id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.8 Rolnummer: C.23.0486.N Zaak: VERA CRUZ nv contra GOOD LIFE HOLDING cv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-12-05 Raadplegingen: 598 - laatst gezien 2026-06-17 14:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.8 Fiche 1 Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel houdende eerbied voor de rechtmatige verwachtingen van een derde. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 2 De verkrijger kan de handelshuur opzeggen binnen een termijn van drie maanden vanaf het ogenblik dat hij een zakelijk recht verkrijgt op het goed dat hem het genot ervan verschaft; het zich louter gedragen als titularis van een zakelijk recht op het goed waaronder het innen van de huur voorafgaand aan het verkrijgen van dat zakelijk recht, volstaat niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (Opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 12, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1951043003 Tekst van de conclusie C.23.0486.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE:
- Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat bij overeenkomst van 18 januari 2019 de firma WDP, zijnde de rechtsopvolger van de oorspronkelijke handelsverhuurder, aan een aan verweerster gelieerde vennootschap een aankoopoptie verleent met betrekking tot het door eiseres gehuurde handelspand. Bij brief van 28 juni 2019 beslist deze laatste voornoemde aankoopoptie te lichten. Op 11 december 2019 laten WDP en de verweerster de authentieke akte verlijden houdende verkoop van het door de eiseres gehuurde handelspand. Bij aangetekende brief van 20 december 2019 zegt de verweerster de handelshuurovereenkomst op bij toepassing van de artikelen 12 en 16, I, 3° van de Handelshuurwet, met inachtneming van een opzeggingstermijn van één jaar aanvangende op 24 december 2019 om te eindigen op 23 december
- De verweerster deelt aan de eiseres mee dat zij zinnens is om het gehuurde handelspand af te breken en herop te bouwen wegens ouderdom zodat zij eiseres overeenkomstig artikel 25, 1° van de Handelshuurwet geen vergoeding verschuldigd is. De eiseres betwist de regelmatigheid van de opzegging van de handelshuurovereenkomst door de nieuwe eigenaar, in het bijzonder de tijdigheid ervan. Zowel de vrederechter als de appelrechter in het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Leuven van 7 december 2022 oordelen dat de verweerster regelmatig binnen de drie maanden na de verkrijging van het gehuurde pand de handelshuurovereenkomst kon opzeggen
- De eiseres komt met twee onderdelen op tegen dit vonnis.
- Bespreking.
- De beide onderdelen van het enig middel steunen op de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbied voor de rechtmatige verwachtingen van een derde (de zogenaamde vertrouwensleer), dat volgens de eiseres zijn juridische grondslag vindt in het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt, en bevestiging vindt in de oude artikelen 1156 en 1321 van het oud Burgerlijke Wetboek. Het eerste onderdeel stelt dat de termijn van drie maanden waarbinnen de nieuwe verkrijger de handelshuur kan opzeggen een aanvangt neem vanaf het ogenblik dat de handelshuurder er rechtmatig op mag vertrouwen dat de verkrijger het goed zakenrechtelijk heeft verkregen en die schijntoestand aan de verkrijger is toe te rekenen. Het tweede onderdeel voert aan dat de appelrechter heeft nagelaten na te gaan of de verweerster zich in de gegeven omstandigheden niet schuldig maakte aan rechtsmisbruik.
- De vertrouwensleer of het ‘beginsel houdende eerbied voor de rechtmatige verwachtingen van een derde’ wordt niet aanzien als een algemeen rechtsbeginsel die dient als autonome bron van rechten en verplichtingen. Bepaalde auteurs pleiten hier wel voor
(1). In het nieuwe verbintenissenrecht erkent artikel 5.3 BW inzake de bronnen van de verbintenissen het gewekt rechtmatige vertrouwen niet als een bron van verbintenissen
(2). 5. Vooraf dient te worden opgemerkt dat de eiseres het middel van de vertrouwensleer of rechtsmisbruik niet heeft aangevoerd in haar syntheseconclusie voor de appelrechter. In zoverre kan het middel als nieuw en niet ontvankelijk worden aangemerkt. Evenwel kan het verbod op rechtsmisbruik worden aangemerkt als zijnde van dwingend recht
(3). Een onderdeel dat de schending aanvoert van een algemeen rechtsbeginsel dat van dwingend recht is, is niet nieuw en kan voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd
(4). De vraag of een regel van dwingend recht of van aanvullend recht lijkt niet meer relevant in het debat of een middel ‘nieuw’ is. Toegepast op de huidige zaak stelt zich de vraag of de rechter het in het onderdeel aangevoerde verbod op rechtsmisbruik zelf had moeten toepassen en, zo ja, of hij dat heeft gedaan.
- De eiseres beroept zich op een algemeen rechtsbeginsel houdende eerbied voor de rechtmatige verwachtingen van een derde, terwijl geen dergelijk algemeen rechtsbeginsel bestaat. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiseres merkt terecht op dat rechtmatige verwachtingen van een derde als een toepassing kan worden aanzien van het verbod op rechtsmisbruik, toepasselijk bij de uitoefening van een recht dat objectief gezien onverenigbaar is met het gedrag van de titularis, waarmee hij het gewettigd vertrouwen beschaamt dat hij bij de ander deed ontstaan, zoals thans voorzien in artikel 1.10 en 5.73 van het Burgerlijk Wetboek. In het arrest van 23 november 2023 erkent het Hof dat rechtsmisbruik kan bestaan wanneer een persoon door de wijze waarop hij zijn recht uitoefent het gewettigde vertrouwen beschaamt dat hij bij een ander persoon deed ontstaan
(5), en dat aldus de figuur van rechtsverwerking via het verbod op rechtsmisbruik toepassing kan vinden
(6).
- De toepassing van de vertrouwensleer of rechtsmisbruik houdt volgens de eiseres in deze zaak in dat de verweerster zich (door het innen van huurgelden) gedurende maanden vóór de formele eigendomsoverdracht heeft gedragen als de eigenares van het pand waardoor bij de eiseres het rechtmatig vertrouwen is ontstaan dat de verweerder het goed zakenrechtelijk heeft verkregen en de vervaltermijn van drie maanden bedoeld in artikel 12 geacht moet worden te zijn beginnen lopen vanaf het ogenblik van het ontstaan van het rechtmatig vertrouwen, zelfs al had in werkelijkheid de eiseres op dat ogenblik het pand zakenrechtelijk nog niet verkregen.
- De zich aandienende rechtsvraag omvat twee aspecten, namelijk enerzijds de vraag naar het startpunt van de vervaltermijn van drie maanden waarbinnen de nieuwe eigenaar de bestaande handelshuur met een geldige reden kan opzeggen, anderzijds de vraag welke de impact kan zijn van de toepassing van de vertrouwensleer als verschijningsvorm van rechtsmisbruik. De beide onderdelen zijn erop gericht om met toepassing van de vertrouwensleer/rechtsmisbruik de startdatum van de vervaltermijn te bepalen.
- Overeenkomstig artikel 12 van de Handelshuurwet mag de nieuwe eigenaar de huurder slechts uitzetten in wel bepaalde gevallen, en mits hij de huur opzegt, één jaar vooraf, en binnen drie maanden na de verkrijging. Over het moment van ‘de verkrijging’ die de vervaltermijn van drie maanden doet aanvangen, bestaan in de rechtspraak en rechtsleer verschillende visies. Aanvankelijk werd geopperd dat de ‘verkrijging’ moest worden gelijkgesteld met het overschrijven van de akte in het hypotheekregister
(7). Bij arrest van 8 april 1957 oordeelt het Hof dat de huurder geen derde is in de zin van artikel 1 van de wet van 16 december 1851 (de Hypotheekwet) en legt de nadruk op het ogenblik van het verlijden van de akte
(8). Een andere strekking neemt aan dat de aanvangsdatum overstemt met de datum van het onderhandse verkoopcompromis
(9). Nog een andere strekking stelt dat de termijn begint te lopen op het ogenblik waarop de overeenkomst houdende de vervreemding vaste datum heeft gekregen, namelijk de datum van het verlijden van de authentieke akte of de registratie van de onderhandse verkoopovereenkomst
(10). Een vijfde strekking stelt dat het vertrekpunt van de termijn het ogenblik is waarop de huurder formeel over de verkoop en de identiteit van de nieuwe eigenaar werd ingelicht
(11). Een andere strekking stelt voorop dat de datum van de eigendomsoverdracht allesbepalend is
(12). Er is ook nog het standpunt dat de dag van de overdracht van het genot bepalend is krachtens een contract met vaste datum
(13). Tenslotte is er ook de strekking dat met ‘opzeg binnen drie maanden na de verkrijging’ de situatie wordt bedoeld waarin de verkrijger, enerzijds, zakenrechtelijk heeft verkregen én, anderzijds, verbintenisrechtelijk het genot heeft verkregen van het gehuurde goed
(14). In die stelling is het onvoldoende louter
- a)het verbintenisrechtelijk genot te hebben verkregen van het gehuurde goed waardoor men het recht krijgt de huurgelden te innen, of
- b)(louter) het goed te hebben ‘gekocht’, doch nog niet het eigendomsrecht te hebben verkregen
(15). Dat er sprake moet zijn van de overdracht van het genot, is vastgekoppeld aan de bevoegdheid om op te zeggen. Zolang de verkrijger het genot niet heeft, kan hij niet overgaan tot opzeg
(16). De tekst van de wet vereist dat er ‘verkrijging’ is, hetgeen verantwoordt dat er werkelijke zakenrechtelijk verkrijging van het pand moet zijn, namelijk een eigendomsoverdracht of de vestiging van een zakelijk gebruiks- en genotsrecht
(17). Daar waar de wetgever met de vervaltermijn beoogde dat de huurder niet lang in onzekerheid zou blijven over de intenties van de nieuwe eigenaar, moet ook worden aangenomen dat de termijn kan pas beginnen lopen van zodra de verkrijger kan beschikken over die rechten een zakelijk gebruiks- en genotsrecht. Deze laatste visie verdient mijns inziens de voorkeur en komt ook tot uiting in het arrest van 21 januari 2000 waarin het Hof de redenering van de appelrechters niet heeft gecasseerd dat wanneer in de overeenkomst de eigendomsoverdracht wordt opgeschort tot op de dag van het verlijden van de akte en de termijn en pas vanaf dat ogenblik de termijn begint te lopen waarbinnen de verkrijger opzeg kan geven
(18). In de toepassing van die rechtsregel volstaat het niet dat de (toekomstige) nieuwe eigenaar louter de bevoegdheid heeft om de huurgelden te innen maar niet over het zakenrechtelijk eigendoms- en genotsrecht kan beschikken om de handelshuur op te zeggen. Tegen die achtergrond komt het vanuit de optiek van de nieuwe eigenaar niet redelijk voor dat zou worden aangenomen dat hij misbruik heeft gemaakt van een recht waarover hij niet beschikt, namelijk door het ogenschijnlijk te hebben verwerkt. De onzekerheid of louter de schijn, vanuit de optiek van de handelshuurder, dat de nieuwe eigenaar over zakenrechtelijk eigendoms- en genotsrecht beschikt, kan in die rechtsregel niet volstaan om de vervaltermijn te doen aanvangen. Het komt me voor dat het vereiste zakenrechtelijk eigendoms- en genotsrecht, waarover voldoende juridische zekerheid zal bestaan, niet kan wijken voor opgewekte percepties en de vertrouwensleer, zoals door de eiseres aangevoerd in het onderdeel. Het volgen van de stelling van de eiseres zou aanleiding geven tot meer rechtsonzekerheid en discussies over subjectieve percepties van het gedrag van de verkrijger als nieuwe eigenaar, terwijl over het zakenrechtelijk eigendoms- en genotsrecht juridisch wel (duidelijker) zekerheid zal bestaan.
- Daar waar de rechtsregel kan worden aangenomen dat met ‘verkrijging’ wordt bedoeld dat de verkrijger zowel zakenrechtelijk heeft als verbintenisrechtelijk het genot heeft verkregen van het goed, komt het me voor dat de appelrechter die regel correct heeft toegepast. Door te oordelen dat het niet volstaat dat de verkrijger de huurgelden int en zich daarom ‘gedraagt als eigenaar’ en bijkomend te vereisen dat er sprake moet zijn van het verlijden van de akte omdat de eigendomsoverdracht tot dan was uitgesteld, waardoor er dan pas ‘zakenrechtelijke verkrijging’ was van het gehuurde goed, verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht.
- Het eerste onderdeel dat ervan uitgaat dat de termijn van drie maanden na de verkrijging zoals voorzien in artikel 12 van het Handelhuurwet een aanvangt neemt “vanaf het ogenblik dat de handelshuurder er rechtmatig op mag vertrouwen dat de verkrijger het goed zakenrechtelijk heeft verkregen en die schijntoestand aan de verkrijger is toe te rekenen”, faalt mijns inziens naar recht.
- Het tweede onderdeel gaat ervan uit dat de rechter heeft nagelaten na te gaan of de verweerster zich in de gegeven omstandigheden niet schuldig maakte aan rechtsmisbruik.
- Wat betreft de taak van de rechter behoort het m.i. tot de geëvolueerde (vaste) rechtspraak van het Hof dat de rechter ertoe gehouden is de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of hun verweer. Dit betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke doch niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen
(19).
- De vastgestelde feiten laten geenszins toe enig rechtsmisbruik in hoofde van de verweerster vast te stellen, waardoor de appelrechter niet zelf rechtsmisbruik diende uit te sluiten. Bovendien heeft het Hof pas voor het eerste bij arrest van 16 november 2023 het beschamen van het legitieme vertrouwen erkend als een bijzonder criterium van rechtsmisbruik terwijl het bestreden vonnis dateert van voordien, namelijk van 7 december
- In het licht van de toen heersende opvattingen met betrekking tot het verbod op rechtsmisbruik konden de partijen niet redelijk verlangen en verwachten dat de appelrechter zelf het verbod op rechtsmisbruik zou onderzoeken. Het tweede onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen Besluit: verwerping. _____________________________
(1)Zie o.m.: B. VERHEYE, “Schijnvertegenwoordiging en vertrouwensleer revisited”, RW 2020-21,
(1163)1179-1180 (althans als bron van verbintenissen en de uitvoering en interpretatie van verbintenissen); en X. DIEUX, Le respect dû aux anticipation légitimes d’autrui, Brussel, Bruylant 1995, 184 e.v. en 235 e.v.; zie ook de verwijzingen bij S. STIJNS en S. DE REY, “Het nieuwe verbintenissenrecht in Boek 5 BW – Deel I”, RW 2022-23,
(923)929, voetnoot 54.
(2)Het wetsvoorstel vermeldt bij artikel 5.3. BW dat de afbakening van ‘de gewekte schijn of het gewettigd vertrouwen’ moeilijk te bepalen is en dat de erkenning van dergelijk beginsel de rechtszekerheid zou kunnen schaden. Kamer, DOC 55, 1806/001, 17, https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/55/1806/55K1806001.pdf. Hieruit blijkt m.i. voldoende duidelijk dat de wetgever de vertrouwensleer of het gewerkt rechtmatig vertrouwen niet als autonome bron van verbintenissen heeft willen erkennen. Volgens T. VANSWEEVELT en B. WEYTS heeft de wetgever hiermee de deur toch een kier laten staan; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, “De schijn- of vertrouwensleer” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2023,
(103)109, nr. 163).
(3)Zie het nieuwe artikel 1.10 BW en S. STIJNS en S. DE REY, “Het nieuwe verbintenissenrecht in Boek 5 BW – Deel I”, RW 2022-23, 941.
(4)Cass. 28 april 2022, AR C.21.0420.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 21 maart 2008, AR C.06.0599.F, AC 2008, nr. 196, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080321.1; Cass. 14 oktober 2004, AR C.03.0454.F, AC 2004, nr. 483, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6, RCJB 2005, 717, noot O. MIGNOLET, RW 2005-06, 859, noot C. CAUFFMAN.
(5)Cass. 16 november 2023, AR C.23.0053.N, AC 2023, nr. 744, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231116.1N.13, RW 2023-2024/42, 1669.
(6)POLLEFEYT F., “Beschamen van rechtmatig vertrouwen erkend als bijzonder criterium van het verbod op rechtsmisbruik”, RW 2023-24, afl. 42, 1670.
(7)Senaat, vergadering van dinsdag 24 januari 1950, Parl.Hand., nr. 15, p. 245; H. DE PAGE, “Droit civil, Complément”, vol. III, Complément aux tomes IV et V du Traité, Bruylant, Brussel, 1952, 198, voetnoot 1; REYNTENS en VAN REEPINGHEN, “Précis de propriété commerciale: étude de la loi du 30 avril 1951 sur lex baux commerciaux en vue de la protection du fonds de commerce”, Larcier, Brussel, 1951, 173 nr. 138; zie ook hierover, zonder stelling in te nemen: H. DE PAGE, Traité, IV, 3e uitg., 857, nr. 791a, voetnoot 6.
(8)Cass. 8 april 1957, Pas. 1957, I, 970, RCJB 1958, 95, met kritische noot J. DABIN; zie ook Cass. 30 oktober 1958, Pas. 1959, I, 216.
(9)J. VANKERCKHOVE, “Chronique de jurisprudence - Baux à loyer - Baux commerciaux (1975-1988)”, JT 1988,
(349)354, n° 65; Vgl.: Vred. Antwerpen 24 maart 1992, T.Not. 1993, 308 (er is verkrijging op het ogenblik waarop er een wilsovereenstemming bestaat over de zaak en de prijs en er geen voorbehoud is van eigendomsrecht tot aan de authentieke verkoopakte); zie ook L. SIMONT en J. DE GAVRE, “Examen de jurisprudence (1965-1968) Les contrats spéciaux”, RCJB 1969, 588, nr. 61 (zij verwijzen naar het ‘tekenen van de akte’, de vorige eigenaar kan evenwel niet meer opzeggen vanaf het verkoopcompromis); Vred. Namen, 5 februari 1965, JL 1964-1965, 192.
(10)A. PAUWELS, M. VRANCKEN, A. LINDERS en L. LINDERS, “Commentaar bij art. 12 Handelshuurwet” in Commentaar bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2014,
(1)4; zie ook in deze zin: D. MICHIELS, “De huurovereenkomst bij vervreemding van het verhuurde goed”, RW 1991-92,
(657)661; A. VAN OEVELEN, “De gevolgen van de vervreemding van het verhuurde goed op de lopende huurovereenkomst. Deel 2”, Not.Fisc.M. 1991,
(237)246-
- Zie ook: Rb. Gent 20 februari 1995, T.Not. 1996,
- Vgl.: K. CREYF, “Overdracht of vervreemding van het gehuurde goed” in Handelshuur, Brugge, die Keure 2012,
(241)256, nr. 41 (de termijn begint te lopen vanaf de kennis van de eigendomsoverdracht en verwittiging daarvan en minstens vanaf het ogenblik waarop de overeenkomst vaste datum heeft verkregen); K. VANHOVE, “Handelshuur”, Brussel, Intersentia 2014, 275 (er moet sprake zijn van daadwerkelijke eigendomsoverdracht en de koop moet vaste dagtekening hebben verkregen).
(11)Vred. Brasschaat 29 september 1971, RW 1971-72, 673; Vred. Schaarbeek 9 december 1993, JLMB 1994, 1012, noot; Vred. Sint-Jans-Molenbeek 5 mei 1992, T.Vred. 1992, 201 (verwijst naar de kennis van de huurder en ten laatste de datum van de overschrijving van de notariële verkoopakte); zie ook M. VANDERMERSCH en T. DE RIDDER, “Le point de départ du délai fixé par l’article 12 de la loi sur les baux commerciaux: évolution jurisprudentielle” (noot onder Vred. Schaartbeek 9 december 1993), JLMB 1994, 1015-1016. Vgl. K. CREYF, “Overdracht of vervreemding van het gehuurde goed” in Handelshuur, Brugge, die Keure 2012,
(241)256, nr. 41 (de termijn begint te lopen vanaf de kennis van de eigendomsoverdracht en verwittiging daarvan en minstens vanaf het ogenblik waarop de overeenkomst vaste datum heeft verkregen))
(12)Cass. 21 januari 2000, AR C.96.0313.F, AC 2000, nr. 55, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000121.6, RW 2002-03, 1053, noot, JLMB 2000, 1324, noot SACE; Vred. Sint-Niklaas 25 februari 2002, RW 2002-03, W. VAN PUTTEN, “Vervreemding van het gehuurde goed” in Praktijkgids huur, Mechelen, Kluwer 2023, II.7-4, 66, nr. 2257. Vgl.: K. VANHOVE, “Handelshuur”, Brussel, Intersentia 2014, 275 (er moet sprake zijn van daadwerkelijke eigendomsoverdracht én de koop moet vaste dagtekening hebben verkregen).
(13)M. VLIES, “La vente du bien loué, des incertitudes légales aux hésitations jurisprudentielles” in P. JADOUL en M. VLIES (eds.), 50 ans d’application de la loi sur les baux commerciaux. Actes du colloque du 21 mars 2002, Brugge, die Keure 2002,
(129)142 (verwijst zowel naar de overdracht van het genot als naar de vaste datum van het contract en, in tweede orde, naar de eigendomsoverdracht); B. LOUVEAUX, “Le régime spécifique du bail commercial” in Le droit du bail commercial, Brussel, Larcier 2010,
(610)629-230 (althans in een eerste beweging, hij verwijst ook naar de eigendomsoverdracht); zie goedkeurend hierover: J. HERBOTS et al., “Onderhuur en overdracht van huur” in Handelshuur in OGP, Mechelen, Kluwer 2002, II.C.6-2).
(14)R. JANSEN, “Overdracht van het gehuurde goed onder de handelshuurwet” in Handelshuur een actuele stand van zaken, Antwerpen, Intersentia 2018,
(169)181; vgl. met M. VLIES en L. DEBROUX, “Transmission du bien loué” in Les baux. Commentaire pratique, Luik, Kluwer 2014, III.5.3., 22, 46 (ze verwijzen naar de genotsovergang, de eigendomsoverdracht én het verwerven van een vaste datum) en met B. LOUVEAUX, “Le régime spécifique du bail commercial” in Le droit du bail commercial, Brussel, Larcier 2010,
(610)631-633 (verwijst zowel naar de genotsovergang als de eigendomsoverdracht).
(15)zie voor deze laatste voorwaarde: K. VANHOVE, “Handelshuur”, Brussel, Intersentia 2014, 275 (er moet sprake zijn van daadwerkelijke eigendomsoverdracht en de koop moet vaste dagtekening hebben verkregen).
(16)B. LOUVEAUX, “Le régime spécifique du bail commercial” in Le droit du bail commercial, Brussel, Larcier 2010,
(610)629-630, nr. 685 en R. JANSEN, “Overdracht van het gehuurde goed onder de handelshuurwet” in Handelshuur een actuele stand van zaken, Antwerpen, Intersentia 2018,
(169)181, nr. 16.
(17)R. JANSEN, “Overdracht van het gehuurde goed onder de handelshuurwet” in Handelshuur een actuele stand van zaken, Antwerpen, Intersentia 2018,
(169)181, nr. 16.
(18)Cass. 21 januari 2000, AR C.96.0313.F, AC 2000, nr. 55, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000121.6, RW 2002-03, 1053, noot, JLMB 2000, 1324, noot SACE; zie ook Vred. Sint-Niklaas 25 februari 2002, RW 2002-03, 1312.
(19)Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0096.N, AC 2023, nr. 37, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000121.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080321.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231116.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div