Obsah (8)
Art. 2Art. 3Art. 5Art. 6Art. 7Art. 8Art. 9Art. 10id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 november 2024
Art. 2
, 2°, a - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 3
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 5
, 2° - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 6
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 7
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 8
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 9
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 10
, 1° - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Art. II.1-19, § 1 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Tekst van de conclusie S.23.0005.N Conclusie van de Advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Gent, afdeling Brugge, gewezen op 7 september
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Het middel. a. Probleemstelling. De problematiek in huidige zaak betreft de vraag of een werknemer die voldoet aan de criteria van artikel 2 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs, houdende de definitie van wie preventieadviseur is, doch die werd aangeduid zonder het voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk, zoals vereist door artikel II-1-19 van de Codex van 28 april 2017, kan genieten van de ontslagbescherming zoals bepaald in de voormelde wet van
- De appelrechters oordeelden dat de werknemer in die omstandigheden geniet van de bescherming van de wet van
- b. Het middel. Ik deel de opvatting van de appelrechters. Voorafgaandelijk wil ik in herinnering te brengen dat arbeidsrecht contractenrecht is maar dan wel van een bijzondere aard. De kernidee, en dus ook de invalshoek bij interpretatie van de regelgeving, is immers dat men vertrekt van de basis dat arbeidsrecht een rechtstak betreft die beschermend is ten voordele van de werknemer. Dit blijkt duidelijk indien men enkele bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet in ogenschouw neemt, zo de artikelen 6 en 14, of nog artikel 5, 2° Arbeidswet. Deze basisidee moet ook gehanteerd worden wanneer het gaat om een arbeidsovereenkomst betreffende een preventieadviseur. Het standpunt van eiser is dat de werknemer enkel van de ontslagbescherming kan genieten indien hij na een voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk werd aangesteld. Ik dien er op te wijzen dat dit inderdaad ook het standpunt van Uw Hof was in het arrest van 5 oktober 1992
(1). Dit betrof een diensthoofd veiligheid waarvoor de aanwijzingsprocedure geregeld in het artikel 833.2.1 ARAB niet was gevolgd. Evenwel deze rechtspraak is van vóór de inwerkingtreding van de hoger aangehaalde wet van 2002. Uit de voorbereidende werken van de wet en de formulering van artikel 5 van deze wet is het duidelijk dat de regelgever een breuk wenste met de leer die voortkwam uit Uw arrest van 1992
(2). Artikel 5, 2° van de wet stelt dat de werkgever die de arbeidsovereenkomst met de preventieadviseur wil beëindigen voorafgaandelijk het akkoord aan het comité dient te vragen “aan wie ook het voorafgaand akkoord over de aanduiding moet gevraagd worden”. Hiermee wordt aangegeven bij wie de werkgever het akkoord, om tot ontslag over te gaan, moet inwinnen en dit los van het feit of er al dan niet een voorafgaand akkoord was inzake de aanduiding. Er staat immers “moet gevraagd worden” en niet “is/werd gevraagd”. In de voorbereidende werken van de wet kan men lezen wat het opzet was van de regelgever. Men kan er lezen: “De bescherming moet immers niet alleen gelden ten voordele van de preventieadviseurs die na akkoord van het comité werden aangeduid, maar moet ook gelden wanneer de werkgever de procedures inzake de aanduiding heeft miskend”
(3). Het al dan niet volgen van de aanstellingsprocedure is dan ook niet meer relevant in het kader van de ontslagbescherming waarvan een preventieadviseur geniet
(4). Het uitgangspunt van de bescherming is het voldoen aan de voorwaarden die opgenomen zijn in artikel 2 van de wet van 2002, de wijze van aanstelling maakt geen deel uit van deze criteria. Het gaat hem dus om het hanteren van de (feitelijke) uitoefening van de opdrachten inzake welzijn als criterium voor de ontslagbescherming
(5). De appelrechters oordelen, niet bekritiseerd, dat verweerder voldoet aan alle voorwaarden bepaald in artikel 2 van de wet 2002 inzake de definitie “preventieadviseur”. Zoals zij terecht opmerken, stelt de wettelijke definitie geen voorwaarde betreffende de wijze van aanstelling
(6). Derhalve, in zoverre het middel aanvoert dat de bescherming van de wet van 2002 enkel geldt voor de preventieadviseurs die regelmatig zijn aangesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet ter zake, faalt het naar recht. Met de overwegingen die aan te treffen zijn in randnummer 6.2.2.2., de eerste 4 paragrafen
(7), verantwoorden de appelrechters naar recht hun oordeel dat de beschermingsvergoeding verschuldigd is. De grief inzake het identificatiedocument betreft dan ook een overweging ten overvloede. Dit kan niet tot cassatie leiden en in zoverre is het middel bij gebrek aan belang dan ook niet-ontvankelijk. Volledigheidshalve wil ik nog op enkele punten wijzen. Vooreerst, inzake de niet-naleving van de procedure van aanwijzing zoals geregeld in artikel II-1-19 van de Codex zijn er geen burgerrechtelijke sancties, er is enkel sprake van een strafrechtelijke sanctie voorzien in artikel 127 Sociaal Strafwetboek
(8). Dit laatste geeft aan dat de aanstellingsprocedure een openbare orde karakter heeft
(9). De niet-naleving van de procedure zal echter niet de nietigheid van de arbeidsovereenkomst van de preventieadviseur tot gevolg hebben. Immers desbetreffend dient gewezen te worden op artikel 5, 2°, a), Arbeidswet. Ingevolge deze bepaling, kan de nietigheid van de overeenkomst niet worden ingeroepen ingevolge inbreuk op de bepalingen die de regelen van de arbeidsverhoudingen tot voorwerp hebben. De aanwijzingsprocedure die geregeld is in artikel II-1-19 van de Codex betreft regelen die de arbeidsverhoudingen tot voorwerp hebben
(10). Verder, wat betreft het identificatiedocument. Dit document is voorgeschreven door artikel II 1-7 Codex Welzijn op het werk, bepaling die in de voorziening niet als geschonden werd aangehaald. Het heeft tot doel vast te stellen welke opdrachten door de Interne Dienst moeten worden verricht, welke vaardigheden er voorhanden zijn en de samenstelling van de Interne Dienst. Ook de adviezen van het Comité worden hierin opgenomen. Uit de voormelde bepaling blijkt dat dit stuk ter beschikking moet gehouden worden van de met de controle belaste ambtenaren. Uit geen enkel element van deze bepaling blijkt dat de vermelding van de identiteit van de preventieadviseur constitutief zou zijn om als dusdanig te worden beschouwd. Tot slot moet er op gewezen worden dat, indien de stelling van eiser gevolgd zou worden, sommige werkgevers de miskenning van de aanwijzingsprocedure zouden aanwenden om de wettelijke bescherming ter zijde te schuiven
(11). Dus van hun eigen inbreuk op de regelgeving, niet-naleving van de procedure van aanwijzing, gebruik maken om aan een andere wettelijk bepaalde verplichting, het betalen van een beschermingsvergoeding, te ontsnappen. Conclusie: verwerping. __________________________________
(1)Cass. 5 oktober 1992, AR 7917, AC 1991-92, nr. 648 met gelijkluidende concl. van procureur-generaal LENAERTS.
(2)I. VAN PUYVELDE en A. VAN REGENMORTEL, “Wet Bescherming Preventieadviseurs: Kroniek van de rechtspraak in de periode 2002-2016”, in Twintig jaar Welzijnswet, Die Keure, Brugge, 2018, p. 110.
(3)Parl. St., Memorie van toelichting, Wetsontwerp betreffende de bescherming van de preventieadviseurs en tot wijziging van het Gerechtelijk wetboek naar aanleiding van de wet betreffende de bescherming van de preventieadviseurs, Kamer, 2001-02, 50 2032/001 en 50 2033/001, p. 18.
(4)K. Decruyenaere, Ch. Pil en A. Wils, “De wet Bescherming Preventieadviseurs 20 jaar later – Een overzicht van rechtspraak”, Or. 2022, p. 245.
(5)A. VAN REGENMORTEL, “Handboek welzijn op het werk”, Die Keure, Brugge, 2019, p. 261.
(6)Bestreden beslissing p. 14.
(7)Bestreden beslissing pagina’s 13 en 14.
(8)A. VAN REGENMORTEL, o.c., p. 253.
(9)Wat betreft het gegeven dat een bepaling die strafrechtelijk wordt gehandhaafd de openbare orde raakt, zie Cass. 6 september 2006, AR P.06.0492.F, AC 2006, nr. 392, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060906.11.
(10)Dit in tegenstelling tot de zaak die Uw Hof diende te beoordelen in het arrest van 4 februari 2013, AR S.11.0051.F-S.11.0054.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131028.5, AC 2013, nr. 82, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3.
(11)K. DECRUYENAERE, Ch. PIL en A. WILS, o.c., p. 245. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060906.11 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131028.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div