id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241025.1N.1 Rolnummer: C.23.0217.N Zaak: M. contra F. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-12-20 Raadplegingen: 380 - laatst gezien 2026-06-15 03:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241025.1N.1 Fiche 1 Uit artikel 375bis Oud Burgerlijk Wetboek en zijn wetsgeschiedenis volgt dat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact tussen grootouders en hun kleinkind wordt vermoed in het belang van het kind te zijn, tot bewijs van het tegendeel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KIND Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 375bis - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Een conflictsituatie tussen grootouders en de ouders van het kind heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact tussen de grootouders en het kind in strijd is met het belang van het kind; die conflictsituatie, ongeacht wie ze veroorzaakt, kan evenwel naar omstandigheden tot gevolg hebben dat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact tussen de grootouders en het kind een negatieve impact heeft op het welzijn van het kind en bijgevolg toch in strijd is met het belang van het kind
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KIND Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 375bis - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0217.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, gewezen op 10 oktober
- Door de eisers wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft het recht op persoonlijk contact van grootouders met hun kleinkinderen. In het bijzonder betreft het een conflictsituatie tussen de grootouders en ouders, waarbij de ouders de motor zijn van dit conflict, die dermate ernstig is dat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact tussen de grootouders en de kleinkinderen ingaat tegen het belang van het kind. II. Principes en beoordeling. De eisers verwijten de appelrechter artikel 8 EVRM, artikel 375bis Oud Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit te hebben geschonden door te oordelen dat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact van de eisers in strijd wordt geacht met het belang van de kleinkinderen door het belang van de kleinkinderen nagenoeg uitsluitend te beoordelen in het licht van de houding van de ouders en hun relatie met de grootouders en van de negatieve projectie van de gevoelens van de ouders op hun kinderen, en waarbij volledig wordt voorbijgegaan aan de verrijking die het persoonlijk contact van de grootouders voor de kleinkinderen zou kunnen betekenen voor hun persoonlijkheidsontwikkeling. Artikel 375bis Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt: “De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Alle broers en zussen hebben op elke leeftijd het recht persoonlijk contact met elkaar te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de familierechtbank. De familierechtbank weigert de uitoefening van het recht op persoonlijk contact enkel als de uitoefening van het recht ingaat tegen het belang van het kind”. Artikel 3.
- van het Kinderrechtenverdrag en artikel 22bis, vierde lid, Grondwet vereisen dat het belang van het kind de eerste overweging vormt bij elke beslissing die het kind aangaat. De toetssteen voor het recht op persoonlijk contact van de grootouders met hun kleinkinderen is dan ook het belang van het kind
(1). Dit werd nogmaals door de wetgever benadrukt in 2018. De Wet van 15 juni 2018 tot wijziging van artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1253ter/1, 1253ter/3 en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek
(2)voerde de laatste zin van artikel 375bis Oud Burgerlijk Wetboek in. De toelichting bij het amendement dat aan de basis ligt van deze bepaling, luidt als volgt: “Zoals reeds aangehaald in de toelichting van het wetsvoorstel is het contact met de grootouders belangrijk voor de persoonlijke ontwikkeling van het kleinkind. Dit is terecht gewaarborgd door artikel 8 EVRM dat het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven omvat. Huidig amendement wil de wetgeving nog verduidelijken. De grootouders zijn principieel omgangsgerechtigden waaraan de omgang enkel kan worden ontzegd indien er uitzonderlijke omstandigheden zijn die zich verzetten tegen een omgangsregeling. Het is dus aan de ouders of aan de voogd om te bewijzen dat het omgangsrecht ingaat tegen het belang van het kind. Dit is tevens in overeenstemming met artikel 3 IVRK dat bepaalt dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook de vigerende rechtspraak bevestigt dit”. Het grootouderlijk recht op persoonlijk contact is dus geen absoluut recht. De uitoefening ervan mag het belang van het kind in concreto niet schaden
(3). In de rechtspraak van het EHRM wordt de relatie tussen grootouders en kleinkinderen via artikel 8 EVRM beschermd
(4). Artikel 8 EVRM beschermt het gezins- en familieleven. De volledige ontzegging van contacten tussen grootouders en kleinkinderen maakt volgens het EHRM een zeer drastische maatregel uit die de test van artikel 8.2. EVRM moet kunnen doorstaan
(5). Het belang van het kind is cruciaal bij de beoordeling of een beslissing noodzakelijk is in een democratische samenleving
(6). Er wordt wel van de grootouders verwacht dat ze een enigszins positieve en meewerkende houding hebben wanneer ze een contactrecht met hun kleinkinderen in rechte afdwingen
(7). Een van de jammer genoeg meest voorkomende situaties waardoor kleinkinderen verstoken blijven van contact met hun grootouders, is de situatie waarbij er een ernstig conflict bestaat tussen de ouders en de grootouders. In beginsel is het bestaan van een dergelijk conflict geen beletsel voor de uitoefening van het recht op persoonlijk contact
(8). Het is pas wanneer het belang van het kind in het gedrang komt dat het recht op persoonlijk contact kan worden geweigerd. Bij wie de oorzaak van de conflictsituatie tussen ouders en grootouders en/of het voortduren ervan ligt is irrelevant voor de beoordeling door de rechter in het licht van het belang van het kind. In die zin heeft het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit geen invloed op de beoordeling door de rechter van het belang van het kind. Wanneer de conflictsituatie, zelfs wanneer die wordt aangestuurd door de ouders, dermate ernstig is dat het welzijn van het kind in het gedrang komt of zou kunnen komen, kan de uitoefening van het recht op persoonlijk contact van de grootouders geweigerd worden omdat dit dan ingaat tegen het belang van het kind. Het middel faalt naar recht in zoverre het uitgaat van een rechtsopvatting die dit uitsluit. Met de vaststellingen en het oordeel vermeld op pagina 6, 7 en 8 (nrs. 4 en 5) van het bestreden arrest verantwoordt de appelrechter haar beslissing naar recht dat er geen contacten meer worden opgelegd tussen eisers en hun kleinkinderen omdat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact van de grootouders niet meer in het belang is van de kinderen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. _______________________________
(1)P. SENAEVE, “Commentaar bij art. 375bis Oud BW”, 23, in F. SWENNEN, G. VERSCHELDEN, en T. WUYTS, Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 10 dln., z.p.
(2)BS 2 juli 2018.
(3)P. SENAEVE, “Commentaar bij art. 375bis Oud BW”, 24, in F. SWENNEN, G. VERSCHELDEN, en T. WUYTS, Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 10 dln., z.p.
(4)EHRM 13 juni 1979, nr. 6833/74, Marckx t. België, § 45. Voor een uitgebreide analyse van de rechtspraak van het EHRM: zie K. SANDBERG, “Grandparents’ and grandchildren’s right to contact under the European Convention on Human Rights”, Family&Law 2021, afl. september, 17p.
(5)EHRM 27 april 2000, nr. 25651/94, L. t. Finland.
(6)EHRM Beslissing 11 oktober 2016, nr. 15633/15, § 27.
(7)EHRM 13 juli 2000, nr. 39221/98 en 4196398, Scozzari and Giunta t. Italië, §§ 221-222.
(8)L. HENDRIKX, “Het recht op persoonlijk contact van grootouders”, RW 2020-21, 832; P. SENAEVE, “Commentaar bij art. 375bis Oud BW”, 27, in F. SWENNEN, G. VERSCHELDEN, en T. WUYTS, Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 10 dln., z.p. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241025.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241025.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div