← België

ALDIA nv contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241115.1N.6 Rolnummer: F.21.0130.N Zaak: ALDIA nv contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-01-22 Raadplegingen: 315 - laatst gezien 2026-06-15 01:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241115.1N.6 Fiches 1 - 2 De heffing op grond van het toepasselijke artikel 35ter Oppervlaktewaterendecreet is geen in de vennootschapsbelasting aftrekbare beroepskost ten gevolge van artikel 198, § 1, 5° WIB92

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 198 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - 26-03-1971 - Art. 35 - 30 ELI link Pub nr 1971A32613 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 198 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - 26-03-1971 - Art. 35 - 30 ELI link Pub nr 1971A32613 Fiches 3 - 5 Een verschil in behandeling kan slechts een miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel opleveren indien dit kan worden toegeschreven aan de betwiste norm en niet louter te wijten is aan specifieke feitelijke omstandigheden; het verschil in behandeling mag niet louter het gevolg zijn van de concrete toepassing van de abstracte norm op een specifieke situatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie F.21.0130.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering. De betwisting betreft drie aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017, en meer bepaald de vraag of de 'restheffing' op waterverontreiniging die eiseres diende te betalen een gewestelijke milieubelasting is die overeenkomstig artikel 198, § 1, 5° WIB92 niet als beroepskost aftrekbaar is, dan wel dat ze een concrete individualiseerbare bijzondere tegenprestatie is voor de zuivering van het afvalwater van eiseres. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, oordeelde bij vonnis van 3 februari 2020, dat de restheffing een niet als beroepskost aftrekbare gewestelijke milieubelasting is. Het hof van beroep te Gent bevestigde bij arrest van 23 maart 2021 het vonnis van de eerste rechter. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel. 2.
  3. Eiseres voert aan dat de appelrechter artikel 198, § 1, 5° WIB92, artikel 35ter, § 3 van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, en de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, G.W. heeft geschonden door te beslissen dat er uit de toepassing van artikel 198, § 1, 5° WIB92 op de heffing voorzien in artikel 35ter van de Wet van 26 maart 1971, meer in het bijzonder door te beslissen dat er uit de toepassing van artikel 198, § 1, 5° WIB92 op de heffing die verschuldigd is door een vennootschap die ingevolge groei haar hoeveelheid geloosd water en vuilvracht verkeerd heeft ingeschat en zo middels voorschotfactuur te weinig bovengemeentelijke saneringsvergoeding heeft laten factureren door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij, geen ongelijke behandeling kan worden afgeleid die een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres meent dat de combinatie van de toepassing van artikel 198, § 1, 5° WIB92 op de heffing voorzien in artikel 35ter van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. Er bestaat volgens eiseres geen redelijke verantwoording om de restheffing die vennootschappen moeten betalen niet te aanvaarden als aftrekbare beroepskost wanneer
(1)de berekening van die restheffing afhangt van het waterverbruik waarop door de openbare watervoorzieningsmaatschappij een vergoeding werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering middels voorschotfactuur, en
(2)deze vergoeding voor bovengemeentelijke sanering die middels voorschotfactuur wordt betaald niet onder de toepassing valt van artikel 198, § 1, 5° WIB
  1. Eiseres stelt dat vennootschappen die hun effectieve hoeveelheid geloosd water en vuilvracht ingevolge groei verkeerd inschatten en zo middels voorschotfactuur te weinig bovengemeentelijke saneringsvergoeding laten factureren, finaal ingevolge het aftrekverbod op de restheffing én het feit dat de middels voorschotfactuur betaalde bovengemeentelijke saneringsvergoeding niet onder dit aftrekverbod valt, veel meer moeten betalen dan vennootschappen die hun effectieve hoeveelheid geloosd water en vuilvracht wel juist (kunnen) inschatten en een juiste bovengemeentelijke saneringsvergoeding laten factureren middels voorschotfactuur. Hiervoor bestaat, volgens eiseres, geen redelijke verantwoording. Zelfs indien er wel een dergelijke verantwoording zou bestaan, dient volgens eiseres te worden vastgesteld dat tussen de aangewende middelen (te weten aftrekverbod voor de restheffing én geen aftrekverbod voor de bovengemeentelijke saneringsvergoeding) en het beoogde doel (vennootschappen die hun hoeveelheid geloosd water en vuilvracht verkeerd inschatten en middels voorschotfactuur te weinig bovengemeentelijke saneringsvergoeding laten factureren nadeliger behandelen) geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Het middel (nadeel voor de verbruiker) zou volgens eiseres disproportioneel zijn ten opzichte van het doel. 2.
  2. Krachtens het toepasselijke artikel 198, § 1, 5°, WIB92 worden gewestelijke belastingen, heffingen en retributies andere dan deze bedoeld in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsmede de verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot deze niet aftrekbare belastingen, heffingen en retributies niet als beroepskosten aangemerkt. Ten gevolge van deze bepaling is de heffing die wordt geheven op grond van het toepasselijke artikel 35ter van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Vlaamse Gewest) geen in de vennootschapsbelasting aftrekbare beroepskost. Krachtens artikel 35ter, § 3, van de Wet van 26 maart 1971, zoals hier van toepassing, is er geen heffing verschuldigd op het waterverbruik waarop door de openbare watervoorzieningsmaatschappij een vergoeding werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering. 2.
  3. De appelrechter verwijst met reden naar het arrest nr. 146/2004 van 15 september 2004 van het Grondwettelijk Hof
(1)waarin reeds werd geoordeeld dat artikel 198, § 1, 5° WIB92 geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel
(2). In dat arrest van het Grondwettelijk Hof werd onder meer geoordeeld dat artikel 8, 1° van de Wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, waarbij artikel 198, § 1, 5° WIB92 werd gewijzigd, niet de oorzaak is van een mogelijke onderscheiden behandeling van vennootschappen, vermits de bestreden bepaling immers op gelijke wijze geldt voor alle vennootschappen die autonome gewestelijke belastingen betalen, maar dat een onderscheiden behandeling een mogelijk gevolg is van een onderscheiden fiscaal beleid, wat is toegestaan door de fiscale autonomie die door artikel 170, § 2 van de Grondwet aan de gewesten is toegekend: “B.20.1. De in de middelen aangeklaagde onderscheiden behandeling vindt haar oorzaak niet in de bestreden bepaling, die immers op gelijke wijze geldt voor alle vennootschappen die autonome gewestelijke belastingen betalen, maar is een mogelijk gevolg van een onderscheiden fiscaal beleid, wat is toegestaan door de fiscale autonomie die door artikel 170, § 2, van de Grondwet, aan de gewesten is toegekend. Een dergelijke autonomie van de gewesten houdt immers ook in dat niet kan worden beweerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden door het enkele feit dat de milieuheffingen in het ene gewest meer ontwikkeld zijn dan in het andere gewest. Evenzeer staat het de gewesten vrij om op grond van artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een eigen leefmilieubeleid uit te bouwen. Dergelijke verschillen kunnen op zich niet geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zelfs wanneer bepaalde vennootschappen door de bestreden maatregel meer worden getroffen dan andere, kan die omstandigheid niet worden beschouwd als een onevenredig gevolg van de maatregel, nu die niet willekeurig is”
(3). 2.
  1. Terecht laat verweerder dan ook gelden in zijn memorie dat de ongelijke behandeling die eiseres meent te ontwaren tussen enerzijds vennootschappen die ingevolge groei een verkeerde inschatting maken van hun hoeveelheid geloosd water en vuilvracht en aldus te weinig saneringsvergoeding laten factureren, wat tot gevolg heeft dat zij effectief worden geconfronteerd met een (niet als beroepskost aftrekbare) restheffing, en anderzijds vennootschappen die wel een juiste inschatting maken en derhalve een juiste saneringsvergoeding laten factureren, zodat zij niet worden geconfronteerd met een (niet als beroepskost aftrekbare) restheffing, niet te wijten is aan de bepaling van artikel 198, § 1, 5° WIB92, maar voortvloeit uit het autonome leefmilieubeleid van het Vlaamse Gewest. 2.
  2. Uit de vaststelling van de appelrechter dat het eiseres als groeibedrijf vrij stond om zich bijkomende voorschotten te laten aanrekenen
(4), kan bovendien worden afgeleid dat de door eiseres vermeende ongelijke behandeling niet onvermijdelijk is indien het groeibedrijf het zekere voor het onzekere neemt en bijkomende voorschotten betaalt. De door eiseres aangevoerde ongelijkheid wordt dan ook niet op onontkoombare wijze door de combinatie van artikel 198, § 1, 5° WIB92 en artikel 35ter, § 3 van de Wet van 26 maart 1971 opgedrongen aan het groeibedrijf, want de vennootschap beschikt immers over een mogelijkheid om de restheffing te vermijden. In dit opzicht is de door eiseres geopperde onderscheiden behandeling dan ook redelijk te verantwoorden, en zijn de aangewende 'middelen' (aftrekbaarheid van de saneringsvergoeding versus aftrekverbod van de restheffing) als evenredig te beschouwen met het beoogde 'doel' (nadeliger behandeling van vennootschappen die te weinig voorschot laten factureren). Het enig middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht. 3. Besluit: Verwerping. ___________________________________
(1)Destijds nog het Arbitragehof.
(2)Zie bestreden arrest p. 9, 11 en 12.
(3)GwH, 15 september 2004, nr. 146/2004, ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.146, p. 22.
(4)Bestreden arrest, p. 12, eerste alinea. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241115.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241115.1N.6 citeert: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.