id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 Rolnummer: C.23.0185.N Zaak: HOF TER LINT bv contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-22 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-18 17:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.7 Fiches 1 - 2 Het recht om op grond van artikel 194 Gemeentedecreet in naam en voor rekening van de gemeente in rechte op te treden omvat, opdat het zijn effectiviteit niet zou verliezen, ook het recht om in naam en voor rekening van de gemeente de tenuitvoerlegging na te streven van een op grond van die bepaling verkregen veroordeling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gemeentedecreet 15 juli 2005 - 15-07-2005 - Art. 194 - 51 ELI link Pub nr 2005036063 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gemeentedecreet 15 juli 2005 - 15-07-2005 - Art. 194 - 51 ELI link Pub nr 2005036063 Fiche 3 De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de vorderingen betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging; hij is aldus bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1395, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1498 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot dwangsom inhoudt, moet de beslagrechter, op grond van artikel 1498 Gerechtelijk Wetboek bepalen of de voorwaarden waarbij de dwangsom is verschuldigd, al dan niet vervuld zijn; de beslagrechter moet daarbij als maatstaf van de toetsing van de ter uitvoering van de veroordeling verrichte handelingen, het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer nemen, met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel, en dat de beslagrechter niet bevoegd is de inhoud van de dwangsomtitel te wijzigen, te beperken of uit te breiden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 793, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1498 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 De dwangsom verbeurt zolang de hoofdveroordeling niet is uitgevoerd en de titel actueel is
(1).
(1). Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 6 De actualiteit van een dwangsomtitel gaat teloor wanneer deze ten gevolge van later ingetreden omstandigheden niet langer de juiste materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen weergeeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 7 De actualiteit van een onder verbeurte van een dwangsom opgelegd rechterlijk verbod om een activiteit uit te oefenen of een handeling te stellen zonder over de daartoe vereiste vergunning te beschikken, gaat teloor wanneer de veroordeelde beschikt over een vergunning die niet meer aanvechtbaar en bijgevolg definitief is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 8 - 9 De dwangsomrechter moet ook wanneer de vergunning door een vernietigingsarrest van de Raad van State met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verdwijnt, het bestaan van de niet-geschorste vergunning als rechtsfeit erkennen bij de beoordeling of dwangsommen al dan niet zijn verbeurd; hieruit volgt dat wanneer een rechterlijk verbod wordt opgelegd om een activiteit uit te oefenen of een handeling te stellen zonder over de daartoe vereiste vergunning te beschikken, in de regel geen dwangsommen verbeuren in de periode waarin de onder dwangsom veroordeelde over een niet-geschorste vergunning beschikte, ook al wordt deze nadien vernietigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 10 Uit de loutere omstandigheid dat de beslissing dat ten laste van de tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij gedurende dezelfde periode dwangsommen zijn verbeurd op dezelfde grondslag berust als de beslissing ten aanzien van de eiseres, volgt niet dat er een nauw verband bestaat tussen beide beslissingen en dat de cassatie van laatstgenoemde beslissing zich uitstrekt tot de beslissing ten aanzien van de tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, die beschikte over de mogelijkheid om zelf cassatieberoep aan te tekenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0185.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 21 november 2022, na verwijzing bij arrest van het Hof van 15 januari
- Door de eiseres worden twee middelen aangevoerd. I. Situering. Aan de basis van deze procedure ligt oorspronkelijk het arrest van het hof van beroep te Brussel, gewezen op 21 juni
- Deze procedure werd opgestart door de verweerders in cassatie op grond van artikel 194 Gemeentedecreet, die optraden als formele procespartij in naam van de gemeente. In dit arrest werd vastgesteld dat de eiseres haar bedrijf exploiteert zonder geldige milieuvergunning en werd er een bevel opgelegd aan de eiseres (en aan de in gemeenverklaring opgeroepen partij – als eigenares van het perceel waarop het bedrijf is gevestigd) om de exploitatie van de inrichting stil te leggen uiterlijk 1 jaar na betekening van het arrest van 21 juni 2016 en dit onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging dat de exploitatie van het bedrijf nog wordt voortgezet. Dit is de dwangsomtitel. Op 9 maart 2017 kreeg een eiseres een exploitatievergunning. Op 22 maart 2018 werd deze vergunning geschorst door de Raad van State en op 24 oktober 2019 vernietigde de Raad van State deze vergunning. Op 16 mei 2018 gingen verweerders over tot het opeisen via dwangbevel van de gelopen dwangsommen voor de periode van 17 november 2017 tot 16 mei
- De daartegen ingestelde verzetsprocedures werden bij vonnis van de beslagrechter te Brussel afgewezen op 9 oktober
- Tegen deze beslissing werd hoger beroep aangetekend. Bij arrest van 29 oktober 2019 besliste het hof van beroep te Brussel dat gelet op de tussenkomst van de gemeente Grimbergen verweerders niet meer kunnen optreden als formele procespartij voor de gemeente Grimbergen. Dit arrest werd gecasseerd bij arrest van het Hof van 15 januari
- In dit arrest besliste het Hof onder meer dat ingevolge de vernietiging van artikel 577, 50° Decreet Lokaal Bestuur voor zover het artikel 194 Gemeentedecreet opheft, het mogelijk blijft dat, indien het college van burgermeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken
(1). Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt in het bestreden arrest dat de verweerders gerechtigd zijn om in naam en voor rekening van de gemeente de tenuitvoerlegging van de dwangsomtitel na te streven en dat het feit dat na de betekening van de dwangsomtitel een exploitatievergunning werd bekomen niet belet dat toch dwangsommen werden verbeurd aangezien de vergunning later werd vernietigd door de Raad van State en die vergunning als onbestaande moet worden beschouwd. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd is drievoudig:
- Omvat het recht om op grond van artikel 194 Gemeentedecreet in naam en voor rekening van de gemeente in rechte op te treden ook het recht om in naam en voor rekening van de gemeente de tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 194 Gemeentedecreet bekomen veroordeling na te streven?
- Wat is de invloed van het bekomen van een niet-definitieve vergunning na de dwangsomtitel op de actualiteit van de dwangsomtitel?
- Wat is de invloed van een arrest van de Raad van State die deze vergunning vernietigt, op de verbeurte van de dwangsom? II. Eerste middel. II.
- Eerste onderdeel. In dit onderdeel verwijt de eiseres de appelrechters artikel 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 (verder Gemeentedecreet), alsook artikel 297, §1, van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en artikel 1385bis, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 30 juli 2018, 1385ter, 1385quater, 1494, 1499 en 1564 Gerechtelijk Wetboek te hebben geschonden door te oordelen dat dit artikel de inwoner ook machtigt om namens de gemeente de gedwongen uitvoering van de bekomen rechterlijke beslissing na te streven en gerechtigd is om namens de gemeente aan de schuldenaars een bevel tot betaling van verbeurde dwangsommen te betekenen. Dit onderdeel betreft dus de vraag of het recht om op grond van artikel 194 Gemeentedecreet in naam en voor rekening van de gemeente in rechte op te treden ook het recht omvat om in naam en voor rekening van de gemeente de tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 194 Gemeentedecreet bekomen veroordeling na te streven. Artikel 194, eerste tot en met derde lid, Gemeentedecreet bepaalt: “Als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten in rechte op te treden kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken. Dit recht staat ook open voor de rechtspersonen waarvan de maatschappelijke zetel in de gemeente is gevestigd. De gemeente kan over het geding geen dading aangaan of er afstand van doen zonder instemming van degene die het geding in haar naam heeft gevoerd.” VERBANCK verdedigt het standpunt dat wanneer de inwoner namens de gemeente wint, het aan de gemeente is om de uitvoering van de uitspraak te eisen en bv. eventuele dwangsommen te innen voor rekening van de gemeente
(2). SOBRIE en LEFRANCQ daarentegen verdedigen volgens mij terecht het standpunt dat de inwoner ook in rechte kan optreden om in naam en voor rekening van de gemeente de tenuitvoerlegging na te streven van de veroordeling die de inwoner namens de gemeente bekwam waarbij weliswaar de dwangsommen zelf niet aan de inwoner maar aan de gemeente zullen toekomen
(3). De gemeente beschikt immers overeenkomstig artikel 194, lid 3, Gemeentedecreet niet meer over de vrije beschikking over het geding nadat er overeenkomstig artikel 194, lid 3, Gemeentedecreet uitspraak werd gedaan over de vordering ingesteld door de inwoner namens de gemeente. De gemeente mag geen dading over het geding aangaan of afstand doen van het geding zonder instemming van de inwoner die het geding in haar naam heeft gevoerd. Artikel 194 Gemeentedecreet bevat bovendien geen beperking naar de aard van de procedure die de inwoner namens de gemeente kan instellen. Zowel een vordering om bepaalde rechten vast te stellen of inbreuken op bepaalde rechten te laten stopzetten als een vordering tot uitvoering van een bekomen rechterlijke beslissing is volgens mij dan ook mogelijk. In het kader van artikel 271 Gemeentewet besliste het Hof reeds dat: “Wanneer inwoners, bij stilzitten van het gemeentelijk college, namens hun gemeente een geding hebben ingeleid, kan de gemeente niet langer vrij beschikken over de rechten die het voorwerp van dat geding uitmaken; derhalve heeft de omstandigheid dat de gemeente, vertegenwoordigd door haar gemeentelijk college, haar recht uitoefent om aan dat geding deel te nemen, niet tot gevolg dat de inwoners niet langer het geding mogen voeren teneinde de rechten van de gemeente te doen gelden”
(4). Dezelfde redenering geldt volgens mij voor artikel 194 Gemeentedecreet. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. II.
- Tweede onderdeel. (...) III. Tweede middel. In dit middel verwijt eisers de appelrechters de artikelen 1385bis, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij Wet van 30 juli 2018, 1385ter, 1385quater, 1395, 1494 en 1498 Gerechtelijk Wetboek, artikel 17, §1 Wet Raad van State en artikel 5, §2, vijfde lid van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning te hebben geschonden door te oordelen dat er dwangsommen kunnen verbeuren tijdens de periode waarin de exploitant over een niet-geschorste vergunning beschikte, die nadien door de Raad van State werd vernietigd. Dit middel betreft dus de vraag wat de invloed is van het bekomen van een niet-definitieve vergunning na de dwangsomtitel voor de actualiteit van de dwangsomtitel en wat de invloed is van een arrest van de Raad van State die deze vergunning vernietigt, op de verbeurte van de dwangsom. III.
- De invloed van het bekomen van een niet-definitieve vergunning na de dwangsomtitel op de actualiteit ervan. Uit de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot de taak van de beslagrechter die geconfronteerd wordt met zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom bevat, volgen volgende regels
(5): - De artikelen 1384quater en 1385quinquies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek die overeenstemmen met de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Bijlage bij het Benelux-Verdrag van 26 november 1973 houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom staan niet eraan in de weg dat de executierechter, gelet op het feit dat zich een nieuwe, geen overmacht opleverende omstandigheid heeft voorgedaan, kan toetsen of de titel waarbij de dwangsom is opgelegd, nog doeltreffend en uitvoerbaar is. - In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom bevat, staat het aan de beslagrechter om op grond van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek te bepalen of de voor een dwangsom gestelde voorwaarden vervuld zijn. - Hoewel de beslagrechter in de regel geen uitspraak kan doen over de zaak zelf en de rechten van de partijen die zijn vastgelegd in de titel waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, niet kan wijzigen, is hij evenwel bevoegd om na te gaan of die titel nog geldig en derhalve uitvoerbaar is; op dat punt dient de rechter acht te slaan op het doel en de strekking van de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd in de wetenschap dat die veroordeling niet verder mag gaan dan het bereiken van het ermee beoogde doel. Volgens artikel 1494 Gerechtelijk Wetboek mag geen uitvoerend beslag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken. Volgens Uw vaste rechtspraak beoordeelt de beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de vorderingen betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging. De beslagrechter is aldus bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn
(6). De beslagrechter dient dus de actualiteit van de titel te onderzoeken. De tenuitvoerlegging kan enkel plaatsvinden op grond van een titel die aan een bepaalde kwaliteit voldoet, derwijze dat over de schuldvordering naar aanleiding van de executie geen fundamenteel debat meer kan rijzen. De materieelrechtelijke verhouding tussen partijen wordt door die titel vastgelegd. Hierop kan de beslagrechter die kennisneemt van executiegeschillen, niet meer inwerken. De uitvoerbare titel geeft echter enkel de positie van de partijen weer op het ogenblik van zijn ontstaan
(7). DIRIX stelt terecht dat in geen geval de beslagrechter hierbij echter afbreuk mag doen aan wat door de bodemrechter is beslist en dat het dus moet gaan om omstandigheden die niet reeds aan het oordeel van de bodemrechter werden of konden worden onderworpen. In de regel zal het dus gaan om omstandigheden van na het tijdstip van het ontstaan van de uitvoerbare titel. De beslagrechter die deze toetsing uitoefent, raakt niet aan de materieelrechtelijke verhoudingen van de partijen, maar beslecht enkel het executiegeschil
(8). Overeenkomstig artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. De dwangsom verbeurt verder zolang de hoofdveroordeling niet is uitgevoerd en de titel actueel is
(9). De actualiteit van de dwangsomtitel gaat teloor wanneer die ten gevolge van omstandigheden die niet reeds aan het oordeel van de bodemrechter werden of konden worden onderworpen, niet langer de juiste materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen weerspiegelt. De vraag rijst in deze zaak wat de invloed is van het bekomen van een nieuwe vergunning door eiseres na het arrest van de kortgedingrechter die vaststelt dat eiseres een inrichting exploiteert zonder geldige milieuvergunning en vervolgens eiseres beval om de exploitatie van de inrichting stil te leggen uiterlijk één jaar na de betekening van het arrest onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging dat de exploitatie van het bedrijf nog wordt verder gezet. Het louter bekomen van de bekomen van deze vergunning heeft volgens mij geen invloed op de actualiteit van de dwangsomtitel. Dit is pas het geval wanneer deze vergunning definitief is. Dit is het geval wanneer er tegen die vergunning geen enkel administratief of jurisdictioneel beroep meer openstaat
(10). Het middel faalt in zoverre naar recht omdat het op de onjuiste rechtsopvatting berust dat de actualiteit van de dwangsomtitel teloor gaat van zodra de veroordeelde over een vergunning beschikt zonder dat deze reeds definitief is. III.2. De invloed van een arrest van de Raad van State die de na de dwangsomtitel bekomen vergunning schorst/vernietigt op de verbeurte van de dwangsom. In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom inhoudt, moet de beslagrechter, op grond van artikel 1498 Gerechtelijk Wetboek, bepalen of de voorwaarden waarbij de dwangsom verschuldigd is, al dan niet vervuld zijn. De beslagrechter moet daarbij als maatstaf van de toetsing van de ter uitvoering van de veroordeling verrichte handelingen, het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer nemen, met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel, en dat de beslagrechter niet bevoegd is de inhoud van de dwangsomtitel te wijzigen, te beperken of uit te breiden
(11). Het doel van de dwangsomtitel in deze zaak is vermijden dat eiseres haar inrichting exploiteert zonder vergunning. Uit de aard van de vernietigingsarresten van de Raad van State volgt dat de vernietigde administratieve beslissing in de regel geacht wordt nooit te hebben bestaan, zodat de partijen door de vernietiging van de beslissing terug in de toestand worden geplaatst van vóór de vernietigde beslissing
(12). De terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest is volgens het Hof echter geen algemeen rechtsbeginsel
(13). De terugwerking van de vernietiging dient te worden toegepast met de aanpassingen welke de rechtszekerheid, de vereisten van de dienst en de billijkheid opleggen
(14). De retroactieve werking van een vernietigingsarrest levert dus een juridische fictie op: de vernietigde bestuurshandeling wordt geacht nooit te hebben bestaan. De retroactiviteit kan echter vanzelfsprekend nooit zover reiken “dat daarenboven nog zou moeten worden aangenomen dat sindsdien de tijd heeft stilgestaan”
(15). Het beginsel van het gezag van rechterlijk gewijsde verhindert bijvoorbeeld dan weer dat een vernietigingsarrest van de Raad van State gevolgen heeft voor de in kracht van gewijsde gegane beslissingen van andere rechtscolleges
(16). De vernietiging door de Raad van State van de exploitatievergunning van eiseres heeft als gevolg dat deze met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verdwijnt. Toch heeft deze vergunning als administratieve beslissing als rechtsfeit bestaan en kan zij onrechtstreeks rechtsgevolgen doen ontstaan. Een dwangsom verbeurt slechts wanneer de schuldenaar de hoofdveroordeling niet nakomt.
(17)De dwangsom is een indirect executiemiddel dat dient als financiële prikkel tot nakoming van de hoofdveroordeling
(18). Hieruit volgt volgens mij dat de latere schorsing of vernietiging door de Raad van State, het bestaan van een vergunning als een louter (rechts)feit moet worden erkend bij de beoordeling of dwangsommen al dan niet zijn verbeurd. Zolang de vergunning niet geschorst of vernietigd is, komt de schuldenaar dan ook de hoofdveroordeling na en verbeuren de dwangsommen niet. De terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest van de Raad van State zou in dergelijke omstandigheden niet billijk zijn. Met de vaststellingen en het oordeel op pagina 20 tot en met 21 (randnummer 18 en 19) van het bestreden arrest verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat voor de periode van 17 november 2017 tot en met 16 mei 2018 dwangsommen worden verbeurd, terwijl eiseres over een niet geschorste vergunning beschikte in de periode van 17 november 2017 tot 22 maart 2018 niet naar recht. In zoverre is het middel gegrond. IV. Omvang van de cassatie. De vraag rijst of de vernietiging van de bestreden beslissing ook moet gelden ten aanzien van de in gemeenverklaring opgeroepen partij ten aanzien van wie in het bestreden arrest ook werd beslist dat tijdens de periode van 17 november 2017 tot en met 16 mei 2018 dwangsommen zijn verbeurd op basis van dezelfde motieven als degene die gelden ten aanzien van eiseres. Dit is volgens mij niet het geval. Het beschikkingsbeginsel geldt ook in de cassatieprocedure
(19). De in gemeenverklaring opgeroepen partij beschikte zelf over de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen maar maakte zelf de keuze om dit niet te doen. Er is dan ook geen reden te vinden waarom de cassatie zich ook zou moeten uitstrekken tot de beslissing ten aanzien van de in gemeenverklaring opgeroepen partij. Aan de basis van deze zaak ligt een hoofdelijke hoofdveroordeling van de eiseres en de in gemeenverklaring opgeroepen partij met daaraan gekoppeld een enkele hoofdelijke dwangsom. Een hoofdelijke dwangsom wordt verbeurd zodra de hoofdelijke hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt uitgevoerd (en de overige voorwaarden voor de verbeurte van de dwangsom vervuld zijn)
(20). Als één van de partijen een inbreuk begaat op de hoofdveroordeling, dan is de hoofdelijke dwangsom meteen door alle hoofdelijk veroordeelden verschuldigd
(21). Hoewel de beslissingen met betrekking tot de verbeurte van de dwangsommen in hoofde van de eiseres en van de in gemeenverklaring opgeroepen partij wel degelijk verband houden met elkaar, is er volgens mij geen dermate nauw verband dat ook de beslissing ten aanzien van de in gemeenverklaring opgeroepen partij zou moeten worden vernietigd. Conclusie: Cassatie met verwijzing van het bestreden arrest in het zoverre het uitspraak doet over de verbeurte van dwangsommen ten aanzien van eiseres. Het arrest dient bindend verklaart te worden aan de in bindend verklaring opgeroepen partij. __________________________________________
(1)Cass. 15 januari 2021, AR C.20.0174.N, AC 2021, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210115.1N.17.
(2)S. VERBANCK, “Artikel 194 Gemeentedecreet: eeuwenoud, springlevend, gecontesteerd. Waarom moet een inwoner namens zijn gemeente in rechte kunnen treden?”, T.Gem. 2020, 111-112 en 114.
(3)S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Intersentia 2016, 312, randnr. 328; P. LEFRANC, “Partij- en vertegenwoordigingswisselingen in een milieustakingsprocedure”, TMR 2012, 488-489, nr. 5 (noot onder Rb. Brussel 21 december 2011).
(4)Cass. 23 september 2010, AR C.08.0396.F, AC 2010, nr. 542, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100923.1 met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN, op datum in Pas..
(5)Cass. 5 mei 2011, AR C.07.0282.F, AC 2011, nr. 296, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110505.16 met concl. van advocaat-generaal André HENKES, op datum in Pas., (ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.16).
(6)Cass. 28 juni 2019, AR C.18.0398.N, AC 2019, nr. 412, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM (ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3); zie ook Cass. 5 december 2022, AR C.22.0016.N, AC 2022, nr. 794, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221205.3N.2.
(7)E. DIRIX, Beslag, APR-reeks, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2018, 320, randnr. 429.
(8)E. DIRIX, Beslag, APR-reeks, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2018, 320-321, randnr. 429.
(9)Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0274.N, AC 2022, nr. 186, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.3; Cass. 28 juni 2019, AR C.18.0398.N, AC 2019, nr. 412, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3 met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM (ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3).
(10)Zie en vergelijk Cass. 28 juni 2019, AR C.18.0398.N, AC 2019, nr. 412, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3 met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM (ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3).
(11)Cass. 9 juni 2023, AR C.23.0033.N, AC 2023, nr. 427, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230609.1N.1.
(12)Cass. 19 oktober 2023, AR C.22.0207.N, AC 2023, nr. 665, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.6; Cass. 6 februari 2009, AR C.08.0296.N, AC 2009, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.10; Cass. 4 april 2002, AR C.00.0457.N, AC 2002, nr. 209, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020404.1 met concl. van advocaat-generaal THIJS.
(13)Cass. 4 april 2002, C.00.0457.N, AC 2002, nr. 209, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020404.1; Cass. 8 juni 1984, AR nr. 3973 en 4005, AC 1984, nr. 579, ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840608.9.
(14)A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer 2014, 1253.
(15)RvS, gemeente Drogenbos, nr. 190.231, 5 februari 2009.
(16)Advies van de afdeling wetgeving R.v.St. over het wetsontwerp betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten op de rechterlijke beslissingen en op de administratiefrechtelijke beslissingen, Parl. St. Senaat 1983-84, nr. 579/1, 15.
(17)Cass. 3 november 1994, AR C.93.0528.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941103.12, AC 1994, nr. 471, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941103.8.
(18)Zie Cass. 12 februari 2021, AR C.20.0048.N, AC 2021, nr. 111, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.4; Zie ook J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, St. RUTTEN en B. VAN LERBERGHE, Handboek Gerechtelijk recht (vijfde editie), Larcier-Intersentia 2019, 942, nr. 1980.
(19)M. BAETENS-SPETSCHINSKY, “Hoofdstuk 6 – De gevolgen van het cassatieberoep”, 236-238 in B. MAES, F. MOURLON BEERNAERT, S. SONCK, (Eds.), De cassatieberoepen, Larcier, Gent - Intersentia, Antwerpen, 2024; B. WYLLEMAN, “Beschouwingen over de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken”, 1134, in E. ALOFS, K. BYTTEBIER, E. GOOSSENS, J. VAN DONINCK (eds.), Redelijk eigenzinnig… liber amicorum E. Brewaeys, Philippe Colle, Erna Guldix en Bruno Maes, Knopspublishing, 2022, 1176p.; B. VANLERBERGHE en J. VERBIST, “Het beschikkingsbeginsel, het recht van verdediging, de onsplitsbaarheid en de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken”, 432-433 in B. DAUWE, B. DE GRYSE, E. DE GRYSE, B. MAES en K. VAN LINT (eds.), Liber amicorum Ludovic De Gryse, Larcier 2012.
(20)K. WAGNER, Dwangsom, APR, 2003, 73; Benelux Hof 17 december 1998, RW 1998-99, 1071 met concl. J. DU JARDIN, Benelux Jur. 1998, 26 met concl. J. DU JARDIN; Cass. 4 mei 1999, AR P.95.1323.N, AC 1999, nr. 258, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990504.4.
(21)Ibid. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840608.9 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941103.12 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941103.8 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990504.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020404.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100923.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110505.16 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.16 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210115.1N.17 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221205.3N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230609.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div