id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 Rolnummer: P.24.1170.N Zaak: B. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-12-06 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-06-18 20:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.14 Fiches 1 - 3 In het arrest van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling van artikel 27, 3, c, Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2022 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, omgezet naar Belgisch recht in artikel 37, §2, eerste lid, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel, zo moet worden uitgelegd dat zij niet verhindert dat aan de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel; deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, laat echter niet toe dat een overgeleverde persoon, zonder aanvullende toestemming tot overlevering of zonder zijn instemming, wordt vervolgd of veroordeeld, voor feiten waarvoor zijn voorlopige hechtenis werd bevolen in een ander strafdossier, die dateren van vóór zijn overlevering en die vreemd zijn aan de feiten waarvoor hij werd overgeleverd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 4 - 6 Volgens artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel geldt het specialiteitsbeginsel niet ingeval “de strafprocedure” geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt; deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel is enkel van toepassing wanneer de individuele vrijheid van de overgeleverde persoon gedurende de ganse strafprocedure, dus ook tijdens het gerechtelijk onderzoek, niet werd beperkt; het feit dat de overgeleverde persoon op het ogenblik van zijn daadwerkelijke vervolging of berechting niet langer van zijn vrijheid is beroofd, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de conclusie P.24.1170.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De toepassing van het specialiteitsbeginsel op de berechting van feiten die zijn begaan vóór de overlevering en in een aparte strafzaak aanleiding geven tot voorlopige hechtenis (art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 584/2002 en art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel)”. Middelen van eiser 1 B.B.
- Het beroepen vonnis veroordeelde eiser 1 tot een gevangenisstraf van drie jaar en een geldboete van 12.000 euro wegens poging tot invoer en vervoer van 1,4 ton cocaïne, in vereniging (zaak 2). Op hoger beroep van het openbaar ministerie heeft het hof van beroep eiser 1 met eenparigheid van stemmen veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van 12.000 euro wegens. Van zijn grief betreffende de schuld werd akte van afstand verleend (blz. 16).
- In een eerste middel voert eiser aan dat het hof van beroep onvoldoende redenen opgaf om in conclusie gevraagde werkstraf te weigeren, waardoor de beslissing om effectieve straffen op te leggen in strijd is met de artikelen 6 EVRM, 149 Grondwet, 195 Wetboek van Strafvordering en 37quinquies, § 3 Strafwetboek. De motivering laat eiser niet toe te begrijpen waarom de gevraagde werkstraf werd geweigerd en bovendien volstaat eenzelfde motivering niet om zowel de werkstraf als een straf met uitstel af te wijzen.
- Vooreerst stelde het Hof dat de verplichting de weigering te motiveren om een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken, voortvloeit uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en ingeval van een daartoe strekkende conclusie uit artikel 149 Grondwet. De motivering inzake de werkstraf vloeit dus niet voort uit artikel 195 Wetboek van Strafvordering
(1). Verder oordeelde het Hof dat het niet is vereist dat de rechter het verzoek om een werkstraf afwijst met een afzonderlijke, op zich zelf staande motivering. Die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd door opgave van redenen om een andere straffen op te leggen, zonder dat het nodig is dat de rechter ingaat op elk argument dat de beklaagde in zijn conclusie heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verzoek om een werkstraf uit te spreken
(2). Uit de bestreden beslissing moet wel blijken dat de rechter het verzoek om een werkstraf en de daartoe aangevoerde argumenten in aanmerking heeft genomen en de redenen voldoende duidelijk zijn, zodat de beklaagde de afwijzing van de werkstraf kan begrijpen
(3). Tenslotte verzet geen enkele wetsbepaling zich ertegen dat de rechter de weigering om een (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen op dezelfde redenen steunt als die waarop hij het verzoek om een werkstraf afwijst
(4). In zoverre faalt het middel naar recht. 4. Het bestreden arrest steunt de keuze voor een effectieve gevangenisstraf en geldboete onder meer op volgende redenen:
- a)door de tussenkomst van eiser kon er cocaïne bij gebruikers terecht komen,
- b)de maatschappij ziet zich geconfronteerd met drugsverslaafden, de kosten die gepaard gaat met hun opvang en ondersteuning en met het steeds toenemend drugsgeweld,
- c)eiser 1 werd reeds één maal veroordeeld voor valsheid in geschriften en vijf maal wegens verkeersinbreuken,
- d)een geldboete is nodig omdat de feiten werden gepleegd met het oog op snel geldgewin,
- e)het opleggen van een werkstraf of een straf met uitstel van tenuitvoerlegging houdt mede gelet op de ernst van de feiten een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal in en wijst eiser onvoldoende op het ontoelaatbare van zijn handelen en
- f)alleen effectieve straffen zijn van aard om de nodige bewustwording bij te brengen en recidive te vermijden. 5. Deze redenen lijken mij toereikend als antwoord op het verweer van eiser over een werkstraf of een straf met uitstel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 6. In een tweede middel stelt eiser dat de appelrechters de weigering om een straf met uitstel van tenuitvoerlegging onvoldoende hebben gemotiveerd. De redenen voor het opleggen van effectieve straffen zijn vaag en sibillijns en dezelfde redenen volstaan niet om zowel de werkstraf als de straf met uitstel af te wijzen. Hierdoor is het arrest in strijd met de artikelen 6 EVRM, 149 Grondwet, 195 Wetboek van Strafvordering en 8, § 1, vierde lid, Probatiewet. 7. Het is vaste rechtspraak dat uit de ingeroepen bepalingen volgt dat de rechter die een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging weigert, indien een dergelijke maatregel mogelijk is, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn
(5). De rechter kan aan deze bijzondere motiveringsplicht voldoen door nauwkeurig de redenen voor het opleggen van een effectieve straf te vermelden. De weigering een straf met uitstel toe te kennen vereist dus niet noodzakelijk een afzonderlijke, autonome motivering
(6). Uit de afwijzende beslissing moet wel blijken dat de rechter het verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging en de daartoe aangevoerde redenen in aanmerking heeft genomen
(7). In zoverre faalt het middel naar recht. Middel van eiser 2 de Procureur-generaal te Antwerpen. 2.
- Verschillende titels van aanhouding.
- Verweerder W. wordt vervolgd in twee samengevoegde strafzaken, namelijk zaak 1 (AN45.LB.108374/20) wegens feiten van verboden wapendracht, op 30 september 2020 (A), mondelinge bedreigingen aan W.V.A., op 30 september 2020 (B), belaging van W.V.A., tussen 18 september 2020 en 25 maart 2021 (C) en deelname aan een criminele organisatie, van 17 september 2020 tot 25 maart 2021, telkens in staat van wettelijke herhaling (D) en zaak 2 (AN…656/21) wegens een feit van 4 oktober 2021, omschreven als poging van invoer of vervoer van 1,4 ton cocaïne, in vereniging, in staat van wettelijke herhaling.
- Het bestreden arrest heeft de strafvordering ingesteld tegen verweerder W. in zaak 1 niet-ontvankelijk verklaard, wegens miskenning van het specialiteitsbeginsel (in eerste aanleg werd verweerder voor de feiten A-D veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 20.000 euro) en in zaak 2 deze verweerder schuldig bevonden en de straf bevolen in eerste aanleg van 5 jaar gevangenisstraf en 24.000 euro geldboete herleid naar deze van 5 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 12.000 euro.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat verweerder op 3 februari 2021 door de Spaanse autoriteiten werd overgeleverd aan België, met toepassing van het specialiteitsbeginsel, op basis van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 27 oktober 2020 door onderzoeksrechter D.H. in een andere, reeds berechte strafzaak AN…380/20 van vervoer van cocaïne. De veroordeling uitgesproken door het hof van beroep te Antwerpen op 27 maart 2024 is definitief.
- In zaak 1 werd verweerder aangehouden op 9 april 2021 door onderzoeksrechter V.S., die een bijkomend Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd voor de feiten A, B, C en D. Op 30 maart 2022 hebben de Spaanse autoriteiten de aanvullende overlevering van verweerder geweigerd. Op 11 april 2022 stelden de Spaanse autoriteiten vast dat er tegen deze afwijzing geen hoger beroep was ingesteld. Tijdens zijn verhoor op 7 maart 2022 over de feiten van zaak 1 verklaarde verweerder uitdrukkelijk dat hij geen afstand deed van het specialiteitsbeginsel.
- In zaak 2 werd verweerder aangehouden door onderzoeksrechter B.M., voor feiten die dateren van na zijn overlevering, en waarvoor geen aanvullend EAB werd opgesteld. 2.
- Inhoud specialiteitsbeginsel.
- Het Europees aanhoudingsbevel dient krachtens artikel 2, § 4, 5° Wet Europees Aanhoudingsbevel de omschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, daaronder begrepen tijdstip en plaats, alsook van de mate waarin de gezochte persoon aan het misdrijf heeft deelgenomen.
- Artikel 37, § 1 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt als uitgangspunt, in uitvoering van art. 27.2 EU-Kaderbesluit 2002/584/JBZ, dat als de betrokkene is overgeleverd op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit, hij niet kan worden vervolgd wegens een ander, vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit waarop de overlevering betrekking heeft
(8). Deze regel, gekend als het specialiteitsbeginsel, is van groot belang in het overleveringsrecht. Het beginsel houdt verband met de soevereiniteit van de uitvoerende lidstaat en verleent de gezochte persoon het recht om enkel te worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd voor het strafbaar feit dat de reden tot de overlevering is geweest
(9). Het heeft immers weinig zin de overlevering te onderwerpen aan voorwaarden en beperkingen, te beoordelen door de uitvoerende lidstaat, als de uitvaardigende lidstaat vrij zou zijn de overgeleverde verdachte te vervolgen en te bestraffen voor andere strafbare feiten dan deze waarvoor de overlevering door een rechterlijke autoriteit in de uitvoerende lidstaat is toegestaan, zonder bijkomende toelating van de uitvoerende lidstaat of van de betrokkene zelf
(10). 15. De lidstaten kunnen overeenkomstig art. 27.1 EAB-Kaderbesluit weliswaar afstand doen van het specialiteitsbeginsel, als beletsel voor de vervolging in de uitvaardigende lidstaat
(11). Wil de uitvaardigende lidstaat de overgeleverde persoon toch vervolgen of berechten voor andere feiten dan deze waarvoor de overlevering was toegestaan, dan moet daarvoor een bijkomende toelating van de uitvaardigende lidstaat worden verkregen (art. 27.3, g) EAB Kaderbesluit en art. 37, § 2 Wet Europees Aanhoudingsbevel). Zonder die bijkomende toelating kan de beklaagde voor die feiten niet worden aangehouden tijdens zijn proces of kan de opgelegde gevangenisstraf niet worden uitgevoerd
(12). Het specialiteitsbeginsel kan dus worden doorbroken door een aanvullend Europees aanhoudingsbevel dat door de uitvoerende lidstaat wordt ingewilligd. De toelating van de uitvoerende lidstaat primeert bijgevolg op de bevoegdheid van de vervolgende instanties in de uitvaardigende lidstaat om bijkomende strafbare feiten te vervolgen die dateren van voor de overlevering, ook al kwamen die feiten pas aan het licht na de overlevering. Er is wel geen beletsel voor de vervolging of bestraffing van misdrijven begaan vóór de overlevering, waarvoor de bijkomende toelating van de uitvoerende lidstaat ontbreekt, als de overgeleverde persoon weloverwogen en vrijwillig afstand doet van het specialiteitsbeginsel (art. 27.3.f EAB-Kaderbesluit en art. 37, § 2, 6° Wet Europees Aanhoudingsbevel). 16. Op het specialiteitsbeginsel bestaan naast de instemming met de vervolging door de betrokkene enkele uitzonderingen. Zo is het verbod van vervolging voor enig ander feit begaan vóór de overlevering volgens artikel 37 § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel niet van toepassing in geval de strafprocedure geen aanleiding geeft tot toepassing van een maategel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt
(13). Deze bepaling is geënt op art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarover het Hof van Justitie in zijn arrest C-388-08 van 1 december 2008 oordeelde deze regel toelaat dat de overgeleverde persoon kan worden vervolgd en berecht voor enig ander feit “dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend”
(14). 17. De voorwaarde van “enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welke de reden tot de overlevering is geweest” (art. 27.2 EU-Kaderbesluit 2002/584) laat ruimte voor interpretatie, als de verdachte zich na zijn overlevering in voorlopige hechtenis bevindt. Het Hof van Justitie oordeelde in de zaak C-388/08 dat de voorwaarde “de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt” (art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 2002/584), als uitzondering op het specialiteitsbeginsel omschreven in art. 27.2 EU-Kaderbesluit 2002/584, geen beletsel is voor een vrijheidsbeperkende maatregel van de overgeleverde verdachte voorafgaand aan de toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op voorwaarde dat deze maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het EAB
(15). 18. Uw Hof nam op 7 januari 2020 aan, met verwijzing naar vermeld arrest C-388/08, dat in het kader van art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 2002/584: “een persoon kan worden vervolgd voor ‘enig ander feit’ dan dat waarvoor de overlevering is toegestaan en dat aanleiding kan geven tot een vrijheidsstraf, zonder dat de vervolging was toegestaan door de uitvoerende autoriteit, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend”
(16). Verder oordeelde uw Hof, op 12 september 2017, dat de omstandigheid dat een inverdenkinggestelde na zijn overlevering in voorlopige hechtenis verblijft wegens feiten waarvoor die overlevering is geweigerd, niet verhindert dat hij voor die feiten kan worden vervolgd en berecht, wanneer de voorlopige hechtenis ook wettelijk gerechtvaardigd is door feiten waarvoor hij wel is overgeleverd
(17). 19. Advocaat-generaal Marc TIMPERMAN stelde hierover dat de bedoeling van het specialiteitsbeginsel, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, erin bestaat dat: “de overgeleverde persoon niet van zijn vrijheid zou worden beroofd op basis van feiten waarvoor de overlevering niet werd gevraagd of waarvoor deze werd gevraagd maar door de uitvoerende overheid werd geweigerd. Wanneer de voorlopige hechtenis naar recht is verantwoord op basis van de feiten waarvoor de betrokkene werd overgeleverd, is aan deze ratio voldaan, ongeacht of de voorlopig hechtenis daarnaast ook op andere feiten is gebaseerd”
(18). 20. Verder nam het Hof aan, op 7 februari 2023, met verwijzing naar vermeld arrest C-388/08, dat het specialiteitsbeginsel in het overleveringsrecht niet wordt miskend doordat de voorlopige hechtenis van een overgeleverde verdachte wordt gehandhaafd wegens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een geheel van feiten gepleegd vóór zijn overlevering, waarvan bepaalde feiten wel en andere feiten niet zijn vermeld in het Europees aanhoudingsbevel
(19).
- Samengevat kan men de ingeroepen wetsbepalingen zo interpreteren dat als de beklaagde is overgeleverd voor feit A, dat voorwerp is van een aparte (eerdere) strafprocedure, hij zonder bijkomende toelating van de uitvoerende lidstaat of de betrokkene niet kan worden vervolgd en berecht voor feit B dat dateerde van vóór zijn overlevering en dat als enig feit aanleiding gaf tot voorlopige hechtenis, in de latere strafprocedure. 2.
- Redenen van toepassing van het specialiteitsbeginsel.
- Het bestreden arrest oordeelt over de toepassing van het specialiteitsbeginsel in zaak 1 als volgt: - Het staat vast dat 1° de feiten die in zaak 1 worden vervolgd andere feiten zijn als deze waarvoor aan de Spaanse autoriteiten de overlevering van verweerder was gevraagd en verkregen en 2° deze feiten zijn begaan vóór deze overlevering; - Aan geen van de uitzonderingen op het specialiteitsbeginsel is in deze zaak voldaan
(20). Wat betreft de grond van art. 27.3, c) EAB-Kaderbesluit wijkt de voorliggende casus af van deze die aan de orde was in de arresten die eiser aanhaalde (Cass. 12 september 2017 en HvJ 1 december 2008, C-388/08) over sommige feiten vermeld in eenzelfde EAB waarvoor de uitvoerende lidstaat toestemming gaf tot overlevering en voor andere feiten niet, zodat de besluiten die uit beide arresten voortvloeien in de voorliggende casus niet van toepassing zijn; - In zaak 1 heeft onderzoeksrechter V.S. verweerder aangehouden voor drie feiten waarvoor hij was gevat (A, B en D) zonder dat hij eerder om diens uitlevering
(21)had verzocht; - De voorlopige hechtenis in zaak 1 kon niet gesteund worden op andere telastleggingen in het EAB waarvoor de overlevering wel was toegestaan en het dossier bevat een afschrift van het verhoor van verweerder over zijn weigering om afstand te doen van het specialiteitsbeginsel, voor de feiten van zaak 1; - In een verhoor van verweerder na zijn overlevering heeft verweerder geweigerd afstand te doen van het specialiteitsbeginsel; - Een vervolging, berechting of vrijheidsberoving van verweerder voor de feiten A, B, C, en D in zaak 1, die andere feiten betreffen dat deze waarvoor verweerder was overgeleverd en die zich in de tijd situeren voorafgaand aan de uitlevering, is in de voorliggende situatie slechts mogelijk indien daartoe vanwege de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in dit geval Spanje, toestemming zou worden verkregen; - Deze procedure, die in feite neerkomt op een verzoek tot aanvullende overlevering, is geregeld in de artikelen 27.4 EAB-Kaderbesluit en 37, § 2, laatste lid, EAB-wet; - Het verzoek van onderzoeksrechter V.S. op een later tijdstip tot aanvullende overlevering voor de feiten in zaak 1 werd afgewezen door de bevoegde Spaanse autoriteit en deze beslissing is definitief, zodat de strafvordering ingesteld tegen verweerder voor de feiten in zaak 1 onontvankelijk is. 2.4. Beoordeling van het middel van schending van art. 37, § 1 en § 2, sub3 Wet Europees Aanhoudingsbevel. 23. Het bestreden arrest overloopt alle uitzonderingen op het specialiteitsbeginsel en komt, met opgave van redenen, tot de vaststelling dat geen enkele van de gronden vermeld in de artikelen 27.3 EAB-Kaderbesluit en 37, § 2 Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is. Het middel is gericht tegen het oordeel dat de uitzondering van art. 37, § 2, sub 3 EAB-wet (eveneens art. 27.3.
- c)EAB-Kaderbesluit) niet van toepassing is, zodat op grond van het specialiteitsbeginsel (art. 37, § 1 EAB-wet) een vervolging van bijkomende feiten daterend van voor de overlevering alleen is toegestaan met toestemming van de uitvoerende staat of van verweerder zelf. 24. In een eerste onderdeel voert eiser aan dat 1°het bestreden arrest de uitzondering op het specialiteitsbeginsel van art. 37, § 2, sub 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel beperkt tot het geval van eenzelfde EAB waarin de overlevering voor bepaalde feiten werd toegestaan en voor andere feiten werd geweigerd, waardoor het arrest een voorwaarde toevoegt aan die wetsbepaling, 2°het arrest de term ‘ander feit’ van art. 37, § 1 Wet Europees Aanhoudingsbevel strikter opvat als de term ‘enig ander feit’ van art. 27.2 EAB-Kaderbesluit 584/2002 en 3°de uitzondering van art. 37, § 2, sub 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel, als toelating tot vervolging, kan worden beoordeeld bij de vervolging en berechting van andere feiten, dewelke initieel niet voorzien waren in eenzelfde verzoek tot overlevering. 25. Ik ben van mening dat het bestreden arrest de toepassing van art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel en het corresponderende art. 27.3.
- c)EAB-Kaderbesluit niet te strikt interpreteert, maar alleen verduidelijkt dat de situatie van meerdere feiten vermeld in eenzelfde Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de overlevering was beperkt tot enkele feiten in die reeks, verschilt van deze van de vervolging van eiser in zaak 1, zodat de rechtspraak die betrekking heeft op vermelde zaak C-388/08 niet van toepassing is in zaak 1. Vervolgens licht het arrest dit verschil toe, door te stellen dat 1°de voorlopige hechtenis voor drie feiten in zaak 1 werd bevolen zonder dat de uitvoerende lidstaat toelating (ooit) gaf tot vervolging en 2°die voorlopige hechtenis geen verband houdt met feiten waarvoor de overlevering wel was toegestaan, in een andere strafzaak. In zoverre het onderdeel niet is gericht tegen deze redenen over het verschil met de zaak C-388/08, mist het naar mijn mening feitelijke grondslag. 26. Voor zover eiser ervan uitgaat dat art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel zou toelaten dat de beklaagde zonder aanvullende overlevering of zijn instemming in een andere strafzaak kan worden vervolgd voor nieuwe feiten die dateren van vóór de overlevering en waarvoor nadien de voorlopige hechtenis is bevolen, faalt het onderdeel m.i. naar recht. Deze brede interpretatie van deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel strookt niet met vermelde rechtspraak en met de basisregel van art. 27.2 EAB-Kaderbesluit en art. 37, § 1 Wet Europees Aanhoudingsbevel. 27. In een tweede onderdeel voert eiser aan dat het hof van beroep had moeten vaststellen dat er ten aanzien van verweerder geen vrijheidsbenemende maatregel bestond op het ogenblik van de daadwerkelijke vervolging en berechting, met als beginpunt de eindvordering van de procureur des Konings, en wel toepassing had moeten maken van art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel, als uitzondering op het specialiteitsbeginsel. De voorlopige hechtenis werd in zaak I weliswaar foutief opgelegd aan verweerder, maar dit belet de vervolging van verweerder in die zaak niet, omdat op het moment van de daadwerkelijke vervolging (eindvordering) die hechtenis was beëindigd. 28. Volgens art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel geldt het specialiteitsbeginsel (omschreven in art. 37, § 1 van deze wet) niet als de ‘strafprocedure’ geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt. Deze laatste term is ruimer opgevat dan de uitvoering van de straf als resultaat van de vervolging, en omvat m.i. ook de voorlopige hechtenis van de overgeleverde persoon, voorafgaand aan de fase ten gronde van het strafproces. In de visie van eiser zou de rechter van de uitvaardigende lidstaat een overgeleverde persoon kunnen aanhouden voor geheel andere feiten dan deze waarvoor de overlevering is toegestaan, zonder verdere formaliteiten of toestemmingen, zolang er maar aan die voorlopige hechtenis een einde komt van zodra de zaak voorligt aan de vonnisrechter. Deze visie is moeilijk verenigbaar met de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak C-388/08 over art. 27, derde lid,
- c)EAB-Kaderbesluit. Deze bepaling verhindert volgens het Hof niet dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de uitvoerende staat toelating geeft tot vervolging, mits die beperking wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel
(22). In een strafonderzoek naar bijkomende feiten, die geen verband houden met de zaak waarin een EAB werd uitgevoerd en waarvoor de toelating ontbreekt van de uitvoerende lidstaat of de betrokkene zelf, kan de onderzoeksrechter aldus geen vrijheidsbeperkende maatregel nemen. De term ‘strafprocedure’ van art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan ruim worden opgevat, in die zin dat ook het gerechtelijk onderzoek onder die noemer valt. Het onderdeel faalt aldus naar recht. 29. Ondergeschikt, gaat het onderdeel m.i. voorbij aan het beginsel dat niet alleen de verwijzingsbeschikking een daad van vervolging uitmaakt, maar ook de voorafgaande vordering tot gerechtelijk onderzoek (art. 47 Sv.) of klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.)
(23). Vanaf dat moment kan de procureur des Konings de zaak niet meer afhandelen door een sepot en is de zaak in handen van een rechter
(24).
- Tenslotte stelt eiser in een derde onderdeel dat feit D in zaak I een voortdurend misdrijf omvat, waarbij de incriminatieperiode zich voor een deel uitstrekt na de overlevering van verweerder, namelijk van 3 februari 2021 tot 25 maart
- Het bestreden arrest heeft zich in strijd met de artikelen 37, § 1, en 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel niet uitgesproken voor dat dat (laatste) deel van de incriminatieperiode.
- Het bestreden arrest neemt aan dat het ‘vaststaat’ dat de feiten der telastleggingen A, B, C en D, waarvoor verweerder wordt vervolgd in zaak 1, feiten betreffen die vóór deze overlevering waren begaan. Het hof van beroep stelt hiermee onaantastbaar vast dat na de overlevering van verweerder op 3 februari 2021 verweerder niet betrokken was bij feiten C en D van resp. belaging van W.V.A. en deelname aan een criminele organisatie. Het onderdeel dat niet opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel is naar mijn mening niet-ontvankelijk. Volgens art. 147, tweede lid, Grondwet, treedt het Hof van Cassatie niet in de beoordeling van de zaken zelf
(25). Op basis van het onderdeel aangebracht door eiser kan het Hof m.i. niet tot het oordeel komen dat verweerder ook na zijn overlevering de feiten C en D van zaak 1 heeft begaan, en voor dat deel van de incriminatieperiode de beslissing van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering niet naar recht is verantwoord, gelet op de ingeroepen wetsbepalingen. 32. Het onderdeel voert geen motiveringsgebrek aan. Er lijkt mij op dit punt geen grond voor een ambtshalve middel op grond van art. 149 Grondwet. Uit de stukken blijkt niet dat eiser verweer heeft gevoerd over het deel van de incriminatieperiode dat dateert van na de overlevering van verweerder, zodat het hof van beroep zijn standpunt niet verder moest toelichten
(26). Conclusie: Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Verwerping van de cassatieberoepen. ______________________________
(1)Cass. 4 juni 2024, AR P.24.0344.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6, AC 2024, nr. 417; Cass. 8 juni 2005, AR P.05.0349.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050608.4, AC 2005, nr. 327. Zie alg. P. HOET, “Het Hof van Cassatie, de motivering van de straftoemeting en strafdoeleinden”, in Het Hof van Cassatie in dialoog. Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 2024, 519-528.
(2)Cass. 4 juni 2024, AR P.24.0344.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6, AC 2014, nr. 417; Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1512.N, arrest niet gepubliceerd, T. Strafr. 2024, 110; Cass. 8 november 2023, AR P.23.0992.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3, AC 2023, nr. 717, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., T. Strafr. 2024, 58 noot D. MULDER, “De motiveringsplicht bij de strafrechter bij het weigeren van een werkstraf: inhoud primeert over vorm” (58-60); Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 553, T. Strafr. 2021, 387 noot P. HOET; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99, NC 2021, 154 noot M. VERDICKT, “De (negatieve) motivering van de straf: tussen de verplichting en de vrijheid van de strafrechter”, 155-165 Contra: Cass. 24 september 2008, AR P.08.1234.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080924.1, AC 2008, nr. 504, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; P. HOET, “Het Hof van Cassatie, de motivering van de straftoemeting en strafdoeleinden”, in Het Hof van Cassatie in dialoog. Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 2024, 524-525; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure 2021, 139; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, II, 1554-1555; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, I, 1220-122.
(3)Cass. 4 juni 2024, AR P.24.0344.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6, AC 2024, nr. 417; Cass. 5 september 2023, AR P.22.1538.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.13, AC 2023, nr. 528; Cass. 25 mei 2022, AR P.22.0255.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.5, AC 2022, nr. 379, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas..
(4)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0579.N, arrest niet gepubliceerd.
(5)Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 553, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET; Cass. 22 september 2020, AR P.20.0537.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.12, AC 2020, nr. 565; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99, NC 2021, 154 noot M. VERDICKT. Zie alg. S. RAATS, “De motiveringsverplichting als waarborg tegen rechterlijke willekeur”, NC 2011, 230-242; J. ROZIE en C. VAN DEUREN, “De motivering van de straf en strafmaat: een onderzoek naar de toepassing ervan in de praktijk. Komt de huidige motiveringspraktijk tegemoet aan de door de wetgever vooropgestelde doelstellingen?”, NC 2012, 131-149; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 752-768; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, II, 1547-1563
(1552).
(6)Cass. 21 mei 2024, AR P.24.0422.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7, AC 2024, nr. 388; Cass. 20 november 2019, AR P.19.0925.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4, AC 2019, nr. 613.
(7)Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 553, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET; Cass. 13 april 2021, AR P. 20.1301.N, AC 2021, nr. 258; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99, NC 2021, 154 noot M. VERDICKT; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, II, 1551-1553; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, I, 1215-1219.
(8)Vb. Cass. 23 november 2010, AR P.10.1371.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4, AC 2010, nr. 689, NC 2012, 220 noot E. VAN DOOREN.
(9)HvJ 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, zaak C-388/08, § 44, www.curia.europa.eu; A. WINANTS, “Actuele beschouwingen over het Europees aanhoudingsbevel”, in Strafrecht meer..dan ooit, die Keure 2011, 52; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 70.
(10)H. SANDERS, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2011, 242.
(11)HvJ 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, zaak C-388/08, § 45, www.curia.europa.eu; H. SANDERS, Het Europees aanhoudingsbevel. Nederlands en Belgisch overleveringsrecht in hoofdlijnen, Intersentia 2011, 244.
(12)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15, NC 2020, 463; Cass. 16 september 2015, AR P.15.0869.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.3, AC 2015, nr. 522; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 70.
(13)Zie alg. J. VAN GAEVER, “Het specialiteitsbeginsel in de overlevering”, T. Strafr. 2009, 311-317; G. STESSENS, “Het Europees aanhoudingsbevel en het wederzijds vertrouwen”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 379-397; H. SANDERS, Het Europees aanhoudingsbevel. Nederlands en Belgisch overleveringsrecht in hoofdlijnen, Intersentia 2011, 89-90; H. SANDERS, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2011, 241-256; S. DEWULF, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2013, 40-45; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 605-606; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer 2013, 290-302; Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, concl. in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 69-79; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 2151-2153, C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA 2022, 1297-1298; J. VAN EX, “La règle de la spécialité dans le cadre du mandat d’arrêt européen », RDPC 2020, 1080-1092.
(14)HvJ 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, zaak C-388/08, RO 73, www.curia.europa.eu.
(15)HvJ 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, zaak C-388/08, RO 76 www.curia.europa.eu; “De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, van kaderbesluit 2002/584 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer sprake is van „enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, overeenkomstig artikel 27, lid 4, van dat kaderbesluit toestemming moet worden gevraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. De overgeleverde persoon kan voor dat strafbare feit worden vervolgd en berecht alvorens die toestemming is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, staat er echter niet aan in de weg dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de toestemming wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel”; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer, 2013, 298; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 74; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 2152.
(16)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15, NC 2020, 463.
(17)Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(18)Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, concl. in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, § 5.
(19)Cass. 7 februari 2023, AR P.22.1083.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.1, AC 2023, nr. 94, met concl. OM.
(20)Het bestreden arrest gaat concreet na of elk van de uitzonderingen op het specialiteitsbeginsel, vermeld in artikel 27, derde lid, EU Kaderbesluit 584/2002 van toepassing is.
(21)Het bestreden arrest bevat m.i. op dit punt een materiële vergissing, aangezien in andere zinnen steeds de term ‘overlevering’ is gebruikt.
(22)HvJ 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, zaak C-388/08, §76, www.curia.europa.eu.
(23)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, I, 190, 193; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht, GOMPEL & SVACINA 2022, 818, 1005, 1011; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, nrs. 576, 994 en 2160.
(24)Het openbaar ministerie kan weliswaar tijdens het gerechtelijk onderzoek zaken afhandelen, bij minnelijke schikking, bemiddeling, plea of guilty of een akkoord met een spijtoptant, doch akkoorden met de verdachte maken geen einde aan de strafvordering en moeten ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de raadkamer (artikelen 216, § 2, 216/5, § 3, 216bis, § 2, en 216ter, § 6 Sv.).
(25)Zie F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 127-133; J. DE CODT, in “Présentation des moyens en cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 142-143; S. SONCK, “De ontvankelijkheid van het cassatiemiddel in strafzaken”, in De cassatieberoepen, Intersentia 2023, 537-540.
(26)Het openbaar ministerie heeft op 22 november 2023 een conclusie ingediend, met als verweer dat de uitzondering op het specialiteitsbeginsel van art. 37, § 2, 3° EAB van toepassing is (st. 16, p.7). De conclusie bevat geen specifiek verweer over het deel van de incriminatieperiode van feiten C en D van na de overlevering. Na het tussenarrest van 26 januari 2024 (st. 21) over de samenvoeging van zaken 1 en 2 en het opvragen van bijkomende stukken uit Nederland werden conclusietermijnen bepaald (st. 24). Het OM diende geen (bijkomende) conclusie meer in (st. 24-31 en bestreden arrest, p. 12). PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.14 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050608.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080924.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div