← België

BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN c. LLO Trading NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241112.2N.16 Rolnummer: P.23.0115.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN c. LLO Trading NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-01-14 Raadplegingen: 258 - laatst gezien 2026-06-15 01:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.16 Fiche 1 Teneinde te bepalen waar een onregelmatige onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling heeft plaatsgevonden, volgt uit de artikelen 6, §§ 1 en 2, a), 8, §§ 1, 2 en 4, en 25, § 2, Accijnswet 2009, die de omzetting zijn van de respectieve artikelen 7.1, 7.2.a), 10.1, 10.2, 10.4 en 20.2 Accijnsrichtlijn 2008, dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang 1) kan worden vastgesteld waar die onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, 2) enkel kan worden vastgesteld dat ergens een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, 3) geheel niet kan worden vastgesteld dat zich een onregelmatigheid heeft voorgedaan maar enkel dat de accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§ 1 en 2,
  1. a)- 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 8, §§ 1, 2 en 4 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 25, § 2 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 7.1 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 7.2,
  2. a)Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 10.1 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 10.2 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 10.4 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 20.2 Fiche 2 Uit de samenhang van de artikelen 6, §§ 1 en 2, a), 8, §§ 1, 2, 4 en 6 en 25, § 2, Accijnswet 2009 volgt dat tussen eensdeels een vastgestelde onregelmatigheid tijdens de overbrenging van accijnsgoederen en anderdeels de onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling en bijgevolg de niet-regelmatige overbrenging daarvan, een oorzakelijk verband moet bestaan; louter op grond van de vaststelling dat de accijnsgoederen niet op de aangegeven bestemming in de lidstaat van bestemming zijn toegekomen, kan het arrest niet naar recht afleiden dat een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van die goederen werd vastgesteld in die lidstaat als gevolg waarvan hun overbrenging niet overeenkomstig de aangifte werd beëindigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§ 1 en 2, a) - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 8, §§ 1, 2, 4 en 6 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 25, § 2 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Tekst van de conclusie P.23.0115.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…)
  1. De verweerders werden in deze zaak vervolgd voor de onttrekking aan de schorsingsregeling inzake accijnzen van ethylalcoholhoudende dranken en bier door fictieve verzendingen vanuit een belastingentrepot hier te lande, naar Italiaanse belastingentrepots, waar de e-AD documenten (de elektronische administratieve documenten) werden aangezuiverd via het EMCS-systeem, maar waar de goederen nooit zijn toegekomen. De e-AD documenten werden opgesteld in de periodes van 11 april 2013 tot en met 24 juli 2013, van 28 augustus 2013 tot en met 11 september 2014 en van 9 september 2013 tot en met 25 april
  2. Uit het bestreden arrest blijkt dat de Italiaanse autoriteiten hebben vastgesteld dat de goederen nooit in de belastingentrepots van bestemming zijn aangekomen en er sprake was van “spookbelastingentrepots” waar de accijnsgoederen in kwestie fictief werden aangezuiverd.
  3. Ik ben van oordeel, om de redenen hierna uiteen gezet, dat een ambtshalve middel dient opgeworpen te worden, met name de schending van artikel 6, § 1 en § 2, a en artikel 8, § 2, § 4 en § 6, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (hierna “Accijnswet 2009”).
  4. Accijnzen zijn indirecte belastingen op het verbruik van accijnsgoederen
(1), die een tweeledig doel hebben, enerzijds als inkomstenbron voor de schatkist, anderzijds als middel om het verbruik van bepaalde producten te ontmoedigen. Accijnsgoederen worden aan accijnzen onderworpen bij de productie ervan, daar onder begrepen hun winning, op het grondgebied van de Europese Unie of hun invoer of onregelmatige binnenkomst in dit grondgebied (= het belastbaar feit)
(2). Aangezien de accijns een belasting is op het verbruik dient het tijdstip en plaats van verschuldigdheid dan ook zo dicht mogelijk bij de verbruiker te liggen
(3). Dit is de reden waarom in de regelgeving wordt bepaald dat de accijnzen verschuldigd worden bij de “uitslag tot verbruik” (cfr. infra). Tussen het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet en dat waarop de accijns verschuldigd wordt (de uitslag tot verbruik), ligt in de regel enige tijd, en wat nog belangrijker is, als gevolg van het intracommunautair verkeer van de accijnsproducten, kan de lidstaat waarin de belasting verschuldigd wordt, variëren. Per 1 januari 1993 werd in de Europese Unie de interne markt tot stand gebracht, wat het vrije verkeer van goederen impliceert. Met het oog op de totstandkoming en de werking van de interne markt heeft de Uniewetgever een systeem ontworpen waarbij, zonder dat wordt afgezien van het vrije verkeer van goederen, de heffing van de op accijnsgoederen rustende accijnzen bij verbruik wordt gewaarborgd en de verschuldigdheid van de accijns in alle lidstaten gelijk wordt geregeld. Hiertoe werd onder meer een accijnsschorsingsregeling uitgewerkt. Deze regeling wordt gedefinieerd als een belastingregeling die geldt voor het produceren, verwerken, voorhanden hebben, opslaan en overbrengen van accijnsgoederen waarbij de accijns is geschorst
(4). Deze regeling schort aldus de verschuldigdheid van de accijns op tot er een voorwaarde voor verschuldigdheid ervan is vervuld, met name wanneer er sprake is van een “uitslag tot verbruik”. De accijnsgoederen kunnen alzo, onder dekking van een elektronisch administratief document (het zogenaamde geleidedocument), met schorsing van de belastingen overgebracht worden naar een andere plaats binnen de Europese Unie. In beginsel moet het verkeer van accijnsgoederen dat onder de schorsingsregeling plaats vindt, geschieden tussen belastingentrepots die worden geëxploiteerd door erkende entrepothouders. De Unieregeling voor accijnsproducten was aanvankelijk vervat in Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. Deze richtlijn werd opgeheven en vervangen door Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (hierna Accijnsrichtlijn 2008)
(5). De Accijnsrichtlijn 2008 werd omgezet naar Belgisch recht door de Accijnswet 2009
(6). De bepalingen die voor de beoordeling van huidige problematiek van belang zijn betreffen de artikelen 6, § 1 en § 2 a), artikel 8, § 1, § 2, § 4 en § 6, en artikel 25 Accijnswet
  1. Deze artikelen zijn de omzetting van respectievelijk artikel 7.1 en 7.
  2. a), artikel 10.1, 10.2., 10.4, 10.6 en 20 van de Accijnsrichtlijn
  3. Overeenkomstig artikel 6, § 1, Accijnswet 2009 worden accijnzen verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik hier ten lande. Artikel 6, § 2, a), Accijnswet 2009, zoals hier toepasselijk
(7), bepaalt: “Onder “uitslag tot verbruik” wordt verstaan:
  1. a)het onttrekken, met inbegrip van het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling”. Zoals vermeld is artikel 6, § 1 en § 2, a), Accijnswet 2009 de omzetting van artikel 7.1. en 7.2.
  2. a)van de Accijnsrichtlijn 2008. Het Hof van Justitie overwoog in een arrest van 2 juni 2016
(8)omtrent artikel 7.
  1. a) Accijnsrichtlijn 2008 als volgt: “In de derde plaats dient er – met betrekking tot de context van richtlijn 2008/118 – op te worden gewezen dat artikel 7, lid 2, onder a), van deze richtlijn met name doelt op het geval waarin een accijnsgoed onregelmatig aan een accijnsschorsingsregeling wordt onttrokken. Aangezien de woorden „onregelmatig onttrekken” niet anders kunnen worden opgevat dan als het fysiek onttrekken van een goed aan een dergelijke regeling, versterkt het gebruik van deze termen in die bepaling de lezing, dat de uitslag tot verbruik in de zin van deze bepaling plaatsvindt op het tijdstip waarop een accijnsgoed fysiek aan een accijnsschorsingsregeling wordt onttrokken”.
  2. Zoals advocaat-generaal P. PIKAMÄE terecht opmerkt, met verwijzing naar de rechtsliteratuur, is de kans op fraude het grootst tijdens de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling
(9). Aangezien dit in de interne markt zich kan voordoen in elke lidstaat van de Europese Unie dienden uniforme regels te worden vastgelegd op grond waarvan wordt bepaald waar de uitslag tot verbruik moet worden geacht te hebben plaats gevonden in het geval van een onregelmatigheid tijdens de overbrenging die resulteert in de uitslag tot verbruik en waar aldus de accijnzen verschuldigd zijn. Overweging 11 van de Accijnsrichtlijn 2008 bepaalt dienaangaande: “In geval van een onregelmatigheid dient de accijns verschuldigd te worden in de lidstaat waar de in de uitslag tot verbruik resulterende onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of, indien niet is vast te stellen waar de onregelmatigheid plaatsvond, in de lidstaat waar zij is geconstateerd. Indien de accijnsgoederen niet op hun plaats van bestemming zijn aangekomen en er geen onregelmatigheid is geconstateerd, dient ervan te worden uitgegaan dat er een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar de accijnsgoederen zijn verzonden”. De uitgewerkte regeling is vervat in artikel 10 Accijnsrichtlijn
  1. Artikel 10 Accijnsrichtlijn 2008 bepaalt: “
  2. Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden (eigen onderlijning) die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), vindt de uitslag tot verbruik plaats in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.
  3. Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling een onregelmatigheid is geconstateerd (eigen onderlijning) die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat waar en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd.
  4. In de in lid 1 en lid 2 bedoelde situaties informeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen of worden geacht tot verbruik te zijn uitgeslagen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending.
  5. Indien onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is geconstateerd (eigen onderlijning) die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van aanvang van de overbrenging, tenzij binnen een termijn van vier maanden na de aanvang van de overbrenging overeenkomstig artikel 20, lid 1, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending wordt aangetoond dat de overbrenging overeenkomstig artikel 20, lid 2, is geëindigd of dat is vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond. Indien de persoon die de in artikel 18 bedoelde zekerheid heeft gesteld, niet op de hoogte was of mogelijk niet op de hoogte was van het feit dat de goederen niet ter bestemming zijn aangekomen, wordt hem een termijn van een maand, te rekenen vanaf het tijdstip van de verstrekking van die informatie door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending, gegund om het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 20, lid 2, of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, aan te tonen.
  6. Indien evenwel in de in lid 2 en lid 4 bedoelde situaties binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de overbrenging overeenkomstig artikel 20, lid 1, is aangevangen, wordt vastgesteld in welke lidstaat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is lid 1 van toepassing. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, informeren in die situaties de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de accijns is geheven, die overgaan tot teruggaaf of kwijtschelding van de accijns zodra is aangetoond dat de accijns door de andere lidstaat is geheven.
  7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „onregelmatigheid” verstaan, een andere dan de in artikel 7, lid 4, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 20, lid 2, is geëindigd”. Met deze regeling wordt beoogd bevoegdheidsconflicten te voorkomen tussen lidstaten die belasting willen heffen over de accijnsproducten waarop de onregelmatigheid die resulteert in uitslag tot verbruik betrekking heeft. De oorspronkelijke richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, bevatte in artikel 20 reeds een gelijklopende regeling. Het Hof van Justitie heeft omtrent dit artikel 20 geoordeeld dat het doel ervan is om te bepalen welke lidstaat als enige bevoegd is om accijnzen te heffen wanneer tijdens het verkeer een onregelmatigheid is begaan
(10). De regeling vervat in artikel 10 Accijnsrichtlijn 2008 werd omgezet naar Belgisch recht door artikel 8 Accijnswet
  1. Artikel 10 Accijnsrichtlijn 2008 en artikel 8 Accijnswet 2009 bevatten de regels op grond waarvan wordt bepaald waar de uitslag tot verbruik moet worden geacht te hebben plaats gevonden en waar aldus de accijnzen verschuldigd zijn, ingeval van een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van accijnsproducten onder de accijnsschorsingsregeling die resulteert in de uitslag tot verbruik. Op te merken valt dat overeenkomstig artikel 25, § 2, Accijnswet 2009 de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling onder meer eindigt op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen. De Unieregeling inzake accijnzen en artikel 8 Accijnswet 2009 voorzien aldus drie situaties, met name:
  2. De plaats waar de onregelmatigheid die resulteert in de uitslag tot verbruik is gekend: de uitslag tot verbruik vindt plaats in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden en aldaar ontstaat de accijnsschuld. Indien deze onregelmatigheid plaats vindt in België ontstaat alhier te lande de accijnsschuld (artikel 8, § 1, Accijnswet 2009 – artikel 10.1 Accijnsrichtlijn 2008). Artikel 8 § 1, Accijnswet bepaalt: Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling hier te lande een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), vindt de uitslag tot verbruik hier te lande plaats.
  3. Er wordt tijdens de overbrenging een onregelmatigheid die resulteert in de uitslag tot verbruik vastgesteld, maar men weet niet waar deze juist heeft plaats gevonden: de onregelmatigheid wordt vermoed te hebben plaats gevonden in de lidstaat waar de onregelmatigheid werd vastgesteld en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd vastgesteld. Indien de onregelmatigheid in België werd vastgesteld ontstaat alhier te lande de accijnsschuld ( artikel 8, §2, Accijnswet 2009 – artikel 10.2 Accijnsrichtlijn 2008) Artikel 8 § 2, Accijnswet bepaalt: Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling hier te lande een onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden wordt deze geacht hier te lande te hebben plaatsgevonden en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd vastgesteld.
  4. Er wordt tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid vastgesteld die resulteert in de uitslag tot verbruik, maar de onder accijnsschorsingsregeling overgebrachte goederen zijn niet op de plaats van de bestemming aangekomen: de onregelmatigheid wordt vermoed te hebben plaats gevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van de aanvang van de verzending, tenzij binnen een wettelijk bepaalde termijn aan de administratie wordt aangetoond dat de overbrenging overeenkomstig de regelgeving is geëindigd of dat is vastgesteld waar de onregelmatigheid plaats vond (artikel 8 § 4, Accijnswet 2009 – artikel 10.4 Accijnsrichtlijn 2008) Artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 bepaalt: Indien onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van aanvang van de overbrenging. Indien dergelijke goederen werden verzonden vanuit een hier te lande gevestigd belastingentrepot of een geregistreerde afzender gaat de door de Koning aangewezen ambtenaar over tot invordering van de accijnzen volgens de tarieven van toepassing op de datum waarop de verzending is aangevangen overeenkomstig artikel 25, § 1, tenzij binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf vorenvermelde datum aan de administratie wordt aangetoond dat de overbrenging overeenkomstig artikel 25, § 2, is geëindigd of dat is vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond. Indien de erkend entrepothouder of de geregistreerde afzender, niet op de hoogte was of mogelijk niet op de hoogte was van het feit dat de goederen niet ter bestemming zijn aangekomen, wordt hem een termijn van één maand, te rekenen vanaf het tijdstip van de verstrekking van die informatie door de administratie, gegund om het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 25, § 2, of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, aan te tonen. Artikel 8, § 4, Accijnswet bevat een wettelijk (weerlegbaar) vermoeden dat is ingesteld ten behoeve van de lidstaat van verzending. Omtrent dit wettelijk vermoeden oordeelde het Hof bij arrest van 23 maart 2021
(11): “Hieruit volgt dat, wanneer goederen onder een accijnsschorsingsregeling zijn overgebracht vanuit een Belgisch belastingentrepot naar een plaats van bestemming in een andere lidstaat en de eiser aantoont dat zij daar niet zijn toegekomen, de rechter de afzender of entrepothouder in België enkel kan vrijstellen van het in artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 bepaalde vermoeden wanneer deze laatste ofwel aantoont dat de goederen wel degelijk op de plaats van bestemming zijn toegekomen, ofwel de plaats aantoont waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteert in de uitslag tot verbruik van de goederen”.
  1. Mij lijkt het zo te zijn dat het wettelijk (weerlegbaar) vermoeden van artikel 8, § 4, Accijnswet 2009, enkel niet toepasselijk zal zijn wanneer een onregelmatigheid die resulteert in de uitslag tot verbruik tijdens de overbrenging, hetzij heeft plaatsgevonden (eerste situatie), hetzij daadwerkelijk werd vastgesteld zonder dat de plaats van de onregelmatigheid gekend is (tweede situatie). In de onder randnummer 7 beschreven eerste en tweede bedoelde situaties voorziet artikel 10.3 Accijnsrichtlijn 2008 dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de goederen tot verbruik zijn uitgeslagen of worden geacht te zijn uitgeslagen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending informeren. Artikel 8, § 3, Accijnswet bepaalt naar Belgisch recht dat de administratie de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending informeren.
  2. Artikel 8, § 6, Accijnswet definieert een onregelmatigheid in de zin van dit artikel als “een andere dan de in artikel 6, § 4, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan die overbrenging of een onderdeel van die overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 25, § 2, is geëindigd. Met de situatie in artikel 6, § 4, Accijnswet 2009 is bedoeld de algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies van onder een accijnsschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen door niet te voorziene omstandigheden of overmacht
  3. Uit samenlezing van de voorgaande bepalingen blijkt dat de in artikel 8, § 2, Accijnswet 2009 en artikel 10.2 Accijnsrichtlijn 2008 bedoelde situatie betrekking heeft op het geval waarin een onregelmatigheid die is vastgesteld tijdens het overbrengen van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling, heeft geresulteerd in uitslag tot verbruik van deze goederen door onttrekking van de accijnsgoederen aan die regeling
(12), en als gevolg waarvan die overbrenging niet is geëindigd overeenkomstig de accijnsregeling. Er dient derhalve een oorzakelijk verband te bestaan tussen de concreet vastgestelde onregelmatigheid en de onttrekking van de accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling en bijgevolg de niet- regelmatige overbrenging daarvan. Anders dan eiser in zijn middel aanvoert, vereist de vaststelling van een dergelijke onregelmatigheid mijns inziens niet noodzakelijk dat de goederen ook fysiek worden aangetroffen in de lidstaat waar de onregelmatigheid wordt vastgesteld. Evenwel lijkt mij het feit zelf dat de accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen, geen onregelmatigheid te zijn die resulteert in de uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, § 1, § 2 a) en artikel 8, § 2 en § 6, Accijnswet 2009 en de Unieregeling inzake accijnzen waarop zij zijn gesteund. De loutere vaststelling door de bevoegde autoriteiten van het land van bestemming dat de goederen niet zijn aangekomen, houdt mijns inziens dan ook geen vaststelling in van een onregelmatigheid tijdens de overbrenging die resulteert in de uitslag tot verbruik. Deze loutere vaststelling kan dan ook niet tot gevolg hebben dat het wettelijk (weerlegbaar) vermoeden van artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 geen toepassing zou kunnen vinden. Het betreft logischerwijze enkel het gevolg van een mogelijke onregelmatigheid die zich tijdens de overbrenging heeft voorgedaan, zonder dat een onregelmatigheid zelf werd vastgesteld. Anders redeneren zou elke zin ontnemen aan het door artikel 8, § 4, Accijnswet ingestelde vermoeden. 11. Het bestreden arrest oordeelt over een onregelmatigheid in de voormelde zin als volgt (p. 14-15, nr. 9.2.): - de valse aanzuivering van de accijnsaangiften met de vermelding van fictieve geadresseerden in Italië houdt geen onregelmatigheid in die resulteerde in een uitslag tot verbruik van de niet-aangekomen accijnsgoederen; - het strafdossier laat niet toe te beoordelen waar de onttrekking, namelijk de onregelmatigheid die resulteerde in uitslag tot verbruik, van de accijnsgoederen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden; - het staat niet vast dat in Italië een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, maar door de Italiaanse autoriteiten kon wel worden vastgesteld dat de accijnsgoederen tijdens hun overbrenging aan de accijnsschorsingsregeling werden onttrokken; - zonder dat de concrete vaststellingen uit hun opgestelde documenten blijken, konden de Italiaanse autoriteiten het bestaan van een onregelmatigheid vaststellen uit het feit dat de accijnsgoederen nooit in de Italiaanse belastingentrepots bleken te zijn toegekomen en uit het feit dat er daarbij sprake was van “spookbelastingentrepots”. Mij lijkt het dat met deze redenen het bestreden arrest enkel vaststelt dat de accijnsgoederen niet op de aangegeven bestemming in Italië zijn toegekomen. Het arrest kan daaruit niet afleiden dat in Italië een onregelmatigheid tijdens de overbrenging werd vastgesteld die resulteert in de uitslag tot verbruik als gevolg waarvan hun overbrenging niet overeenkomstig de accijnsregeling werd beëindigd. Het bestreden arrest lijkt mij de onder randnummer 3 vermelde bepalingen te schenden. Het middel van eiser kan niet leiden tot een ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing en behoeft dan ook geen antwoord. Voor het overige heb ik geen ambtshalve middelen. Conclusie: Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing, behoudens in zoverre het het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard. ____________________________________
(1)Artikel 2 Accijnswet 2009 onderwerpt volgende goederen aan accijnzen: - energieproducten en elektriciteit vallende onder de programmawet van 27december 2004; - alcohol en alcoholhoudende dranken vallende onder de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken; – tabaksfabrikaten vallende onder de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak.
(2)Artikel 3 Accijnswet 2009.
(3)HvJ, 2 juni 2016, C-355/14, Polihim-SS, punt 51, http://curia.europa.eu.
(4)Artikel 5, § 1, 6°, Accijnswet 2009.
(5)De Accijnsrichtlijn 2008 is met ingang van 13 februari 2023 ingetrokken en vervangen door Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns. Artikel 10 Accijnsrichtlijn 2008 is thans (woordelijk) hernomen in artikel 9 van de Richtlijn (EU) 2020/262.
(6)Voorheen werd de materie geregeld door de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop ( BS 1 augustus 1997).
(7)Artikel 6 Accijnswet 2009, werd vervangen bij artikel 5 van de wet van 16 oktober 2022 tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (BS 24 oktober 2022 (ed. 2). Artikel 6, § 2, a), Accijnswet 2009 luidt thans: Onder “uitslag tot verbruik” wordt verstaan: a) het onttrekken van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling, waaronder ook het onregelmatig onttrekken is begrepen”; Het betreft louter een tekstuele aanpassing zonder invloed op de problematiek.
(8)HvJ, 2 juni 2016, C-355/14, Polihim-SS, punt 53, http://curia.europa.eu.
(9)Conclusie van advocaat-generaal P. PIKAMÄE van 8 oktober 2020 in de zaak C-95/19, Agenzia delle Dogane t. Silcompa SpA, punt 51, http://curia.europa.eu.
(10)HvJ, 12 december 2002, C-395/00, Distillerie Fratelli Cipriani Spa, punt 46; HvJ, 13 december 2007, C-374/06, Batig Gesellschaft für Beteiligungen mbH t. Haupotzollamt Bielefeld, punt 44; HvJ, 24 februari 2021, C-95/19, Agenzia delle Dogane t. Silcompa SpA, punt 45, http://curia.europa.eu.
(11)Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1263.N, AC 2021, nr. 217, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.8.
(12)Zie in die zin: HvJ, 28 januari 2016, C-64/15, BP Europa SE t. Hauptzollamt Hamburg-Stadt, punt 38, http://curia.europa.eu. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241112.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.