← België

CLONEN, vereffenaar EUR ADVICE BV contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.9 Rolnummer: C.22.0362.N Zaak: CLONEN, vereffenaar EUR ADVICE BV contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2024-12-05 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-06-15 07:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.9 Fiches 1 - 4 Gezien de vraag rijst of de wetgever op een grondwettelijk toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, en anderzijds artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de loop van de verjaring van de vordering kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering, bestaat er grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 5 - 6 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen; of de rechter dit kan, hangt af van de leemte zelf; indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen; indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 8 De leemte inzake het vertrekpunt van de verjaring in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meer vennoten is niet van die aard dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist. Aan de ongrondwettigheid kan zonder meer een einde worden gesteld door artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen aan te vullen in die zin dat, zoals het geval in het vierde streepje van deze bepaling, de termijn van vijf jaar in dat geval begint te lopen te rekenen van de ontdekking van de verborgen gehouden verrichtingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de conclusie C.22.0362.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE:
  1. Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
  2. Bij vonnis gewezen op 28 januari 2014 werd EUR ADVICE BV, hierna kortweg “de vennootschap”, gerechtelijk ontbonden, wegens het niet neerleggen van een jaarrekening voor de drie voorafgaande boekjaren. Eiser werd aangesteld als vereffenaar.
  3. Eiser dagvaardde verweerders op 16 januari 2020 voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, teneinde verweerders, in hun hoedanigheid van vennoten (op grond van artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen), en eerste verweerder eveneens in zijn hoedanigheid van zaakvoerder (op grond van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen), hoofdelijk te horen veroordelen tot het passief van de vennootschap, begroot op 432.019,77 euro, of, ondergeschikt, tot terugbetaling van vennootschapsgelden ten bedrage van 25.646 euro en 340.750 euro, die onterecht op de privérekening van respectievelijk eerste en tweede verweerder werden overgeschreven. Eiser voert aan dat zijn vordering werd ingegeven door de vaststelling, tijdens de vereffeningswerkzaamheden, dat de vennootschap in 2008 een onroerend goed kocht voor 420.000 euro, doch dit pand niet in de jaarrekening stond vermeld; dat bleek dat de vennootschap het pand verkocht in 2012 voor 395.000 euro; dat de notaris eiser op 24 juni 2016 in kennis stelde van de verkoopakte en dat de KBC-Bank op 20 mei 2019 aan eiser de rekeninguittreksels overmaakte waaruit de overschrijving van de gelden naar de privérekeningen van verweerders bleek.
  4. Bij vonnis gewezen op 12 november 2020 werd de vordering door de eerste rechter ontvankelijk verklaard en tevens gegrond, in de mate dat verweerders in solidum werden veroordeeld tot betaling van 366.396 euro, meer intresten en gerechtskosten. Door eiser werd incidenteel beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn oorspronkelijke vordering in hoofdorde.
  5. Op 12 mei 2022 werd een arrest gewezen door het hof van beroep van Antwerpen, waarmee het hoger beroep van verweerders ontvankelijk en gegrond werd verklaard en het incidenteel beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van 12 november 2020 werd hervormd en, opnieuw recht doende, werden de aansprakelijkheidsvorderingen van eiser onontvankelijk verklaard wegens verjaring.
  6. Eiser komt met zijn voorziening in cassatie, met 1 middel, bestaande uit 2 onderdelen, op tegen het arrest dat op 12 mei 2022 werd gewezen door het hof van beroep van Antwerpen. Voor verweerders werd op 5 januari 2023 een memorie van antwoord neergelegd.
  7. In deze zaak werd op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd.
  8. Door het Hof werd bij arrest gewezen op 10 maart 2023, na het verwerpen van de twee gronden van niet-ontvankelijkheid opgeworpen door verweerders, elke nadere uitspraak aangehouden tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zou hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, terwijl de loop van de verjaring van de vordering op grond van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering?”
  9. Bij arrest nr. 17/2024 van 1 februari 2024 werd door het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) schendt, in zoverre het niet in een uitzondering voorziet in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door één of meerdere vennoten. Enig middel. Eerste onderdeel.
  10. Het eerste onderdeel komt op tegen de beslissing van de appelrechter dat de vordering van eiser tegen verweerders, in hun hoedanigheid van vennoten, verjaard is en voert een schending aan van artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij wet van 23 maart 2019, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, zoals vervat in artikel 6.1 EVRM. Krachtens artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, verjaren door verloop van vijf jaren, alle rechtsvorderingen tegen vennoten, te rekenen vanaf de bekendmaking hetzij van hun uittreding hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur. Zoals vermeld, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens schendt, in zoverre het niet in een uitzondering voorziet in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door één of meerdere vennoten. Uit het betreden arrest blijkt dat de appelrechter vaststelt en oordeelt dat de verweerders in hun hoedanigheid van vennoten wordt verweten zich vennootschapsgelden te hebben toegeëigend; dat de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap dateert van 28 januari 2014; dat de betekening van het vonnis tot ontbinding plaatsvond op de zetel van de vennootschap op 3 februari 2014; dat een uittreksel van dit vonnis werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 april 2014 en dat de dagvaarding ter inleiding van de procedure door eiser dateert van 15 januari 2020, meer dan vijf jaar na de bekendmaking van de ontbinding. Ik meen dat de appelrechter die op grond van deze redenen zonder meer oordeelt dat in de mate dat verweerders worden aangesproken in hun hoedanigheid van vennoten van de vennootschap EUR ADVICE BV, de vordering van eiser verjaard is, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt en de door eiser aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 6.1 EVRM gegrond is. Tweede onderdeel.
  11. Het tweede onderdeel komt op tegen de beslissing van de appelrechter dat de vordering van eiser tegen eerste verweerder, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder, verjaard is en voert een schending aan van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij wet van 23 maart 2019, evenals van artikel 149 van de Grondwet. Krachtens artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, verjaren door verloop van vijf jaren, alles rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raden van toezicht, commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf hun ontdekking. De appelrechter oordeelt in het bestreden arrest dat “in de mate (eerste verweerder) wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de ontbonden vennootschap de vordering eveneens verjaard is”, zonder dat echter op enigerlei wijze blijkt uit de redengeving die het bestreden arrest bevat, dat eiser vanaf maart 2014 – datum waarop eiser volgens de appelrechter kennis had van alle constitutieve bestanddelen die nodig waren voor het stellen van een aansprakelijkheidsvordering ten laste van de zaakvoerder - kennis had van de overschrijvingen van vennootschapsgelden naar privérekeningen door eerste verweerder, daar waar de appelrechter nochtans had vastgesteld dat de vordering van eiser ten laste van eerste verweerder als zaakvoerder ook het onrechtmatig overschrijven van vennootschapsgelden naar privérekeningen viseerde
(1). Ik meen derhalve dat de appelrechter zijn oordeel dat de vordering van eiser tegen eerste verweerder in zijn hoedanigheid van zaakvoerder verjaard is, niet naar recht verantwoordt, doch artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, schendt. In zoverre is het tweede onderdeel mijns inziens dan ook gegrond. 11. Ik meen dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart, met verwijzing in die mate. __________________________
(1)Cfr. het verweer van eiser, geformuleerd bij wege van zijn “Aanvullende en syntheseconclusie in hoger beroep” van 7 maart 2022, dat hij pas in 2019 kennis kreeg van het feit dat eerste verweerder onrechtmatig vennootschapsgelden naar privérekeningen heeft overgeschreven en waarmee hij zodoende betwistte eerder dan in 2019 van deze overschrijvingen kennis te hebben genomen. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.9 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.