← België

AXA BANK BELGIUM nv contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.7 Rolnummer: S.21.0062.N Zaak: AXA BANK BELGIUM nv contra K. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-01-20 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-18 10:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.7 Fiche Uit artikel 23 CAO-wet volgt niet dat, tenzij andersluidend beding in de cao, een individueel normatieve bepaling van een cao, die krachtens zijn modaliteiten slechts voor een bepaald aantal jaren geldt, onbeperkt in de tijd in de individuele arbeidsovereenkomst doorwerkt nadat de cao ophoudt uitwerking te hebben

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Wettelijke bepalingen: Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2025, nr. 517, p. 167-
  1. - PECINOVSKSY, Pieter; Noot'Geen eeuwige doorwerking van tijdelijke CAO-bepalingen in de individuele arbeidsovereenkomst in strijd met de tekst van de CAO' Tekst van de conclusie S.21.0062.N Conclusie van de Advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  2. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 19 mei
  3. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  4. Het middel. a. Probleemstelling. De problematiek in huidig geding betreft de invulling van artikel 23 cao-wet, die luidt: “De individuele arbeidsovereenkomst die door een collectieve arbeidsovereenkomst stilzwijgend werd gewijzigd, blijft onveranderd, wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst ophoudt uitwerking te hebben, tenzij het anders wordt bedongen in de overeenkomst zelf”. Het geschil betreft de toepassing van de laatste zinsnede op wat te lezen is in het hier ter debatten staande relevante deel van artikel 13 van de cao van 29 september 2014 die eiseres sloot met de vakorganisaties. Deze luidt als volgt: “Artikel 13 Beperking stappensysteem / baremieke verhogingen actuele loonsystemen. Om de stijging van de kosten te beperken wordt het totaal van de individuele automatische loonsverhogingen (indexatie, baremieke verhogingen en stappen) beperkt tot een maximum van 2% per jaar. Enkel indien de jaarlijkse indexatie de 2% overstijgt, wordt de 2% maximumgrens verhoogd tot de waarde van de jaarlijkse indexatie. Deze beperking zal een reële impact hebben voor de jaren met uitbetaling in 2015, 2016 en
  5. De normale indexering blijft dus onveranderd van toepassing. De maximale verhoging van het maandloon met 2% in 2015, 2016 en 2017 zal gedurende 3 jaar berekend worden op het maandloon van 31.12 van het voorgaande jaar. Het plafond zal m.a.w. 102% bedragen van het loon op 31.12 van het voorgaande jaar. …” Het standpunt van de appelrechters was dat de cao van 29 september 2014 enkel een tijdelijke wijziging bracht aan de voor de verweerder geldende bepalingen van de cao van 20 december 2001 en dat deze wijziging zich inzonderheid beperkte tot de berekening van het loon voor 2015, 2016 en
  6. Zodat, vanaf januari 2018, eiseres de bepalingen van de cao van 20 december 2001 opnieuw integraal diende toe te passen. b. Het middel, de drie onderdelen tezamen. Ik deel de opvatting van de appelrechters. Het principe is dat de individueel normatieve bepalingen van een ondernemings-cao zich incorporeren in de individuele arbeidsovereenkomst en dus de contractuele verhouding regelen tussen werkgever en werknemer. De bepalingen die reeds bestonden in de individuele arbeidsovereenkomst doch die strijdig zijn met deze cao zijn, overeenkomstig artikel 11 cao-wet, nietig. Deze nietige bepalingen worden vervangen door de desbetreffende bepalingen van de cao. Het betreft de wettelijke conversie van de individueel normatieve bepalingen en dit geschiedt stilzwijgend
(1). Tenzij anders is bedongen in de cao is er sprake van een nawerking/doorwerking, na het einde van de cao, van de individueel normatieve bepalingen die zich in de arbeidsovereenkomst hebben geïncorporeerd. Dus het einde van de cao heeft niet tot gevolg dat de, door de cao gewijzigde, oorspronkelijke bepalingen, van de arbeidsovereenkomst “herleven”. In tegendeel het zijn de bepalingen van de cao, die stilzwijgend de arbeidsovereenkomst hebben geamendeerd, die verder de arbeidsrelatie tussen de werkgever en zijn werknemer beheersen
(2). Eén en ander zoals bepaald in artikel 23 cao-wet. Zij verliezen op dat ogenblik het statuut van cao-bepaling en verkrijgen de waarde van een bepaling uit een arbeidsovereenkomst
(3). De doorwerking geldt onafgezien van het feit dat de bepalingen van de cao ongunstiger zijn voor de werknemer dan de oorspronkelijke bepalingen van de arbeidsovereenkomst
(4)
(5). Dus een gebeurlijke inperking van de rechten in vergelijking met de oorspronkelijke contractuele bepalingen is geen factor om te bepalen of er al dan niet sprake is van doorwerking. Wat evenwel van belang is, en dan ook onder de aandacht moet worden gebracht, is dat de bepaling van de cao die doorwerkt dit doet inclusief alle modaliteiten die in de desbetreffende bepaling worden vastgelegd
(6). Derhalve een individuele normatieve bepaling die een tijdsbepaling weerhoudt zal in de arbeidsovereenkomst geïncorporeerd worden inclusief de tijdsbepaling. Anders geformuleerd, artikel 23 cao-wet heeft niet tot gevolg dat een cao-bepaling, die krachtens zijn eigen libellering, slechts gedurende een bepaalde tijd zou gelden door het voormelde artikel 23 die tijdsbegrenzing zou verliezen. In zoverre het standpunt van eiseres van een andere rechtsopvatting uitgaat faalt het naar recht. Er moet inderdaad een onderscheid gemaakt worden tussen een looptijd weerhouden voor de cao en de tijdsbepaling die voorzien is in een artikel van die cao. Artikel 23 cao-wet betreft een ingrijpen wat betreft de gelding van de cao zelf. Bepalingen van een cao die gesloten werd voor bepaalde tijd, of die opgezegd worden, blijven gelden na het verstrijken van de cao. Hetzelfde geldt evenwel niet voor individueel normatieve bepalingen waarin een tijdsbepaling geïncorporeerd is. Bij dit laatste gaat het immers om een modaliteit van de bepaling zelf. Het is dus de modaliteit die zal bepalen of, en wat, het eindmoment is van deze norm. Een voorbeeld zal dit verduidelijken. Zo een cao-bepaling, cao gesloten in 2019, voorziet dat er voor kalenderjaar 2020, in tegenstelling tot de vorige jaren, een bepaalde premie niet wordt uitbetaald aan de werknemers dan heeft de doorwerking in de individuele arbeidsovereenkomst betrekking zowel op het aspect geen premie als op het aspect kalenderjaar 2020. Het kwestieuze artikel 23 van de cao-wet heeft niet tot gevolg dat de connotatie “kalenderjaar 2020” niet meer weerhouden zou worden. Dit zou immers een bijzonder eigenaardig gevolg hebben. Indien de cao onbeperkt in tijd blijft bestaan dan zou de tijdsbepaling weerhouden worden en dit gedurende de gehele looptijd. Dus voor alle jaren na kalenderjaar 2020 is er terug gerechtigdheid op de premie dus, om in het voorbeeld te blijven is er dus een gerechtigdheid voor de jaren 2021, 2022, 2023, … . Echter bij een opzegging van diezelfde cao eind 2021 zou, luidens het standpunt van eiseres, de tijdsbepaling niet meer weerhouden zijn. Dus zou er, om het standpunt van eiseres uit te werken, er geen gerechtigheid zijn op een premie in 2022, 2023, … . Uit Uw vaste rechtspraak komt naar voor dat de rechter de verbindende kracht van een overeenkomst niet miskent wanneer hij aan een overeenkomst de gevolgen toekent die deze overeenkomst, volgens zijn uitlegging, tussen partijen heeft
(7). Op grond van de overwegingen van de appelrechters zoals deze aan te treffen zijn op bladzijde 21 van de bestreden beslissing oordelen zij dat de cao van 29 september 2014 enkel een tijdelijke wijziging bracht aan de voor verweerder geldende bepalingen van de cao van 20 december 2001 en werd deze wijziging inzonderheid beperkt tot de berekening van het loon voor 2015, 2016 en 2017 waardoor verweerster vanaf januari 2018 de bepalingen van de cao van 20 december 2001 echter opnieuw integraal dient toe te passen. Door eiseres te veroordelen tot betaling van de bezoldiging volgens het huisbarema voor een kaderlid 2de klasse met 128 (i.p.v. 124) stappen en dat eiseres achterstallen verschuldigd is aan verweerder ingevolge de zogeheten ‘desalignering’ kennen de appelrechters, aan de cao en de arbeidsovereenkomst, die de partijen verbindt de gevolgen toe die deze volgens hun uitlegging heeft. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 1134 en 1135 Oud Burgerlijk Wetboek, alsook van artikel 19 cao-wet kan het middel niet worden aangenomen. De overige grieven zijn gericht tegen overwegingen ten overvloede. Zij kunnen niet tot cassatie leiden en in zoverre is het middel niet-ontvankelijk. Conclusie: verwerping. ______________________________________
(1)P. BRAECKMANS, De ondernemings-cao, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2022, p. 70 en D. PIERREUX, “Ondernemings-CAO’s met minder gunstige loonsvoorwaarden en het belang van de ‘neerlegging’”, Or. 2008 p. 253.
(2)J. CORDIER, “La théorie de l'incorporation des dispositions normatives individuelles dans le contrat de travail”, Les 40 ans de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail, Brussel, Bruylant 2008, 53-54.
(3)I. PLETS, “De (on)eindigheid van de voortgezette binding van artikel 23 van de C.A.O.-wet”, Or. 2001, p. 240-241 en BRAECKMANS, o.c., p. 75 en 76.
(4)I. PLETS, o.c., p. 241 en D. PIERREUX, o.c., p. 254.
(5)Dit betreft immers het gebied van de contractsvrijheid. Het staat de partijen vrij om aan de overeenkomst die hun bindt wijzigingen aan te brengen, ook wanneer deze bepalingen minder gunstig zijn dan deze die voorheen in de overeenkomst werden aangetroffen. Buiten de traditionele beperking van deze vrijheid door de criteria van openbare orde en goede zeden geldt specifiek, voor het arbeidsrecht, ook de afgrenzing door wat te lezen is in artikel 6 Arbeidsovereenkomstenwet.
(6)B. PATERNOSTRE, Droit collectif du travail, tome 2, Brussel, Anthemis 2015, p.187.
(7)Cass. 18 april 2024, AR C.23.0283, AC 2024, nr. 313, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240418.1N.3; Cass. 4 januari 2019, AR C.18.0045.N, AC 2019, nr. 9, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1, met gelijkluidende concl. van advocaat-general VAN INGELGEM. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240418.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.