id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241025.1N.2 Rolnummer: C.23.0413.N Zaak: CRELAN nv contra Lencol bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-12-26 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-15 00:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241025.1N.2 Fiches 1 - 2 Een rechtsvordering tot vergoeding van schade van de derde-begunstigde ten aanzien van de verzekeringnemer die is ontstaan uit een collectieve verzekeringsovereenkomst, waarbij de begunstigde de verzekeringnemer verwijt ten onrechte het kapitaal van die overeenkomst, dat tevens te kwalificeren is als commissie in het kader van een onderliggende handelsagentuurovereenkomst tussen de verzekeringnemer en de begunstigde, te hebben teruggeëist van de verzekeraar naar aanleiding van de beëindiging van die handelsagentuurovereenkomst, is geen rechtsvordering ontstaan uit de handelsagentuurovereenkomst; deze rechtsvordering niet onderworpen aan de verjaringstermijn zoals bedoeld in artikel 26 Wet handelsagentuurovereenkomst, thans artikel X.24 WER
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - 13-04-1995 - Art. 26 - 39 ELI link Pub nr 1995009425 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - 13-04-1995 - Art. 26 - 39 ELI link Pub nr 1995009425 Tekst van de conclusie C.23.0413.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 2 mei 2023. Door de eiseres worden twee middelen aangevoerd. I. Situering In het kader van een handelsagentuurovereenkomst tussen een handelsagent en een principaal in de banksector werd overeengekomen dat een gedeelte van de vergoeding van de handelsagent bestaat uit een “collectieve verkoopsverzekering – kapitalisatieverzekering”. Het opzet was hierbij dat de vennootschap van de bankagent (de verweerster) als begunstigde van de verzekering een kapitaal zou krijgen ofwel bij leven (op de leeftijd van 60 of 65 jaar van de bankagent) ofwel bij overlijden. De zaakvoerder van verweerster is de verzekerde. Eiseres is verzekeringsnemer (eigenlijk de rechtsvoorganger van eiseres) en verrichtte de stortingen voor deze verzekering. De polis bevatte een bepaling dat wanneer de handelsagentuurovereenkomst zou beëindigd worden door de bankagent of, omwille van ernstige tekortkoming, door de principaal, het kapitaal aan de verzekeringsnemer zou worden uitgekeerd. De verzekeraar betreft de in gemeenverklaring opgeroepen partij. De storting van de premies door de eiseres was contractueel afhankelijk enerzijds van het al dan niet halen door de agenten van een door de eiseres bepaalde productienorm, waaronder het eigen aandeel van de agent in deze productie en anderzijds de eigen groei van het agentschap die moest beantwoorden aan de door eiseres bepaalde minimale norm. In het kader van een reorganisatie van verweerster werd besloten om haar verzekeringsportefeuille over te dragen aan een derde en om de bankactiviteiten af te stoten. Verweerster zegde de handelsagentuurovereenkomst op bij brief van 10 september 2012 met in achtneming van een opzegtermijn van zes maanden. Eiseres reageert hierop door bij brief van 16 oktober 2012 eveneens de handelsagentuurovereenkomst op te zeggen met onmiddellijke ingang wegens ernstige tekortkoming. Op 1 oktober 2012 betaalde de verzekeraar een bedrag van 29.784,32 euro uit aan eiseres. Verweerster maakt aanspraak op het onder het verzekeringscontract opgebouwde kapitaal voor een bedrag van 36.562,38 euro. Op 15 april 2019 dagvaardde verweerster de verzekeraar voor de ondernemingsrechtbank en op 14 mei 2019 kwam eiseres vrijwillig tussen in de procedure. Bij vonnis van 9 juni 2020 wordt de vordering van verweerster onontvankelijk verklaard wegens verjaring ten aanzien van eiseres en ongegrond ten aanzien van de verzekeraar. Bij arrest van 2 mei 2023 wordt het hoger beroep van verweerster ten aanzien van eiseres ontvankelijk en gegrond verklaard en ongegrond ten aanzien van de verzekeraar. Eiseres moet volgens het arrest een bedrag van 36.562,38 in hoofdsom betalen aan verweerster. II. Eerste middel In het eerste middel verwijt eiseres de appelrechter de artikelen X.7 WER en de artikelen 9 en 26 Wet handelsagentuurovereenkomst te hebben geschonden door te oordelen dat de korte verjaringstermijn van de handelsagentuurwetgeving niet van toepassing is op de vordering van verweerster tegen eiseres strekkende tot schadevergoeding wegens niet-uitbetaling van als handelsagentuurcommissies gekwalificeerde bedragen zodat deze vordering niet is verjaard. Minstens bevat het bestreden arrest een tegenstrijdige motivering (schending van artikel 149 Grondwet) en tegenstrijdige beschikkingen (schending van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek) door enerzijds te oordelen dat de vordering van verweerster steunt op een handelsagentuurovereenkomst omdat het kapitaal in het verzekeringsproduct is opgebouwd uit commissies in de zin van de handelsagentuurwetgeving en anderzijds te oordelen dat de vordering wat de verjaring betreft niet is onderworpen aan de handelsagentuurwetgeving. Volgens artikel 10, § 1 van de Wet van 2 april 2014
(1)die de bepalingen met betrekking tot de handelsagentuurovereenkomst invoegde in het WER, zijn, onverminderd specifieke wettelijke bepalingen, de bepalingen van boek X van het WER van onmiddellijke toepassing op de nieuwe handelsagentuurovereenkomsten die na datum van inwerkingtreding van deze bepalingen, worden gesloten. In de memorie van toelichting bij de Wet van 2 april 2014 werd verduidelijkt dat de overeenkomsten die in uitvoering zijn niet aan de nieuwe bepalingen onderworpen zijn tot de vervaldatum van de overeenkomst
(2). Boek X WER trad in werking op 31 mei
- In casu werd de handelsagentuurovereenkomst beëindigd op 10 september
- De toepasselijke bepalingen op dit geschil zijn dan ook de bepalingen van de Wet Handelsagentuurovereenkomst. Volgens artikel 26 Wet handelsagentuurovereenkomst verjaren de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst. Uit de hoger geschetste feitelijke situatie volgt dat de collectieve verzekeringsovereenkomst een (gemengde) levensverzekering is. Volgens artikel 106 Wet Landverzekeringsovereenkomst beschikte eiseres als verzekeringsnemer het recht om een begunstigde aan te wijzen
(3). Eiseres wees de verweerster aan als de begunstigde van de verzekering. Dergelijke aanwijzing als begunstigde is een beding ten behoeve van een derde
(4). Het gaat dus om een driepartijenverhouding
(5). Er ontstaat geen contractuele band tussen de derde-begunstigde en de bedinger/verzekeringsnemer
(6). De vordering van de derde-begunstigde (in casu: de verweerster) tot schadevergoeding van de verzekeringsnemer (eiseres) is dus buitencontractueel van aard en volgens mij onderworpen aan de verjaringstermijn van artikel 34, § 1 Wet Landverzekeringsovereenkomst
(7)omdat deze vordering moet beschouwd worden als een rechtsvordering die voortvloeit uit de verzekeringsovereenkomst
(8). Een rechtsvordering vloeit volgens het Hof voort uit een verzekeringsovereenkomst wanneer zij betrekking heeft op het bestaan van een verzekeringsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen zowel voor contractanten als ten aanzien van derden, en dit ongeacht de rechtsgrond waarop de vordering is gesteund
(9). De vaststelling dat het kapitaal van die verzekering moet worden beschouwd als commissies in de zin van de handelsagentuurwetgeving (zie tweede middel), dat het kapitaal wordt beschermd door artikel 14 Wet handelsagentuurovereenkomst
(10)(art. X.12 WER) en dat een clausule in de verzekeringsovereenkomst waardoor door toedoen van de agent/begunstigde het beschikbaar kapitaal toekomt aan de verzekeringsnemer in strijd is met de dwingende bepaling van artikel 14 Wet handelsagentuurovereenkomst (thans art. X.12 WER), doet volgens mij niets anders besluiten. Deze rechtsvordering is dus niet onderworpen aan de verjaringstermijn opgenomen in artikel 26 Wet handelsagentuurovereenkomst (thans art. X.24 WER). Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht. (…) Conclusie: Verwerping. _______________________________________
(1)Wet van 2 april 2014 houdende invoeging van boek X “Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies” in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek X in boek I van het Wetboek van economisch recht, BS 28 april 2014.
(2)Mvt bij het wetsontwerp houdende invoeging van Boek X “Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies” in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek X in boek I van het Wetboek van economisch recht, Parl.St. Kamer, 2013-14, 53K3280/001, 17. In die zin zie ook P. NAYAERT, Handelsagentuurovereenkomst, Reeks APR, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2019, 3, randnr. 4.
(3)Thans artikel 169 Wet Verzekeringen.
(4)B. WEYTS, “De begunstiging bij levensverzekeringen volgens de Wet Landverzekeringsovereenkomst”, T.Verz. 2013/3, 256; N. CARETTE, Derdenbeding, Intersentia, Antwerpen, 2012, 256; P. ALLARY, “Commentaar bij art. 77 wet van 4 april 2014”, 15 in G. JOCQUÉ, C. VAN SCHOUBROECK, T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Verzekeringsrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 2 dln., z.p.; R. BARBAIX, “Hoofdstuk 2 – Levensverzekeringen”, 852-854, randnrs. 1356-1357 in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verzekeringsrecht, Interentia, Brussel, 2016, 1114p.; Ph. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Intersentia, Brussel, 2022, 255, 292 en 298-300.
(5)N. CARETTE, Derdenbeding, Intersentia, Antwerpen, 2012, 143.
(6)B. WEYTS, “De begunstiging bij levensverzekeringen volgens de Wet Landverzekeringsovereenkomst”, T.Verz. 2013/3, 256; N. CARETTE, Derdenbeding, Intersentia, Antwerpen, 2012, 256.
(7)Thans artikel 88, § 1, Wet Verzekeringen.
(8)G. JOCQUÉ, “Verjaring en verzekering”, T.Verz. 2006/1, 8-9, randnr. 6.
(9)Cass. 27 januari 2020, AR C.19.0090.N, AC 2020, nr. 76, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200127.3N.10.
(10)Art. 14. Wet handelsagentuurovereenkomst luidt als volgt: “Alleen in de volgende gevallen kunnen de partijen overeenkomen dat het recht op een commissie, zoals bepaald in de artikelen 10 en 11, vervalt: 1° indien en voor zover vaststaat dat de derde zijn verbintenissen niet nakomt behalve wanneer de niet-uitvoering terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn; 2° indien de uitvoering onmogelijk is geworden zonder dat dit te wijten is aan de principaal; 3° indien de uitvoering van de verrichting redelijkerwijze niet kan geëist worden van de principaal, vooral wanneer er door toedoen van de derde gewichtige redenen bestaan die de niet-uitvoering door de principaal rechtvaardigen. In alle gevallen bedoeld in dit artikel wordt de commissie die de handelsagent reeds heeft ontvangen, terugbetaald.” PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241025.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241025.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200127.3N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div