← België

Procureur-generaal te Gent contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241022.2N.2 Rolnummer: P.24.0893.N Zaak: Procureur-generaal te Gent contra E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-15 03:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.2 Fiche Vuurwapens zijn bij toepassing van artikel 3, § 3, 1°, Wapenwet 2006 in beginsel vergunningsplichtig en zij kunnen slechts als vrij verkrijgbare wapens in de zin van artikel 3, § 2, Wapenwet 2006 worden beschouwd wanneer vaststaat dat die vuurwapens beantwoorden aan de door de Wapenwet en de uitvoeringsbesluiten ervan gestelde voorwaarden om te kunnen worden beschouwd als vrij verkrijgbare wapens; eensdeels volgt uit artikel 3, § 2, 2°, Wapenwet 2006 dat vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde enkel niet te beschouwen zijn als vergunningsplichtige wapens wanneer zij voldoen aan minstens een van de vermelde voorwaarden inzake techniciteit, ouderdom, gebruik of eigendom en zij niet buiten het kader van historische of folkloristische manifestaties voor het schieten worden bestemd, welke voorwaarden niet zijn bepaald voor seinpistolen en anderdeels vereist artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 dat, om de seinpistolen in te delen bij de categorie van de vrij verkrijgbare wapens, de houder steeds moet kunnen bewijzen deze wapens nodig te hebben voor een daarmee overeenstemmende activiteit: het arrest dat een beklaagde ontslaat van rechtsvervolging op grond van het oordeel met betrekking tot bepaalde seinpistolen dat er redelijke twijfel is of zij werden vervaardigd na 1895 en met betrekking tot andere seinpistolen dat niet met zekerheid blijkt dat zij niet vallen onder de categorieën 1° en 2° van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 is niet naar recht verantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WAPENS Wettelijke bepalingen: Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - 08-06-2006 - Art. 3, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 KB 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet - 20-09-1991 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1991010163 KB 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van de plichtenleer der accountants - 01-03-1998 - Art. 2 - 33 ELI link Pub nr 1998016071 Tekst van de conclusie P.24.0893.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…) II. Het middel. 3. De eiser voert in zijn memorie één middel aan, met name de schending van artikel 3, § 2, 4° van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna “Wapenwet 2006”)
(1)en de algemene motiveringsplicht. Verweerster werd door het bestreden arrest ontslagen van rechtsvervolging voor de telastelegging B.
  1. wat betreft de zeven seinpistolen op grond van de overweging dat nergens uit de Wapenwet 2006 of de ter uitvoering ervan genomen besluiten blijkt dat seinpistolen niet tot de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde kunnen behoren (“HFD-wapens” genoemd). Wapens ontworpen voor het geven van signalen vermogen volgens eiser op grond van de bepalingen van de Wapenwet 2006 nimmer als HFD-wapens gecategoriseerd te worden.
  2. In de Wapenwet 2006 worden de wapens ingedeeld in drie categorieën (artikel 3 Wapenwet 2006), om dan vervolgens te bepalen welke regels erop van toepassing zijn, met name: - de verboden wapens (artikel 3, § 1, Wapenwet 2006), waarmee in principe het voorhanden hebben en nagenoeg alle handelingen verboden zijn, behoudens uitzonderingen; - de vrij verkrijgbare wapens (artikel 3, § 2, Wapenwet 2006), die in de regel niet aan een controleregime zijn onderworpen tenzij er een bijzondere regeling geldt; - de vergunnningsplichtige wapens (artikel 3, § 3, Wapenwet 2006) waarvan het voorhanden hebben onderworpen is aan een vergunningsplicht. Artikel 3, § 2, Wapenwet 2006 stelt dat de volgende wapens als vrij verkrijgbaar worden beschouwd: “1° de blanke wapens, de niet-vuurwapens en de namaakwapens waarvoor geen bijzondere regeling geldt; 2° de vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde zoals bepaald door de Koning. Indien dergelijke vuurwapens buiten het kader van historische of folkloristische manifestaties voor het schieten worden bestemd, worden zij evenwel beschouwd als vergunningsplichtige vuurwapens; 3° de vuurwapens die, overeenkomstig de regels en de voorwaarden vastgesteld door de Koning, definitief voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt. Het voorhanden hebben van onbruikbaar gemaakte vuurwapens is aangifteplichtig. De modaliteiten van die aangifteplicht worden bepaald door de Koning; 3°/1 de laders die, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, definitief onbruikbaar zijn gemaakt; 4° de vuurwapens die ontworpen zijn voor het geven van alarm of signalen, reddingsactiviteiten, slachten van dieren of visserij met harpoenen, of bestemd zijn voor industriële of technische doeleinden, mits zij alleen voor dat welbepaalde gebruik kunnen worden aangewend, overeenkomstig regels vastgesteld door de Koning. Artikel 5 is niet van toepassing op deze wapens.” Volgens artikel 3, § 3, Wapenwet 2006, worden de volgende wapens als vergunningsplichtige wapens beschouwd: “1° alle overige vuurwapens; 2° Andere wapens die na advies van de in artikel 37 bedoelde Adviesraad door de Koning bij deze categorie worden ingedeeld.” De wetgeving gaat uit van het principe dat alle vuurwapens vergunningsplichtig zijn
(2). Vuurwapens die niet uitdrukkelijk door de wet of een uitvoeringsbesluit als verboden of als vrij verkrijgbaar worden beschouwd, zijn dus vergunningsplichtig. Tevens kan de Koning andere wapens indelen in de categorie van vergunningsplichtige wapens. 5. De categorie van de “vrij verkrijgbare wapens” omschreven in artikel 3, § 2, Wapenwet 2006 omvat verschillende (vuur)wapens die als vrij verkrijgbare wapens worden beschouwd, onder de voorwaarden bepaald door de wet of een uitvoeringsbesluit.
(3)Zoals vermeld worden overeenkomstig artikel 3, § 2, 4°, Wapenwet 2006, de vuurwapens die ontworpen zijn voor het geven van alarm of signalen, reddingsactiviteiten, slachten van dieren of visserij met harpoenen, of bestemd zijn voor industriële of technische doeleinden, beschouwd als vrij verkrijgbare wapens, mits dat zij alleen voor dat welbepaalde gebruik kunnen worden aangewend, overeenkomstig regels vastgesteld door de Koning. Deze bepaling bevat een delegatieclausule waardoor de Koning regels kan vaststellen om deze categorie van “vrij verkrijgbare wapens” verder af te bakenen. Zo bepaalt artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 tot indeling van sommige alarmwapens bij de categorie van vergunningsplichtige vuurwapens, dat korte alarmwapens enkel als vrij verkrijgbaar beschouwd worden indien het model ervan gehomologeerd werd door de proefbank voor vuurwapens, volgens de procedure beschreven in de bijlage van dit besluit
(4). Verder worden de vuurwapens die ontworpen zijn voor het geven van alarm of signalen, reddingsactiviteiten, slachten van dieren of visserij met harpoenen, of bestemd zijn voor industriële of technische doeleinden, nader geregeld door het koninklijk besluit van 1 maart 1998 betreffende de indeling in categorieën van sommige seinpistolen, sommige slachttoestellen, sommige verdovingswapens. Die artikelen 1 en 2 van dat koninklijk besluit bepalen thans: Artikel 1: “Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder: 1° seinpistolen: vuurwapens die uitsluitend zijn ontworpen voor het geven van noodsignalen of voor reddingsactiviteiten, zoals seinkanonnen en vuurpijlpistolen; (…). Artikel 2: “De seinpistolen, de slachttoestellen en de verdovingswapens die geen vergunningsplichtige vuurwapens zijn, worden ingedeeld bij de categorie van de vrij verkrijgbare wapens op voorwaarde dat de houder steeds kan bewijzen deze wapens nodig te hebben voor een daarmee overeenstemmende activiteit (eigen onderlijning)” Op de merken valt dat de huidige versie van artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 ingevoegd werd bij artikel 13 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 (BS 9 januari 2007), i.e. na de inwerkingtreding van de Wapenwet
  1. De seinpistolen die geen vergunningsplichtige vuurwapens zijn, worden aldus ingedeeld bij de categorie van de vrij verkrijgbare wapens mits zij alleen voor dat welbepaalde gebruik kunnen worden aangewend én op voorwaarde dat de houder steeds kan bewijzen deze wapens nodig te hebben voor een daarmee overeenstemmende activiteit. Iemand die dergelijke vuurwapens voorhanden heeft, dient dus aannemelijk te maken dat deze vuurwapens nuttig zijn in het kader van een specifieke activiteit.
  2. Artikel 3, § 2, 2°, Wapenwet 2006 laat de Koning toe om de voorwaarden te bepalen waaronder vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde beschouwd kunnen worden als van vrij verkrijgbare wapen. De voorwaarden daartoe worden bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde. Dit artikel bepaalt: “Als vrij verkrijgbare wapens in de zin van artikel 3, § 2, 2°, van de Wapenwet, worden beschouwd de wapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde: 1° die, via het sluitstuk, via de loopmond of via de voorkant van de trommel uitsluitend met zwart kruit of met patronen met zwart kruit en afzonderlijke ontsteking geladen worden waarvan het model of het brevet dateert van vóór 1890 en de vervaardiging van vóór 1945; 2°die uitsluitend gebruik maken van patronen met zwart kruit en met ingewerkte ontsteking, waarvan het model of het brevet dateert van voor 1890 en de vervaardiging van vóór 1945; 3° [...] 4° die worden gedragen bij folkoristische optochten of historische reconstructies, voor zover het gaat om schouder- handvuurwapens op zwart kruit met één schot, met een gladde loop en met afzonderlijke ontsteking door middel van een vuursteen of percussie, die via de loopmond worden geladen; 5° die zijn vervaardigd vóór 1895; 6° die eigendom zijn van een erkende vereniging die zich bezighoudt met statutair omschreven activiteiten van historische, folkloristische, traditionele of educatieve aard, met uitsluiting van enige vorm van sportschieten zoals bedoeld in de gemeenschapsdecreten terzake, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: – het schieten gebeurt in een erkende schietstand, onder het toezicht van een wapen- of schietmeester en onder de verantwoordelijkheid van de vereniging; – de wapens worden voorhanden gehouden en bewaard door de vereniging; – de wapens worden enkel ter beschikking gesteld met het oog op en tijdens de statutair omschreven activiteit, aan leden van de vereniging en occasionele genodigden; – de vereniging kondigt vooraf plaats en datum van haar activiteiten aan aan de lokale politie en aan de gouverneur”. Uit de samenlezing van artikel 3, § 2, 2°, Wapenwet 2006 en de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapen met historische, folkloristische of decoratieve waarde, volgt dat vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarden enkel te beschouwen zijn als vrij verkrijgbare wapens wanneer zij voldoen minstens aan één van de in het gemelde koninklijk besluit van 20 september 1991 vermelde voorwaarden inzake techniciteit, ouderdom, gebruik of eigendom én zij niet buiten het kader van historische of folkloristische manifestaties voor het schieten worden bestemd.
  3. Uit bovenstaande blijkt dat de wetgever verschillende voorwaarden heeft bepaald op grond waarvan wapens kunnen beschouwd worden als vrij verkrijgbaar wapen, al naar gelang de categorie waarbinnen deze wapens ingedeeld worden. Hoewel het mogelijk lijkt dat een (vuur)wapen onder verschillende categorieën van vrij verkrijgbare wapens zou kunnen vallen
(5), blijkt uit het bovenstaande dat de seinpistolen aan andere voorwaarden moeten voldoen als vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde, om als vrij verkrijgbaar wapen te kunnen worden beschouwd. Die voorwaarden zijn onderling niet verenigbaar. Mij lijkt het dan ook dat een seinpistool slechts als een vrij verkrijgbaar wapen zal kunnen beschouwd worden als voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 2, 4°, Wapenwet 2006 en artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 betreffende de indeling in categorieën van sommige seinpistolen, sommige slachttoestellen, sommige verdovingswapens, i.e, mits zij alleen voor dat welbepaalde gebruik kunnen worden aangewend én op voorwaarde dat de houder steeds kan bewijzen deze wapens nodig te hebben voor een daarmee overeenstemmende activiteit. Indien niet voldaan is aan deze voorwaarden kan een seinpistool niet beschouwd worden als een vrij verkrijgbaar wapen en is voor het voorhanden hebben van dergelijk wapen een vergunning vereist (artikel 11, § 1, Wapenwet 2006). 8. Het bestreden arrest oordeelt als volgt: - het NICC stelde niet vast dat de wapens vermeld in de telastleggingen A2 en B2 onder de categorie van de vrij verkrijgbare wapens vallen omdat het historische, folkloristische of decoratieve wapens zijn, maar het NICC gaf enkel advies over de kwalificatie van de wapens als vrij verkrijgbaar wapen, vergunningsplichtig wapen dan wel verboden wapen. - uit het strafdossier, noch uit de behandeling van de zaak op de zitting, blijkt met zekerheid wanneer deze wapens vervaardigd werden. - nergens uit de Wapenwet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten blijkt dat seinpistolen niet tot de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde kunnen behoren. - volgens artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt zijn historisch, folkloristisch of decoratief, de wapens: "1° die, via het sluitstuk, via de loopmond of via de voorkant van de trommel uitsluitend met zwart kruit of met patronen met zwart kruit en afzonderlijke ontsteking geladen worden waarvan het model of het brevet dateert van v66r 1890 en de vervaardiging van v66r 1945; 2° die uitsluitend gebruik maken van patronen met zwart kruit en met ingewerkte ontsteking, waarvan het model of het brevet dateert van voor 1890 en de vervaardiging van v66r 1945; 4° die worden gedragen bij folkloristische optochten of historische reconstructies, voor zover het gaat om schouder- handvuurwapens op zwart kruit met één schot, met een gladde loop en met afzonderlijke ontsteking door middel van een vuursteen of percussie, die via de loopmond worden geladen; 5° die zijn vervaardigd voor 1895; 6° die eigendom zijn van een erkende vereniging die zich bezighoudt met statutair omschreven activiteiten van historische, folkloristische, traditionele of educatieve aard, met uitsluiting van enige vorm van sportschieten ten zoals bedoeld in de gemeenschapsdecreten terzake, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: - het schieten gebeurt in een erkende schietstand, onder het toezicht van een wapen- of schietmeester en onder de verantwoordelijkheid van de vereniging; - de wapens worden voorhanden gehouden en bewaard door de vereniging; - de wapens worden enkel ter beschikking gesteld met het oog op en tijdens de statutair omschreven activiteit, aan leden van de vereniging en occasionele genodigden; - de vereniging kondigt vooraf plaats en datum van haar activiteiten aan aan de lokale politie en aan de gouverneur". - met betrekking tot de revolvers van het type Bulldog, het Hebel seinpistool en het Neuhaus seinpistool bestaat er redelijke twijfel over de vraag of zij wel werden vervaardigd na 1895, waardoor zij in de categorie van de vergunningsplichtige wapens zouden vallen. - wat betreft de overige seinpistolen en het lijnwerpend pistool blijkt uit het strafdossier eveneens niet met zekerheid dat zij niet vallen onder de categorieën 1° en 2° van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 september 1991; uit het strafdossier blijkt niet dat zij niet ontworpen zijn om te worden geladen met zwart kruit of patronen met zwart kruit. Het blijkt ook niet van wanneer het brevet of het model van deze wapens dateert of wanneer dat deze wapens werden vervaardigd. Ik meen dat op grond van deze redenen de beslissing om verweerster te ontslaan van rechtsvervolging voor de telastlegging B2 voor zover deze betrekking heeft op de seinpistolen, alsook de teruggave van die seinpistolen, niet naar recht verantwoord is. (…) __________________________________
(1)B.S. 9 juni 2006.
(2)Wetsontwerp houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, Parl.St. Kamer 2005-2006, 2263/001, p.20.
(3)Over vrij verkrijgbare wapens, zie N. DEMEYERE, “Wapens – Vrij verkrijgbare wapens”, in X., Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, mei 2023, 1 – 27.
(4)Artikel 1 van het KB van 18 november 1996 luidt: § 1 De korte alarmwapens waarvoor de Proefbank voor vuurwapens geen homologatie uitreikt waarin wordt bevestigd dat het wapen niet geschikt is of niet op eenvoudige wijze geschikt kan worden gemaakt voor het afvuren van vaste, vloeibare of gasvormige projectielen, worden ingedeeld bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens. De alarmwapens die wel op een zodanige wijze zijn gehomologeerd, worden ingedeeld bij de categorie 1[vrij verkrijgbare wapens. § 2 De homologatieprocedure wordt omschreven in de bijlage bij dit besluit. Wanneer met de nodige documenten, afgeleverd door een erkend organisme, wordt bewezen dat een model van wapen in een andere Lidstaat van de E.E.R. gelijkwaardige homologatie- of classificatieproeven heeft ondergaan, wordt dit model van wapen geacht te voldoen aan de technische specificaties vastgelegd in dit besluit.
(5)Zie bijvoorbeeld N. DEMEYERE, “Wapens – Vrij verkrijgbare wapens”, in X., Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, mei 2023, p. 22-23. N. DEMEYERE geeft als voorbeeld de alarmpistolen die dienen om alarm of signalen te geven en ook projectielen verschieten (anders dan door de verbranding van kruit) waardoor ze als “niet-vuurwapen” beschouwd worden en dus eveneens onder artikel 3, § 2, 1°, van de Wapenwet vallen en hierdoor artikel 5 Wapenwet 2006 wel van toepassing is op deze wapens. Of nog alarmwapens die meestal ook namaakwapens zijn waardoor ze eveneens worden ingedeeld als vrij verkrijgbare wapens op basis van artikel 3, § 2, 1°, Wapenwet, maar indien het korte alarmwapens zijn wel zullen moeten voldoen aan de door het koninklijk besluit van 18 november 1996 vereiste homologatie. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241022.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.