor de territoriale toepassing van het jeugddelinquentierecht gelden de criteria van art. 44 Jeugdbeschermingswet, zie F. VROMAN, “Over de noodzaak tot rechterlijk activisme in het jeugdrecht”, RW 2017-18, 488-489; J. LEENKNECHT en W. DE BONDT, “Jeugddelinquentierecht over de grenzen heen”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 227-228.
(21)F. VROMAN, “Het Europees aanhoudingsbevel en de passieve overlevering door België van minderjarigen. Het antwoord van het Hof van Justitie: zestienjarigen kunnen altijd worden overgeleverd”, T. Strafr. 2018, 113.
(22)Over de term ‘strafvordering’ in het jeugddelinquentierecht (Decr. Vl. 15 februari 2019), zie onder meer het verval van de strafvordering na een gelukte herstelbemiddeling of een gelukt positief project aangeboden door de procureur des Konings (artikelen 12 en 13).
(23)K. VEECKMANS, De doorwerking van het strafrecht in het jeugddelinquentierecht, Boomjuridisch, 2023, 295 en 591
(24)P. HOET, “Het Hof van Cassatie, de motivering van de straftoemeting en strafdoelen”, in Het Hof van Cassatie in dialoog. Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 2024, 530-538; D. VANDERMEERSCH, “De hervorming van de wetboeken in strafzaken: een noodzakelijke sprong van de 19e naar de 21ste eeuw” (Mercuriale), RW 2020-21, 407; J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH (m.m.v. J. DE HERDt, M. DEBAUCHE en M. TAEYMANS, Commissie voor de Hervorming van het strafrecht, Voorstel van het Voorontwerp van Boek I van het strafwetboek, die keure 2016, 98-102.
(25)Op dit punt zie J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, die Keure 2021, nr. 1020.
(26)S. DEWULF, Overlevering, APR, Kluwer, 129.
(27)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 282.
(28)K. VEECKMANS, De doorwerking van het strafrecht in het jeugddelinquentierech”, Boomjuridisch, 2023, 159-167
(29)Zie alg. W. VANDENBRUWAENE, “Justitie: strafrechtelijk beleid, jeugdsanctierecht en justitiehuizen”, in De zesde staatshervorming: instellingen, bevoegdheden en middelen, Antwerpen, Intersentia 2014, 307-308; J. PUT en S. HESPEL, “Het jeugdbeschermingsrecht en de zesde staatshervorming”, Panopticon 2014, 462-467; K. VEECKMANS, De doorwerking van het strafrecht in het jeugddelinquentierecht, Boomjuridisch 2023, 585 “de gemeenschappen staan in voor het gehele materiële jeugddelinquentierecht” en 596, “de basisvoorwaarden van de uithandengeving houden in de nieuwe regeling stand”.
(30)W. PAS, “Bevoegdheidsvraagstukken”, in Het nieuwe jeugdrecht, Larcier 2006, 16.
(31)Voorstel van wet met betrekking tot de zesde staatshervorming, Zitting Senaat van 25 juli 2013, Memorie van Toelichting, Parl. St. Senaat, zitting 2012-13, doc 5-2232/1, p. 55-56, www.senate.be
(32)Ontwerp van Decreet betreffende het jeugddelinquentierecht, Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2017-18, doc 1670-1, p. 4, www.vlaamsparlement.be en het Advies van de Raad van State, doc 1670/1, p. 236: “de gemeenschappen zijn bevoegd om de uithandengeving te regelen”. Zie ook T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 192.
(33)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 274, die hierover stelt: “het misdrijfbegrip is niet in zijn totaliteit transponeerbaar naar het jeugddelinquentierecht”.
(34)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 147 en 305.
(35)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 275-276; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 147 en 305; K. VEECKMANS, De doorwerking van het strafrecht in het jeugddelinquentierecht, Boomjuridisch 2023, 295 en 591-596.
(36)Op dit punt zie Omzendbrief 9/2019 van het College van Procureurs-Generaal over het Vlaams Decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, Herziene versie van 13 februari 2023, p. 3 en (in het bijgaand Draaiboek), p. 4, www.om-mp.be; D. DE WAELE, “Naar een versterkte positie van het jeugdparket?”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 39; J. DANCKAERTS, “De rol van de jeugdrechter versus het parket in het Vlaamse jeugddelinquentierecht”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 69-70; K. VEECKMANS, “Het historisch spanningsveld tussen het strafrecht en het jeugddelinquentierecht: the struggle for independence”, TJK 2020, 234 en 241; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 48; S. DE BUS, “Het jeugdrechtbankdossier en de verslaggeving in de jeugdrechtbankpraktijk”, TJK 2023, 124 en 131.
(37)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA, 2022, 307.
(38)Ontwerp van Decreet betreffende het jeugddelinquentierecht, Hoorzitting van 14 november 2018, Interventie van advocaat-generaal Dirk DE WAELE, Parl. St. Vl. Parl. 2017-18, doc 1670-6, p. 43, www.vlaamsparlement.be
(39)J. LEENKNECHT en W. DE BONDT, “Jeugddelinquentierecht over de grenzen heen”, in Het Vlaamse jeugddelinquentierecht, Larcier 2019, 235.
(40)Wetsontwerp van 12 maart 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, Doc 2969/001, p. 22, www.dekamer.be.
(41)Wetsontwerp van 12 maart 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, Doc 2969/001, p. 22, www.dekamer.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241008.2N.30 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.30 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130206.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160413.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160511.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div