id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 oktober 2024
Art. 24
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Wet 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake
Art. 30
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Thesaurus CAS: PENSIOEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake
Art. 24
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Wet 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake
Art. 30
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Tekst van de conclusie S.20.0059.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 28 juni
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in huidige voorziening, betreft de toepassing van de artikelen 24 en 30 Wet Aanvullende Pensioenen (hierna genoemd WAP), zoals van toepassing vóór de wetswijziging van 15 mei
- Meer in het bijzonder de vraag of de werkgever, betreffende de pensioentoezegging type vaste bijdragen die hij deed, bij uittreding, gehouden is om over te gaan tot aanzuivering van de tekorten van de verworven reserves alsook de tekorten van de in artikel 24 vermelde garanties, en dit ongeacht wat de oorzaak van de tekorten is. De appelrechters oordeelden in de bestreden beslissing dat eiseres inderdaad gehouden is om de tekorten aan te zuiveren en dat deze verplichting niet enkel geldt voor de gevallen waar aan de werkgever een fout kan worden verweten. Zij sluiten zich zodoende aan bij de leer die voortvloeit uit Uw arrest van 6 maart 2017
(1), waarnaar zij verwijzen
(2). Eiseres tot cassatie stelt dat de, door de appelrechters weerhouden interpretatie, de artikelen 24 en 30 WAP schendt daar uit deze bepalingen voortvloeit dat de inrichter enkel het verschil dient te dekken als het gaat om het aanzuiveren van zijn eigen schuld als gevolg van zijn pensioentoezegging. Hierdoor verzoekt eiseres Uw Hof om terug te komen op het standpunt dat werd ingenomen in het arrest van 6 maart 2017. b. Beoordeling. Ik deel de visie van eiseres niet en blijf bij het standpunt dat ik heb ingenomen in mijn conclusie voorafgaand aan Uw voormeld arrest. De vraag die rijst, heeft betrekking op de driepartijenverhouding die ontstaat naar aanleiding van een aanvullende pensioentoezegging door de werkgever en betreft meer specifiek de vraag naar de concrete invulling van de verplichtingen in hoofde van de werkgever-toezegger van het pensioen. De pensioentoezegging situeert zich in de contractuele arbeidsrelatie die bestaat tussen de werknemer en de werkgever
(3). Het systeem van aanvullende pensioenen doet echter noodzakelijkerwijze een driepartijenverhouding ontstaan, aangezien de WAP niet toestaat dat de werkgever zelf instaat voor de uitvoering van het aanvullend pensioenplan ten voordele van zijn werknemers, maar oplegt dat de werkgever hiervoor een beroep moet doen op een pensioeninstelling (cf. art. 5, § 3 WAP)
(4). In huidige zaak werd hiervoor een overeenkomst gesloten tussen de werkgever en de groepsverzekeraar APRA Leven NV. Het betrof een pensioentoezegging type vaste bijdragen, wat impliceert dat de werkgever er zich contractueel enkel toe verbonden had periodiek vaste bijdragen te betalen. De driepartijenrelatie die aldus ontstaat, kan als volgt worden omschreven. De verzekeringsovereenkomst wordt tussen de werkgever en de groepsverzekeraar gesloten met het oog op het betalen van pensioenprestaties aan een werknemer, die zelf geen contractant is van de verzekeringsovereenkomst. De verzekeringsovereenkomst wordt doorgaans gekwalificeerd als een beding ten behoeve van een derde
(5). In hoofde van de werknemer ontstaat immers een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de groepsverzekeraar, hoewel hij geen partij was in de verzekeringsovereenkomst. De kwalificatie als derdenbeding betekent ook dat de werknemer zijn werkgever niet kan aanspreken voor de uitbetaling van de pensioenprestaties als dusdanig – tenzij dit contractueel zou zijn overeengekomen in de pensioentoezegging – maar zich dient te richten tot de groepsverzekeraar
(6). Toch impliceert dit niet dat de werkgever zich volledig van zijn pensioenverplichtingen bevrijdt door het sluiten van de groepsovereenkomst en het voldoen van de overeengekomen premies
(7). Er mag immers niet uit het oog verloren worden dat dit beding ten behoeve van een derde tot stand komt ten gevolge van de toezegging die kadert binnen de arbeidsrelatie én beheerst wordt door een specifiek wettelijk kader, de WAP. De WAP legt de werkgever bijkomende verplichtingen op, die bestaan naast de contractuele verplichting tot het betalen van de premies. De bepalingen van de WAP zijn bovendien van dwingend recht
(8), zodat partijen er niet van mogen afwijken. Zo voorziet artikel 24 WAP in een rendementsgarantie ten voordele van de werknemer, die onder meer geldt bij uittreding. Meer in het bijzonder, bepaalt artikel 24, § 1 WAP dat wanneer de pensioentoezegging in de betaling voorziet van een persoonlijke bijdrage door de aangeslotene, deze bij zijn uittreding, pensionering of bij de opheffing van de pensioentoezegging, niettegenstaande artikel 17, eerste lid, recht heeft op het gedeelte van die bijdrage, dat niet verbruikt werd voor de dekking van het overlijdens- en invaliditeitsrisico vóór de pensionering, gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet. Wanneer de pensioentoezegging van het type vaste bijdragen is, zoals in huidig geschil, stipuleert artikel 24, § 2 WAP bijkomend dat de aangeslotene bij zijn uittreding, pensionering of bij de opheffing van de pensioentoezegging, zonder afbreuk te doen aan artikel 17, eerste lid, recht heeft op het gedeelte van de bijdrage, dat niet door hem werd gedragen en dat niet verbruikt werd voor de dekking van het overlijdens- en invaliditeitsrisico vóór de pensionering en voor de dekking van de kosten beperkt tot 5 % van de stortingen, of het gedeelte van de toegekende bijdragen, gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet. Artikel 24 WAP geeft als dusdanig niet weer op wie deze verplichting tot rendementsgarantie rust. Artikel 30 WAP bepaalt echter uitdrukkelijk dat de inrichter ertoe gehouden is bij de uittreding de tekorten van de verworven reserves aan te zuiveren alsook de tekorten ten opzichte van de in artikel 24 vermelde garanties. Deze aanzuiveringsplicht impliceert dat de werkgever in voorkomend geval bijkomende premies zal moeten storten, desgevallend aan de pensioeninstelling waaraan de gewezen werkneemster haar reserves wenst over te dragen
(9). Deze wettelijke minimumrendementsgarantie geldt ongeacht de oorzaak van het niet behalen van het wettelijk vereist rendement, dus ook in geval van faillissement van de groepsverzekeraar
(10). Artikel 30 WAP sluit immers deze situatie, met name het geval dat het tekort te wijten is aan de vereffening of het faillissement van de pensioeninstelling, niet uit. De werkgever/inrichter wordt aangesproken op grond van zijn eigen verplichtingen zoals zij voorkomen in de WAP. Immers, de pensioentoezegging verdwijnt niet omdat de pensioeninstelling wordt ontbonden of failliet gaat
(11). Er mag ook niet uit het oog verloren worden dat het aanvullend pensioen binnen de arbeidsrelatie kadert: de pensioentoezegging vormt een tegenprestatie voor arbeid
(12). Het is in die optiek dan ook logisch dat de werkgever steeds verantwoordelijk is voor de minimumrendementsgarantie, die moet opgevat worden als een wettelijk bepaalde werkgeversverplichting
(13)en waarvoor de werkgever zich desgevallend kan laten verzekeren. Bovendien is de WAP in het algemeen, en de minimumrendementsgarantie in het bijzonder, ingegeven door het idee van sociale bescherming van de aangeslotene
(14). Het strookt dan ook met de wil van de wetgever om deze minimumrendementsgarantie te laten gelden, ongeacht de oorzaak van het niet behalen van het minimumrendement. Indien het tegengestelde wordt aangenomen, zou de verplichte externalisering van de uitvoering van de aanvullende pensioenen haar doel gemist hebben
(15). Het standpunt van eiseres dat de werkgever/inrichter enkel het verschil dient te dekken als het gaat om het aanzuiveren van zijn eigen schuld als gevolg van zijn pensioentoezegging, gaat van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt in zoverre naar recht. De in het onderdeel aangevoerde schending van de artikelen 1134, eerste en derde lid, 1135, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150 en 1151 Oud Burgerlijk Wetboek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 24 en 30 WAP en derhalve is het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk. Eiseres verzoekt om een prejudiciële vraag te stellen betreffende een mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet. Desbetreffende dien ik te verwijzen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 september 2021.
(16)Hierbij werd geoordeeld dat de bepalingen van de artikelen 24 en 30, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 mei 2014 WAP, in de interpretatie die Uw Hof weerhield, de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schenden. Daar het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp is uw Hof, overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid Bijzondere Wet 6 Grondwettelijk Hof, niet gehouden om deze vraag opnieuw te stellen. 3. Tweede onderdeel. In zoverre de schending van artikel 16 Grondwet wordt aangevoerd is het onderdeel niet ontvankelijk. Uw Hof is niet bevoegd om de bepalingen van de WAP te toetsen aan de Grondwet. In zoverre de schending van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM wordt aangevoerd kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vooreerst dient er op gewezen te worden dat er in hoofde van de werkgever geen verplichting bestaat om een aanvullend pensioen aan zijn werknemers toe te zeggen. De werkgever stapt derhalve op eigen initiatief in het door de WAP geregelde systeem. Zoals hoger aangegeven kadert dit in de arbeidsrelatie en vormt het een tegenprestatie voor de geleverde arbeid. Verder is het zo dat de tekorten die hij dient aan te zuiveren zich beperken tot het minimumrendement. In dat laatste geval kan de werkgever/inrichter, op grond van artikel 1251, 3° Oud Burgerlijk Wetboek, zich keren tegen de pensioeninstelling die in gebreke is gebleven. Om het risico op dit laatste te beperken zijn er door de regelgever controle- en handhavingsmechanismes ingebouwd. Dit gaat over de strafrechtelijke handhaving
(17), het onderwerpen van de activiteit als verzekeringsinstelling aan een voorafgaande machtiging en controle
(18), … Eén en ander heeft dan ook tot gevolg dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de eigendom. De aangevoerde schending van artikel 544 Oud Burgerlijk Wetboek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en in zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Conclusie: verwerping. _____________________________________
(1)Cass 6 maart 2017, AR S.15.0107.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170306.4, AC 2017, nr. 155, met concl. OM.
(2)Bestreden beslissing pagina 15.
(3)Cass. 23 februari 1981, AR 6306, AC 1980-81, 713; A. VAN DAMME en I. DE SOMVIELE, “Externalisatie van het aanvullend pensioen: hoe beschermd zijn uw pensioenrechten in tijden van crisis?”, Oriëntatie 2009, 175; V. PERTRY en J. DE VREESE, “Aanvullende pensioenen voor werknemers: een tango met drie” in De Wet Aanvullende Pensioenen is 10 jaar oud. De Belgian Pension Lawyers Association maakte een balans op, Mechelen, Kluwer 2014, 16 en B. WEYTS, “De groepsverzekeringen in het verzekeringsrecht: te weinig transparantie maar voldoende bescherming?” in De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia 2014, 43.
(4)Y. STEVENS, “Groeipijnen en uitdagingen van de aanvullende pensioenen in België” in De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia 2014, 12-13; A. VAN DAMME en I. DE SOMVIELE, o.c., 173 en V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 21.
(5)B. WEYTS, “De groepsverzekeringen in het verzekeringsrecht: te weinig transparantie maar voldoende bescherming?” in De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia 2014, 43; G. VAN LIMBERGHEN, “In min of in meer: wettelijke en aanvullende pensioenen”, in Sociaal Recht niets dan uitdagingen, Gent, MYS & BREESCH 1996, 643 en V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 24.
(6)C. DEVOET, Pensions complémentaires in RPDB, Brussel, Bruylant 2014, 406 en V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 25.
(7)V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 26. Anders: Y. STEVENS, “Groeipijnen en uitdagingen van de aanvullende pensioenen in België” in De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia 2014, 16.
(8)P. DOYEN en C. DEVOET, “Aspects juridiques” in Les pensions complémentaires en pratique, Waterloo, Kluwer 2012, 79 en V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 26.
(9)B. WEYTS, o.c., 44 en V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 18.
(10)A. VAN DAMME en I. DE SOMVIELE, o.c., 181; V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 35. Zo ook : C. DEVOET, “Pensions complémentaires” in RPDB, Brussel, Bruylant 2014, 406-407; Y.S., noot onder Arbh. Luik 18 december 2009, NjW 2010, 675.
(11)V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 29 en 35.
(12)S. VAN WASSENHOVE, “Les aspects sociaux des pensions complémentaires”, Orientations 2000, 39; Y.S., noot onder Arbh. Luik 18 december 2009, NjW 2010, 675.
(13)Y. STEVENS, “Zijn aanvullende pensioenen sociaal geworden?” TPR 2005, 103.
(14)MvT Wetsontwerp betreffende de aanvullende pensioenen, Parl.St.Kamer 2000-01, nr. 1340/001, p. 5; Y. STEVENS, “Groeipijnen en uitdagingen van de aanvullende pensioenen in België” in De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia 2014, 21, nr. 47.
(15)Cf. V. PERTRY en J. DE VREESE, o.c., 22.
(16)GwH 30 september 2021, nr. 124/2021.
(17)Het in deze toepasselijke artikel 54 WAP en de artikelen 81 e.v. wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
(18)Zoals in deze geregeld was in de wet van 9 juli 1975. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241021.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241021.3N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170306.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div