id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241126.2N.34 Rolnummer: P.24.1422.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-01-22 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-06-18 21:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.34 Fiche 1 Wanneer de rechter de internering beveelt, kan hij bij toepassing van artikel 10, eerste lid, Interneringswet bij een afzonderlijke beslissing de onmiddellijke opsluiting van de betrokkene bevelen en tegen die laatste beslissing, die niet losstaat van de beslissing die de internering beveelt maar daarmee één geheel vormt, kan bij toepassing van artikel 10, tweede lid, Interneringswet geen verzet of hoger beroep worden ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10, eerste en tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 2 - 3 Wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing die de internering beveelt, kan de appelrechter die over de vordering tot internering moet oordelen, bij toepassing van artikel 12, eerste lid, Interneringswet bij afzonderlijke, gemotiveerde beschikking beslissen om de betrokkene die zich in een toestand van opsluiting bevindt zoals bedoeld in artikel 10 Interneringswet, in vrijheid te stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die hij bepaalt en uiterlijk tot het in kracht van gewijsde treden van de beslissing die de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft genomen ingevolge de eerste zitting vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 4 - 5 Uit de bepalingen van de artikelen 10, eerste en tweede lid en 12, eerste lid, Interneringswet en hun onderlinge samenhang moet worden afgeleid dat er geen cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting die wordt bevolen na de uitspraak die in eerste aanleg de internering beveelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10, eerste en tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10, eerste en tweede lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de conclusie P.24.1422.N Conclusies van advocaat-generaal WINANTS: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis nr. 2024/2341 van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 14 augustus
- I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
- In het kader van een opsporingsonderzoek inzake feiten van belaging in familiale sfeer, belaging van kwetsbare personen en kwaadwillig gebruik van elektronische communicatiemiddelen, te Zele tijdens een periode 2021-2023, in staat van wettelijke herhaling, werd de eiser rechtsreeks gedagvaard voor de correctionele rechtbank te Dendermonde. In het kader van dat opsporingsonderzoek had de procureur des Konings een psychiater en een psycholoog aangesteld met het oog op een forensisch psychiatrisch deskundig onderzoek van de eiser op basis van artikel 5 Interneringswet. Het deskundig verslag werd neergelegd op 9 maart 2023 en kwam tot het besluit dat er voldaan was aan de interneringsvoorwaarden bepaald in de Interneringswet.
- Bij vonnis van 14 augustus 2024, nr. 2340/2024, van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, op tegenspraak, werd de internering bevolen van de eiser. Eveneens op 14 augustus 2024 werd op vordering van het openbaar ministerie bij vonnis 2341/2024, gewezen bij verstek, de onmiddellijke opsluiting bevolen van de eiser.
- Tegen het vonnis nr. 2340/2024 van 14 augustus 2024, zijnde het vonnis van internering, werd hoger beroep ingesteld door de eiser op 2 september 2024 en door het openbaar ministerie op 3 september
- Tegen het vonnis nr. 2341/2024 dat de onmiddellijke opsluiting beveelt, werd op 29 augustus 2024 cassatieberoep ingesteld door Mr. H. MOONS, advocaat - attesthouder, die op 11 september 2024 een memorie neerlegde ter griffie van het Hof van Cassatie. Volledigheidshalve kan hier worden opgemerkt dat in de aanhef van de memorie verkeerdelijk wordt vermeld dat het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis nr. 2340/
- Dit blijkt een materiële vergissing te zijn aangezien de akte van cassatieberoep duidelijk stelt dat het ingesteld is tegen het vonnis 2341/2024, hetgeen verder ook blijkt uit de tekst van de memorie. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
- De eiser roept in zijn memorie één middel in houdende de schending van artikel 149 Grondwet, van de artikelen 7, 8, 9, §1 en 9, §2, Interneringswet, van artikel 6 EVRM en van het recht op tegenspraak en het recht van verdediging, omdat hij niet op de hoogte werd gesteld van de bevindingen van de aangestelde deskundige, van diens voorverslag en van het bijhorend verslag van de psycholoog, zodat hij in de onmogelijkheid verkeerde om te anticiperen op de conclusies van de deskundige en op de wijze waarop desgevallend in de behandeling, begeleiding en verzorging van de eiser kon worden voorzien. Vooraleer eventueel op deze argumenten kan worden ingegaan past het te onderzoeken of een cassatieberoep tegen een vonnis dat de onmiddellijke opsluiting beveelt na de uitspraak die de internering heeft bevolen ontvankelijk is.
- De onmiddellijke opsluiting wordt vermeld in artikel 10 Interneringswet
(1)dat luidt als volgt: “Wanneer de onderzoeks- of vonnisgerechten de betrokkene die niet of niet meer aangehouden is interneren kunnen zij, op vordering van de procureur des Konings, zijn onmiddellijke opsluiting bevelen, indien te vrezen is dat de beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde (zich) aan de uitvoering van de veiligheidsmaatregel zou trachten te onttrekken of indien te vrezen is dat deze een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden of voor zichzelf zou vormen. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees wettigen. Over deze genomen beslissing moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de internering. De beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde en zijn advocaat]worden gehoord als ze aanwezig zijn. Tegen deze beslissingen kan geen verzet of hoger beroep worden ingesteld”. 6. De onmiddellijke opsluiting in artikel 10 Interneringswet is een maatregel die geïnspireerd is op de onmiddellijke aanhouding bepaald in artikel 33, §2, Voorlopige Hechteniswet en die werd ingevoerd bij de wet van 5 mei 2014 omdat deze ‘een lacune in(vult) van de WBM, waarbij ten aanzien van soms gevaarlijk geachte geïnterneerde personen slechts een gedwongen beveiligingsmaatregel genomen kan worden nadat ze voor de eerste maal voor de CBM zijn verschenen, soms maanden na de uitspraak van de internering’
(2). De reparatiewet van 4 mei 2016
(3)voerde een aantal aanpassingen door aan dat artikel, die evenwel niet inhoudelijk waren maar een correctere omschrijving betroffen van de hoedanigheid van de betrokken persoon, met name inverdenkinggestelde, beklaagde en beschuldigde i.p.v. de oorspronkelijke terminologie die enkel gewag maakte van ‘beklaagde of beschuldigde’
(4). 7. Artikel 10, tweede lid, in fine, Interneringswet bepaalt uitdrukkelijk dat er tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting geen verzet of hoger beroep kan worden ingesteld. De parlementaire voorbereiding
(5)geeft hierover geen enkele nadere uitleg en ook in de commentaren van de wet in de rechtsleer wordt desaangaande zeer weinig tot niets vermeld
(6). De weinige auteurs die hier wel op ingaan lijken mij daarenboven een verkeerde lezing te hebben van het bewuste artikel 10 Interneringswet. Zo schrijft K. HANOULLE
(7)dat er tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting ‘geen rechtsmiddel’ openstaat, hetgeen me toch lijkt in te gaan tegen de tekst zelf die enkel gewag maakt van het verzet en het hoger beroep. 8. P. VERPOORTEN
(8)spreekt wel uitdrukkelijk over het cassatieberoep maar komt tot een conclusie die mij betwistbaar lijkt en evenmin steun vindt in de tekst van de bepaling. Deze auteur schrijft namelijk dat het ‘eerder bizar’ is dat dit artikel 10 in grote mate tekstueel gelijklopend is met artikel 33, §2 Voorlopige Hechteniswet, doch dat de Interneringswet niet voorziet in een cassatieberoep tegen deze beslissing daar waar dit bij de Voorlopige Hechtenis-wet wel het geval is indien er cassatieberoep wordt aangetekend tegen de onderliggende veroordeling. Hij besluit dan ook dat “deze keuze om de geïnterneerde geesteszieke in een minder gunstige procespositie te plaatsen als een strafrechtelijk veroordeelde moeilijk objectiveerbaar en verdedigbaar( lijkt)”. De auteur lijkt aldus, minstens impliciet, van mening te zijn dat er geen cassatieberoep mogelijk is tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting. 9. Het is juist dat artikel 10 Interneringswet het cassatieberoep niet vermeldt in tegenstelling tot de bepaling van artikel 33 Voorlopige Hechteniswet, maar de vraag is of dit impliceert dat een cassatieberoep uitgesloten is. Indien het cassatieberoep inderdaad, zoals verzet en hoger beroep, zou worden uitgesloten, dan zou de tekst dat moeten vermelden. Betekent dat derhalve niet dat net omdat dat cassatieberoep niet expliciet werd uitgesloten, het wel degelijk mogelijk is, zoals dat het geval is bij de onmiddellijke aanhouding en met inachtneming van dezelfde voorwaarden? Er kan dienaangaande verwezen worden naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli1990 op de voorlopige hechtenis. De aanvankelijke tekst van hetgeen uiteindelijk artikel 33, §2, laatste lid, zou worden was in gelijkaardige bewoordingen opgesteld als artikel 10 Interneringswet. In de Memorie van Toelichting werd daarenboven uitdrukkelijk gesteld dat tegen de beslissing tot onmiddellijke aanhouding geen cassatieberoep mogelijk was
(9), hetgeen een opmerking uitlokte van de Raad van State
(10). Het is slechts bij de discussies in de Commissie Justitie van de Senaat
(11)dat werd gesteld dat “gezien de bepaling in fine van §2 in de werkgroep DECLERCQ (werd) opgemerkt dat de formulering ‘deze beslissingen zijn niet vatbaar voor hoger beroep of verzet’ inhoudt, dat een cassatieberoep dus wel mogelijk is’ Het is pas bij wet van 5 februari 2016
(12)dat artikel 33, §2, in fine werd aangevuld met de zinsnede “Ze zijn vatbaar voor cassatieberoep voor zover dit rechtsmiddel ook tegen de veroordelende beslissing wordt ingesteld". 10. Het komt mij derhalve voor dat het cassatieberoep in het kader van artikel 10 Interneringswet niet is uitgesloten maar dat het onderworpen is aan de algemene regels van het cassatieberoep in strafzaken in combinatie met de in casu van toepassing zijnde bepalingen van de Interneringswet. Een eerste basisregel inzake cassatieberoep is dat dit enkel mogelijk is tegen een beslissing gewezen in laatste aanleg (artikel 418 Wetboek van Strafvordering). Men zou op het eerste zicht kunnen stellen dat de beslissing hier inderdaad in eerste aanleg, zijnde de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, is gewezen. Er bestaat geen twijfel over het feit dat de beslissing tot internering inderdaad niet in laatste aanleg werd gewezen – er werd trouwens hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis – maar dat lijkt me niet het geval te zijn voor de beslissing over de onmiddellijke opsluiting. Vanaf het ogenblik dat tegen een dergelijke beslissing verzet en hoger beroep uitdrukkelijk zijn uitgesloten, is deze uit haar aard een beslissing die in laatste aanleg - eigenlijk in eerste maar enige aanleg - is gewezen en dus vatbaar is voor cassatieberoep
(13). 11. Hoe dient alsdan het cassatieberoep tegen de afzonderlijke beslissing tot onmiddellijke opsluiting ex artikel 10 Interneringswet te worden beoordeeld. Ook hier past het terug te grijpen naar de analoge situatie ingeval van een cassatieberoep tegen de beslissing tot onmiddellijke aanhouding. In een arrest van 25 april 2000
(14)werd gesteld dat een beslissing tot onmiddellijke aanhouding die gepaard gaat met een strafrechtelijke veroordeling geen beslissing is die losstaat van die veroordeling maar er één geheel mee vormt, zodat het cassatieberoep tegen de onmiddellijke aanhouding voorbarig en derhalve niet ontvankelijk is. Dat impliceert derhalve dat het cassatieberoep mogelijk is maar dat er dient gewacht te worden tot na de eindbeslissing. 12. In een arrest van 14 december 2004
(15)wordt voortgebouwd op de onlosmakelijkheid tussen de veroordelende beslissing en de beslissing tot onmiddellijke aanhouding maar wordt gesteld dat wanneer er hoger beroep is tegen het veroordelend vonnis, het cassatieberoep tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding niet ontvankelijk is. Er wordt hier dus niet meer gesproken over voorbarigheid maar er wordt goordeeld dat er voor de betrokkene die hoger beroep aantekent tegen een veroordelende beslissing in eerste aanleg geen cassatieberoep openstaat tegen de onmiddellijke aanhouding.
- De noot onder dit arrest is bijzonder interessant omdat er verschillende hypotheses in worden behandeld die mutatis mutandis integraal van toepassing zijn op de internering en het bevel tot onmiddellijke opsluiting. Wanneer er een veroordeling is in eerste aanleg (of een beslissing tot internering) met een onmiddellijke aanhouding (of een onmiddellijke opsluiting) maar er enkel tegen die bijkomende beslissing cassatieberoep is aangetekend en er geen rechtsmiddel werd ingesteld tegen de beslissing ten gronde, dan gaat die beslissing in kracht van gewijsde en wordt ze dus uitvoerbaar, zodat het cassatieberoep tegen de onmiddellijke aanhouding of tegen de onmiddellijke opsluiting geen bestaansreden meer heeft.
- Wanneer tegen de veroordelende beslissing of tegen de interneringsbeslissing hoger beroep wordt ingesteld enerzijds en cassatieberoep tegen de onmiddellijke aanhouding of de onmiddellijke opsluiting, hetgeen de hypothese was van het arrest van 14 december 2004, dan is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Immers zal de rechter in beroep zich niet alleen moeten uitspreken over de beslissing ten gronde maar ook over de eraan gekoppelde onmiddellijke aanhouding of onmiddellijke opsluiting, voor zover die door het openbaar ministerie in graad van beroep opnieuw wordt gevorderd.
- Wanneer in beroep opnieuw een veroordeling wordt uitgesproken en opnieuw een onmiddellijke aanhouding, dan is het cassatieberoep tegen die onmiddellijke aanhouding wel ontvankelijk, op voorwaarde dat ook cassatieberoep werd aangetekend tegen de veroordelende beslissing ( zie het artikel 33, §2, in fine, Voorlopige hechteniswet). Er kan hier worden opgemerkt dat de Interneringswet dat laatste niet vereist maar het lijkt me logisch dat wanneer er geen cassatieberoep werd aangetekend tegen de interneringsbeslissing zelf het cassatieberoep tegen de onmiddellijke opsluiting geen bestaansreden meer heeft, omdat in die hypothese het de KBM zou zijn die zich over het verdere verloop en de uitvoering van de internering moet uitspreken. A contrario lijkt dus cassatieberoep tegen het bevel tot onmiddellijke opsluiting uitgesproken in beroep mogelijk indien ook cassatieberoep wordt aangetekend tegen de beslissing tot internering bevolen door het appelgerecht. Is er enkel cassatieberoep tegen de onmiddellijke aanhouding of de onmiddellijke opsluiting en niet tegen de beslissing ten gronde in beroep, dan gaat bij afwezigheid van rechtsmiddel die beslissing in kracht van gewijsde en is, eens de termijn van voorziening verstreken, die beslissing uitvoerbaar en heeft de onmiddellijke aanhouding of opsluiting geen bestaansreden meer.
- Er dient daarenboven met betrekking tot de materie van de internering gewezen te worden op de bepaling van artikel 12, eerste lid, Interneringswet dat stelt dat wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing die de internering beveelt, de appelrechter die over de vordering tot internering moet oordelen, bij toepassing van artikel 12, eerste lid, Interneringswet bij afzonderlijke, gemotiveerde beschikking kan beslissen om de betrokkene die zich in een toestand van opsluiting bevindt zoals bedoeld in artikel 10 Interneringswet, in vrijheid te stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die hij bepaalt en uiterlijk tot het in kracht van gewijsde treden van de beslissing die de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft genomen ingevolge de eerste zitting vastgesteld overeenkomstig artikel 29, §2, Interneringswet.
- De bepaling van artikel 12, eerste lid, Interneringswet houdt derhalve in dat bij beroep tegen de interneringsbeslissing de opsluitingstoestand van de betrokkene hoe dan ook aan bod zal komen en dit niettegenstaande er geen hoger beroep of verzet mogelijk is tegen het bevel tot opsluiting. Dir relativeert dan ook de impact van de uitsluiting van deze twee rechtsmiddelen en bevestigt de intrinsieke samenhang tussen de beslissing tot internering en het bevel tot onmiddellijke opsluiting die onlosmakelijk zijn verbonden.
- Concluderend kan dus worden gesteld dat er geen cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting die wordt bevolen na de uitspraak die in eerste aanleg de internering beveelt. Het cassatieberoep, ingesteld tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting, bevolen na de uitspraak die in eerste aanleg heeft beslist tot eisers internering, is niet ontvankelijk. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord. Ik concludeer dan ook tot de verwerping van het cassatieberoep. __________________________________
(1)Wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen, BS 9 juli 2014.
(2)H. HEIMANS, T. VANDERBEKEN en E. SCHIPAANBBORD, “Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering? Deel 1: De gerechtelijke fase”, RW 2014-2015/27, (1043-1064), p. 1058, nr. 76.
(3)Wet houdende internering en diverse bepalingen inzake justitie, BS 13 mei 2016
(4)H. HEIMANS, T. VANDERBEKEN en E. SCHIPAANBBORD, “Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering? Deel 3: De reparatie”, RW 2016-2017/16, (603-619), p. 609, nr. 14.
(5)Wetsvoorstel betreffende de internering van personen, Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001 en Kamer, 2013-2014, DOC 53 3527/001.
(6)Zie de hierboven vermelde bijdragen van H. HEIMANS e.a. waarin deze problematiek niet ter sprake komt.
(7)K. HANOULLE, “Potpourri III als sluitstuk van de nieuwe interneringswetgeving”, NC 2016/5, (385-405), p. 400; K. HANOULLE, Internering en toerekeningsvatbaarheid, Antwerpen, Intersentia 2018, pp. 317-318, nr. 557.
(8)P. VERPOORTEN, Internering, in Recht en Praktijk, Kluwer 2022.
(9)Parl. St., Senaat 1988-1989, 658-1, p. 19.
(10)Parl. St., Senaat 1988-1989, 658-1, p. 63.
(11)Parl. St., Senaat 1989-1990, 658-2, p. 107.
(12)Wet tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II).
(13)R. VAN CAMP en S. VANDROMME, “Onmiddellijke aanhouding”, in Comm. Straf., p. 35, nr. 18; R. DECLERCQ, “Voorlopige hechtenis en rechtsmiddelen”, RW 1991-1992, p. 115, nr. 66.
(14)Cass. 25 april 2000, AR P.00.0608.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000425.8, AC 2000, nr. 265.
(15)Cass. 14 december 2004, AR P.04.1616.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041214.7, AC 2004, nr. 611 met noot MDS. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241126.2N.34 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.34 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000425.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041214.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div