← België

BESOFTWARE nv c. KANSSPELCOMMISSIE BIJ DE FOD JUSTITIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6 Rolnummer: C.23.0500.N Zaak: BESOFTWARE nv c. KANSSPELCOMMISSIE BIJ DE FOD JUSTITIE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-01-22 Raadplegingen: 691 - laatst gezien 2026-06-18 17:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6 Fiche 1 Een rechtsregel die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, is van openbare orde

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 2 - 3 Het is strijdig met de openbare orde in geval verstek ook een kennelijk niet-ontvankelijke of ongegronde vordering dan wel een kennelijk ongegrond verweer te moeten inwilligen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 806 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 806 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 De rechter kan, in geval van verstek, ambtshalve het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van een partij opwerpen om een vordering af te wijzen als niet ontvankelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 806 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 Wanneer een verzoekschrift opgave doet van een andere persoon dan de persoon die als tegenpartij moet worden opgeroepen, is de vordering tegen die andere persoon niet ontvankelijk; de nietigheidsregeling van de artikelen 860 en volgende Gerechtelijk Wetboek is daarbij niet van toepassing
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 29 juni 2006, AR C.04.0290.N-C.04.0359.N, AC 2006, nr. 366, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.7; Cass. 20 december 1996, AR C.94.0443.N, AC 1996, nr. 521, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.9. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1034ter, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 6 Door het beroep af te wijzen als niet ontvankelijk omdat het verkeerdelijk is gericht tegen de Kansspelcommissie in plaats van de Belgische Staat, miskent de rechter het recht op toegang tot de rechter niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15/7, § 1 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1034ter, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0500.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic Vroman: Eiser komt op tegen de vonnissen van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel, gewezen op 31 oktober 2022 en op 20 maart 2023. Door de eiser worden er twee middelen aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft de vraag tegen wie het beroep tegen een beslissing van de Kansspelcommissie om een administratieve boete op te leggen moet gericht zijn en wat de taak van de rechter bij verstek is in het kader van een dergelijke procedure wat betreft de controle van de hoedanigheid van de versteklatende verweerder. II. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De verweerders werpen een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op nl. de eerste verweerder heeft geen rechtspersoonlijkheid (de Kansspelcommissie) en de tweede verweerster (de Belgische Staat) was geen partij bij de bestreden beslissing. De eiseres komt op tegen de beslissing van de rechter dat het door haar ingestelde beroep tegen de beslissing van de Kansspelcommissie om haar een administratieve boete op te leggen, niet ontvankelijk is omdat haar beroep gericht was tegen de eerste verweerster die niet over rechtspersoonlijkheid beschikt. Eiseres komt in haar eerste middel op tegen de beslissing van de rechter om ambtshalve het gebrek aan rechtspersoonlijkheid in hoofde van de Kansspelcommissie te onderzoeken zodat haar beroep op die grond niet als niet ontvankelijk kon worden afgewezen. In het tweede middel voert eiseres aan dat haar beroep tegen de beslissing van de Kansspelcommissie in werkelijkheid tegen de tweede eiseres, de Belgische Staat, was gericht zodat er enkel sprake kan zijn van een onjuiste vermelding van de identiteit van de tegenpartij, wat slechts tot nietigheid kan leiden in het geval er niet herstelbare belangenschade wordt bewezen. Het onderzoek van het middel van niet-ontvankelijkheid valt dus niet te onderscheiden van het onderzoek van de middelen zelf en het middel van niet-ontvankelijkheid moet dan ook worden verworpen. III. Eerste middel. In het eerste middel verwijt eiseres de rechter dat hij de artikelen 17, 703, § 2, 705, 774, 806, 860, 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek, artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing voor zijn opheffing), artikel 1.3, vierde lid Burgerlijk Wetboek, artikelen 1:5, § 1, 1:6, § 1 en 1:8, § 3, WVV en artikel 15/7, § 1, Kansspelwet heeft geschonden, omdat hij bij verstek van de verwerende partij ambtshalve de procesbekwaamheid van de verweerder in vraag stelde terwijl dit geen grond van openbare orde is die zich verzet tegen de inwilliging van de vordering van de verschijnende partij. Artikel 806 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in het verstekvonnis de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen. Artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen geen afbreuk kan worden gedaan door bijzondere overeenkomsten. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een rechtsregel van openbare orde is wanneer die de wezenlijke belangen van de Staat of de gemeenschap betreffen, of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust
(1). Volgens het op dit geding niet toepasselijke artikel 1.3 Burgerlijk Wetboek is een rechtsregel van openbare orde wanneer die rechtsregel de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap raakt of die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, zoals de economische orde, de morele orde, de sociale orde of de orde van het leefmilieu
(2). Uit de rechtspraak van het Hof in verband met de openbare orde in de context van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek volgt dat het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig is met de openbare orde
(3). Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 72/2018 dat aangezien artikel 806 Gerechtelijk Wetboek toelaat dat de rechter bij verstek via het evolutieve concept “openbare orde” kennelijk ongegronde vorderingen matigt of afwijst, deze bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot een rechter zoals gewaarborgd door artikel 13 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1. EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR
(4). Dit evolutief concept van het begrip “openbare orde” vindt steun in de parlementaire voorbereiding van de Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie
(5). In het kader van dit evolutief concept van het begrip openbare orde zoals bedoeld in artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is het volgens mij aangewezen en logisch dat het Hof eveneens zou oordelen dat het strijdig is met de openbare orde in geval van verstek een kennelijk niet ontvankelijke vordering in te willigen. MOSSELMANS verdedigde dit standpunt reeds overtuigend in zijn standaardwerk “Verstek en verzet in het civiele geding”
(6). Er valt immers moeilijk in te zien wanneer een kennelijk niet gegronde vordering de openbare orde schendt dat dit niet het geval zou zijn wanneer een kennelijk niet ontvankelijke vordering wordt ingesteld zeker in het geval wanneer het gaat om redenen die verband houden met de hoedanigheid van de verweerder. Er kan dan ook volgens mij sprake zijn van een kennelijk niet-ontvankelijke vordering omdat de vordering gericht is tegen een persoon die kennelijk niet de hoedanigheid heeft om de vordering te beantwoorden omdat deze geen rechtspersoonlijkheid heeft. De problematiek van het gebrek aan rechtspersoonlijkheid houdt volgens de rechtspraak van het Hof verband met de hoedanigheid
(7). Een rechtsvordering kan krachtens artikelen 17 Gerechtelijk Wetboek niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en belang heeft om ze in te dienen en op dezelfde wijze moet de rechtsvordering worden ingesteld tegen diegene die hoedanigheid heeft om ze te beantwoorden. Een rechtsvordering door of tegen verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid zijn niet ontvankelijk
(8). Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek moet een rechtsvordering, op straffe van niet-ontvankelijkheid, worden ingesteld tegen de persoon die de hoedanigheid heeft om ze te beantwoorden
(9). Reeds in het verslag van VAN REEPINGHEN is te lezen dat artikel 17 Gerechtelijk Wetboek toepasselijk is op elke vorm van vordering, waar het bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden ontvangen indien de eiser geen hoedanigheid heeft om in rechte op te treden. Het heeft als logisch gevolg dat de eiser zelf zijn vordering moet instellen tegen hem die hoedanigheid bezit om ze te beantwoorden
(10). Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek noch van openbare orde, noch van dwingend recht zijn maar dat dit niet belet dat de rechter ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang of hoedanigheid kan opwerpen
(11). H. BOULARBAH en M.-C. VAN DEN BOSCH verdedigden de stelling dat deze rechtspraak door de invoering van het nieuwe artikel 806 Gerechtelijk Wetboek achterhaald is
(12). MOSSELMANS meent daarentegen volgens mij terecht dat de taak van de rechter, zelfs bij verstek, het toelaat dat de rechter de algemene toelaatbaarheidsvereisten van belang en hoedanigheid van een procespartij toetst
(13). Het omgekeerde verdedigen zou in strijd zijn met de proceseconomie die de wet van 19 oktober 2015 nastreefde en zou verzetsprocedures aanwakkeren waarbij instanties die manifest geen rechtspersoonlijkheid bezitten, verzet zouden moeten aantekenen om te laten vaststellen door de rechter op verzet dat ze inderdaad over geen rechtspersoonlijkheid beschikken en de initiële vordering manifest onontvankelijk was
(14). Ten overvloede kan er ook nog naar de rechtspraak van het Hof worden verwezen met betrekking tot het dagvaarden van de verkeerde persoon. Wanneer een exploot van dagvaarding weliswaar de vermeldingen bevat als voorzien in de artikelen 43 en 702, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, maar deze betrekking hebben op een andere persoon dan diegene die de eiser had dienen te dagvaarden, brengt dit de niet-ontvankelijkheid van de aldus ingeleide vordering met zich mee. Dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 van dat wetboek, en geeft dienvolgens geen aanleiding tot beoordeling van belangenschade
(15). Deze rechtspraak geldt volgens mij ook voor procedures die zoals in dit dossier via een verzoekschrift op tegenspraak moeten worden ingesteld. Artikel 1034ter, 3°, Gerechtelijk Wetboek bevat immers gelijkaardige vermeldingen zoals die bepaalt zijn in artikel 702, 2°, Gerechtelijk Wetboek. VAN LERSBERGHE stelt hierover terecht dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de afwezigheid van hoedanigheid, die uitmondt in de niet-ontvankelijkheid van de vordering, en de afwezigheid van vermelding van de hoedanigheid waarin de partij handelt, die eventueel door een nietigheid zal worden gesanctioneerd. In laatstgenoemde hypothese bezit de betrokkene wel de vereiste hoedanigheid, doch heeft hij hiervan in de procedureakte geen melding gemaakt. De niet-vermelding van die hoedanigheid zal in deze hypothese overeenkomstig de artikelen 860 e.v. Ger. W. worden gesanctioneerd. Dat betekent dat de nietigheid slechts zal worden uitgesproken wanneer blijkt dat de belangen van de andere partij werden geschaad. Weliswaar moet uit de procedurestukken blijken dat de betrokkene wel degelijk de bedoeling had om in die niet vermelde hoedanigheid op te treden of om de andere partij in die niet uitdrukkelijk vermelde hoedanigheid in de zaak te betrekken
(16). In Uw arrest van 16 oktober 2023 dat betrekking had op een beroepsprocedure tegen een zogenaamde gemeentelijke administratieve geldboete werd geoordeeld dat op de onregelmatigheid van het verzoekschrift ten gevolge van een gebrekkige of onvolledige vermelding van de identiteit van de op te roepen partij, zonder dat de identificatie en oproeping door de griffier van die partij hierdoor onmogelijk wordt en zonder dwaling omtrent diens persoon, de nietigheidssanctie van de artikelen 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek van toepassing is en dat de nietigheid bijgevolg slechts kan worden uitgesproken indien de exceptie van nietigheid tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen, de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en deze belangenschade niet kan worden hersteld
(17). Mijn conclusie is dan ook dat de rechtbank, in geval van verstek van de verwerende partij ambtshalve het gebrek aan rechtspersoonlijkheid mag opwerpen om een vordering af te wijzen als niet ontvankelijk. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en in het bijzonder de conclusie van eiseres na het vonnis van 31 oktober 2022 dat de heropening van de debatten beval, blijkt dat eiser geenszins de bedoeling had om zijn beroep te richten tegen de Belgische Staat. Eiseres had uitdrukkelijk de bedoeling om haar beroep tegen de Kansspelcommissie te richten. Er is dus geen sprake van een verkeerde identificatie in het verzoekschrift. Met de vaststellingen en het oordeel van de rechter op pagina 3 tot en met 5 van het bestreden vonnis verantwoordt hij zijn beslissing dat het beroep van eiseres moet worden afgewezen als onontvankelijk omdat het zou indruisen tegen de openbare orde vorderingen in rechte – in het bijzonder op verstek – in te willigen lastens procespartijen die in werkelijkheid onbestaande zijn, naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. IV. Tweede middel. (…) V. Derde middel. De eiseres verwijt de rechter artikel 6.
  1. EVRM, artikel 47 Handvest Grondrechten EU, artikel 6.1., eerste lid EU-verdrag, artikelen 4, § 1, 9, eerste lid, 15/3, §§ 1 en 3, 15/7, §§ 1, 2 en 4 Kansspelwet, artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juni betreffende de sancties die de Kansspelcommissie kan opleggen, artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 april 2014 betreffende de inning en invordering van de administratieve geldboete, zoals bedoeld in artikel 15/3 van de Kansspelwet te hebben geschonden doordat haar recht op de toegang tot de rechter op onaanvaardbare wijze wordt belemmerd door haar beroep tegen de beslissing van de Kansspelcommissie niet ontvankelijk te verklaren omdat de wet nergens op ondubbelzinnige wijze stelt dat het beroep tegen de beslissing van de Kansspelcommissie moet worden gericht tegen de Belgische Staat. Art. 15/7 Kansspelwet bepaalt het volgende: “§
  2. De betrokkene die de beslissing waarbij door de commissie een administratieve geldboete wordt opgelegd, betwist, kan binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de commissie, door middel van een verzoekschrift, beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats of maatschappelijke zetel, die zetelt met volle rechtsmacht. §
  3. Het beroep schorst de uitwerking van de beslissing van de commissie. §
  4. Tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg is alleen een voorziening in cassatie mogelijk. §
  5. Onverminderd hetgeen bepaald is in de vorige paragrafen, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de rechtbank van eerste aanleg”. Uit deze bepaling, in het bijzonder artikel 15/7, § 4 Kansspelwet en de artikelen 17 en 1034ter, 3°, Gerechtelijk Wetboek, volgt dat het beroep tegen de beslissing van de Kansspelcommissie, als louter orgaan van de Belgische Staat, moet gericht worden tegen de Belgische Staat die rechtspersoonlijkheid heeft. De Kansspelcommissie beschikt niet over rechtspersoonlijkheid en is louter een orgaan van de Belgische Staat zoals uit de overvloedige rechtspraak van de Raad van State blijkt
(18). De rechter miskent door het beroep van de eiseres af te wijzen als niet ontvankelijk omdat het verkeerdelijk gericht is tegen de Kansspelcommissie in plaats van de Belgische Staat het recht op toegang tot de rechter niet. Het gaat immers om de toepassing van het gemene procesrecht waarvan bezwaarlijk kan worden gesteld dat het recht op toegang tot de rechter zou belemmeren. Het middel kan niet worden aangenomen. Voor het overige is het middel niet gericht tegen de bestreden beslissing en bijgevolg niet ontvankelijk. Conclusie: Verwerping. ______________________________________
(1)Vb. Cass. 9 september 2022, AR C.21.0346.N, AC 2022, nr. 522, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.3; Cass. 22 juni 2020, AR C.18.0108.F, AC 2020, nr. 428, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200622.3F.1, met concl. advocaat-generaal J.M. GENICOT (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200622.3F.1), op datum in Pas.; Cass. 13 december 2016, AR P.16.0421.N, AC 2016, nr. 725, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.1 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161213.1); Cass 30 juni 2016, AR F.15.0014.N, AC 2016, nr. 437, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 met concl. van advocaat-generaal D. THIJS; Cass. 10 september 2015, AR C.12.0533.N-C.12.0597.N, AC 2015, nr. 500, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 29 april 2011, AR C.10.0183.N, AC 2011, nr. 288, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.2; Cass. 29 november 2007, AR C.07.0173.N, AC 2007, nr. 596, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.7; Cass. 19 maart 2007, AR C.03.0582.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3, AC 2007, nr. 145, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.2; Cass. 25 april 2002, AR C.00.0373.N, AC 2002, nr. 252, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8.
(2)Volgens artikel 3 van de Wet van 28 april 2022 houdende boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek (BS 1 juli 2022) zijn de bepalingen van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet. Dit is in dit dossier niet het geval omdat het verzoekschrift op tegenspraak dateert van 27 mei 2022 en dus dateert van voor de inwerkingtreding van de Wet van 28 april 2022 (nl. op 1 januari 2023).
(3)Cass. 13 december 2016, AR P.16.0421.N, AC 2016, nr. 725, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.1 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161213.1; RW 2016-17, 1090 met noot S. MOSSELMANS, P. TAELMAN en K. BROECKX; JLMB 2017, 257 met noot G. DE LEVAL; NC 2017, 163 met noot P. THIRIAR; RABG 2017, 447 met noot E. BREWAEYS; RABG 2017, 583 met noot V. VEREECKE; P&B 2017, 22 met noot C. DANIELS; T.Straf. 2017, 133 met noot T. DECAIGNY.
(4)Gwh 7 juni 2018, nr. 72/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.072; JLMB 2018, 1316, met noot F. GEORGES; RW 2018-19, 629 met noot S. MOSSELMANS.
(5)BS 22 oktober 2015; Verslag bij het Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer, 2014-15, nr. 54-1219/005, 100-101.
(6)Zie MOSSELMANS, Verstek en verzet in het civiele geding, APR, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2022, 106, nr. 206.
(7)S. SOBRIE, “Vergissen is menselijk. Over het abusievelijk dagvaarden van een groepering zonder rechtspersoonlijkheid en de gevolgen daarvan”, TBBR 2018, 379-380 (noot onder Cass. 3 april 2017)
(8)Cass 3 april 2017, AR S.15.0009.N, AC 2017, nr. 237, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.2, TBBR 2018, 377-378 met noot S. SOBRIE; zie ook J. DE BEUL, “De dualiteit van de hoedanigheid als ontvankelijkheidsvereiste in hoofde van de eiser en de verweerder”, P&B 2023, 115-116.
(9)Cass. 25 mei 2018, AR C.17.0334.F, AC 2018 nr. 335, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.3; T.App. 2019, 13, noot R. TIMMERMANS.
(10)Verslag C. VAN REEPINGHEN, Ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek, Parl. St. Senaat, 1963-64, nr. 60, 26.
(11)Cass. 4 september 2017, JT 2017, 794; Cass. 22 februari 2007, AR C.06.0238.F, arrest niet gepubliceerd, JT 2007, 482; Cass. 14 februari 2014, AR C.12.0522.F, AC 2014, nr. 121, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140214.4, met concl. van advocaat-generaal A. HENKES (ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140214.4), op datum in Pas..
(12)H. BOULARBAH en M.-C. VAN DEN BOSCH, “Artikel 806 Ger.W.: Much ado about nothing?”, 149-150 in J. FLO, L. JANSENS (eds.), Smaakmakers in het procesrecht – Over buitengerechtelijke recepten, vergeten vorderingen en exotische incidenten, Intersentia 2016, 216p.
(13)Zie MOSSELMANS, Verstek en verzet in het civiele geding, APR, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2022, 95 nr. 126; Zie ook J.FR. VAN DROOGHENBROECK en A. HOC, ”Les voies de recours”, in G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, II, Procédure civile, II, Voies de recours, Larcier, Brussel, 2021, 134, nr. 9.161.
(14)Deze instanties zonder rechtspersoonlijkheid beschikken daartoe volgens de rechtspraak van het Hof over een beperkte rechtspersoonlijkheid (vb. Cass. 13 september 1991, AR 7015, AC 1991-92, nr. 22, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910913.8, RW 1991-92, 822 met noot K. BROECKX).
(15)Cass. 29 juni 2006, AR C.04.0290.N-C.04.0359.N, AC 2006, nr. 366, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.7; Cass. 20 december 1996, AR C.94.0443.N, AC 1996, nr. 521, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.9; zie ook GwH 19 september 2014, nr. 125/2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.125.
(16)P. VAN LERSBERGHE, “Commentaar bij art. 17 Ger.W.”, 45, randnr. 45 in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln.
(17)Cass. 16 oktober 2023, AR C.20.0548.N, AC 2023, nr. 651, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1.
(18)Bijv.: RvS 30 juni 2016, nr. 235.284, ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.284; RvS 3 oktober 2013, nr. 224.975, ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.224.975; RvS 21 maart 2013, nr. 222.935, ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.935; RvS 14 maart 2013, nr. 221.834, ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.848; RvS 20 december 2012, nr. 221.834, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.834; RvS 5 juli 2012, nr. 220.203, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.220.203; RvS 28 juni 2012, nr. 220.038, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.220.038; RvS 24 mei 2012, nr. 219.453, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.453; RvS 27 april 2012, nr. 219.113, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.113, RvS 27 april 2012, nr. 219.111, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.111; RvS 12 april 2012 nr. 218.878, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.878; RvS 16 februari 2012, nr. 218.026, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.027; RvS 16 februari 2012, nr. 218.026, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.026; RvS 28 december 2011, nr. 217.075, ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.217.075. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910913.8 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140214.4 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140214.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161213.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200622.3F.1 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200622.3F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.125 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.072 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.217.075 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.026 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.027 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.878 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.111 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.113 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.453 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.220.038 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.220.203 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.834 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.848 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.935 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.224.975 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.284 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.