id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 Rolnummer: F.20.0137.N Zaak: SOHO bv contra BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2025-01-20 Raadplegingen: 518 - laatst gezien 2026-06-18 19:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.1 Fiche 1 De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak; het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie conc. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 2 Er bestaat een afdoende wettelijke grondslag voor het opleggen van een proportionele fiscale geldboete wanneer ingevolge fiscaal misbruik de wettelijk verschuldigde belasting niet werd betaald
(1).
(1)Zie conc. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Artikel 70, § 1, Btw-wetboek, dat bepaalt dat een proportionele fiscale boete kan worden opgelegd “voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen”, vormt een toegankelijke, duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor het opleggen van een dergelijke fiscale boete aan de belastingplichtige die zich schuldig maakt aan fiscaal misbruik en als gevolg daarvan de verschuldigde btw niet voldoet
(1).
(1)Zie conc. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Tekst van de conclusie F.20.0137.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE:
- Situering
- Uit de vaststellingen waarop het Hof acht mag slaan blijkt samengevat de situatie waarin een bouwheer in werkelijkheid een nieuwbouw koopt met een toepasselijk btw-tarief van 21%, maar een constructie opzet waarbij hij eerst zelf een oud gebouw koopt en nadien gebruik maakt van een tariefverlaging voor afbraak en hernieuwbouw aan een tarief van 6% btw. De appelrechters oordelen dat er sprake is van fiscaal misbruik en veroordelen de eiseres tot het verschuldigde tariefverschil. De eiser komt met vier middelen op tegen die beslissing.
- Bespreking van de middelen 2.1 Eerste middel
- Het middel voert de schending aan van het internrechtelijk, Europees en internationaal rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, namelijk doordat de administratie middels de retroactieve toepassing van de btw-beslissing van 13 mei 2014, het gegronde vertrouwen van de eiser op de handelswijze van de administratie van vóór die beslissing heeft geschonden.
- Het middel berust op de premisse dat de administratie in de btw-beslissing van 13 mei 2014 (plots) een nieuw standpunt heeft ingenomen. De appelrechters oordelen dat de administratie “ter zake geenszins plots een ander standpunt ingenomen. In zoverre de argumentatie van eiseres in hoger beroep hiervan uitgaat, gaat ze uit van een verkeerde premisse en is ze niet ter zake dienend”
(1). (eigen onderlijning) In zoverre het middel nalaat die beslissing te bekritiseren, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. 5. Het middel gaat ervan uit dat de administratie retroactief de btw-beslissing van 13 mei 2014 heeft toegepast in strijd met het voordien opgewekte vertrouwen van een andere handelswijze. De appelrechters stellen evenwel uitdrukkelijk vast dat “de toepassing van het verlaagd tarief eiseres in hoger beroep niet werd geweigerd onder verwijzing van de beslissing d.d. 13 mei 2014, doch dat hiervoor rechtsmisbruik werd ingeroepen”
(2). (eigen onderlijning) In zoverre het middel ervan uitgaat dat de administratie (retroactief) toepassing maakt van de btw-beslissing van 13 mei 2014, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Zoals de verweerder terecht aangeeft, faalt het middel bovendien naar recht in zoverre het aanneemt dat in de beslissing van 13 mei 2014 wordt gesteld dat voortaan de toepassing van een verlaagd tarief per definitie zou zijn uitgesloten bij de verkoop van een oud gebouw gevolgd door de afbraak en heropbouw. Zoals de appelrechters vaststellen, vermeldt de voormelde btw-beslissing dat afhankelijk van het resultaat van het onderzoek van de concrete feitelijke omstandigheden, de verrichtingen als misbruik kunnen worden beschouwd.
- Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de eiseres zijn middel over het vertrouwensbeginsel steunt op het zogenaamde Elmeka-arrest van het Hof van Justitie van 14 september 2006
(3). Uit dit arrest volgt dat bij de beoordeling van het aangevoerde vertrouwensbeginsel eerst dient te worden nagegaan of de handelingen van de administratie bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt. Ook het Hof heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel inhouden in dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid
(4). Het staat aan de rechter te oordelen of mededelingen die een overheid heeft gedaan voorafgaand aan een belastbaar feit bij de belastingplichtige de gerechtvaardigde verwachting kunnen opwekken
(5). De appelrechters ontmoeten uitvoerig de grief van de schending van het vertrouwensbeginsel. Ze verantwoorden naar recht de beslissing dat niet blijkt dat er een vaste gedragslijn bestond van de overheid waaruit de eiseres een gerechtvaardigd vertrouwen kon putten
(6). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 2.2 Tweede middel
- Het tweede middel voert aan dat het bestreden arrest bij de beoordeling van het fiscaal misbruik steunt op een verkeerde inschatting van de draagwijdte van dit concept door tegelijk te oordelen, enerzijds, dat eiseres niet alle gevolgen van de door haar gesloten overeenkomsten heeft aanvaard, anderzijds dat de betrokken handelingen fiscaal misbruik uitmaken. De vaststelling dat eiseres niet alle gevolgen van de door haar gesloten overeenkomsten heeft aanvaard, zou volgens het middel duiden op belastingontduiking, terwijl bij fiscaal misbruik sprake is van belastingontwijking. Het bestreden arrest zou om die reden tegenstrijdig en daardoor incorrect zijn gemotiveerd (schending van de artikelen 149 G.W. en 1, § 10 BTW-wetboek).
- Het middel kan zo worden begrepen dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de overwegingen enerzijds dat er sprake is van fiscaal misbruik en anderzijds dat de eiseres niet alle gevolgen van haar overeenkomsten niet heeft aanvaard.
- Een tegenstrijdige motivering betreft een “feitelijke” tegenstrijdigheid. De door de eiseres aangevoerde tegenstrijdigheid betreft echter een juridische tegenstrijdigheid die neerkomt op een foute redenering, waarmee het materieel recht zou zijn geschonden. In zoverre houdt het middel geen verband met artikel 149 van de Grondwet en is het niet ontvankelijk.
- Uit de overwegingen van het arrest blijkt duidelijk dat de appelrechters oordelen dat fiscaal misbruik werd gepleegd. De overweging dat de eiseres “de gevolgen van de door haar gesloten overeenkomsten niet (heeft) aanvaard” betreft een louter ten overvloede gegeven motivering, waarmee de appelrechters laten verstaan dat de eiseres in werkelijkheid nooit als bouwheer is opgetreden omdat zij zelf geen enkele inspraak had in de plannen van de afbraak en heropbouw, noch zelf instond voor de afbraak en heropbouw van de twee appartementen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 2.3 Derde middel
- Het derde middel voert een tegenstrijdige motivering aan, namelijk door enerzijds te oordelen dat de eiseres niet te kwader trouw was, en anderzijds te oordelen dat de btw toch verschuldigd is terwijl artikel 51bis, § 1, 3° BTW-wetboek daartoe vereist dat een fout en niet te goeder trouw werd gehandeld (schending van de artikelen 51bis, § 1, 3° BTW-wetboek en 149 G.W.).
- Uit het arrest blijkt dat de btw verschuldigd is omdat misbruik werd gepleegd. In geval van misbruik in de zin van artikel 1, § 10, Btw-wetboek wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden
(7). Het middel dat gericht is tegen de overweging dat de btw kan worden nagevorderd omdat de eiseres nalatig is geweest en de gevolgen van de onderscheiden overeenkomsten niet heeft aanvaard, komt op tegen een overtollig motief en is niet ontvankelijk omdat het niet tot cassatie kan leiden. 2.4 Vierde middel 14. Het eerste onderdeel voert aan dat geen rechtsgrond bestaat in de btw-regelgeving voor het opleggen van een boete indien fiscaal misbruik bestaat in het niet betalen van de verschuldigde btw. De eiseres verwijst naar het zogenaamde Halifax-arrest waarin het Hof van Justitie oordeelt dat voor het opleggen van een sanctie wegens misbruik een duidelijke en ondubbelzinnige rechtsgrond is vereist
(8). Vermits die rechtsgrond ontbreekt, meent de eiseres dat de appelrechters de opgelegde sanctie niet naar recht verantwoorden.
- Anders dan waar het onderdeel van uit gaat, werd geen sanctie opgelegd wegens fiscaal misbruik. In zoverre berust het onderdeel op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
- Bij arrest van 11 mei 2006 oordeelde het Hof dat de toepassing van een antirechtsmisbruikbepaling zelf los staat van de vraag of de beoogde belastingontwijking al of niet een wetsovertreding inhoudt
(9). Dit sluit niet uit dat er een overtreding kan zijn begaan. Artikel 70, § 1, BTW-wetboek bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De appelrechters verantwoorden naar recht de beslissing tot bevestiging van de boete wegens het niet betalen van de verschuldigde belasting, zijnde een overtreding die sanctioneerbaar is op grond van artikel 70, § 1, BTW-wetboek. Ongeacht de aanname van fiscaal misbruik, stellen de appelrechters vast en oordelen ze dat de eiseres een overtreding van de fiscale wet heeft begaan, zoals bedoeld door artikel 70, § 1, BTW-wetboek, namelijk door het niet betalen van de juiste verschuldigde belasting. Deze beslissing van de appelrechters lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het tweede onderdeel, dat steunt op dezelfde aanname dat het opleggen van een fiscale geldboete zonder rechtsgrond in strijd is met het legaliteitsbeginsel, lijkt mij te zijn afgeleid van het eerste onderdeel en komt om die reden niet ontvankelijk voor.
- In het derde onderdeel voert de eiseres aan dat het opleggen van de boete door het dwangbevel een schending vormt van de bescherming van het recht op eigendom (schending artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullend Protocol EVRM).
- De eiser verwijst in dit onderdeel naar het eerste onderdeel van dit middel en gaat er opnieuw van uit dat er geen rechtsgrond bestaat voor het opleggen van de boete. In zoverre is ook dit onderdeel afgeleid van het eerste onderdeel en niet ontvankelijk.
- Ook voert de eiseres in dit onderdeel aan dat artikel 70, § 1 Btw-wetboek in strijd zou zijn met artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullend Protocol EVRM, namelijk omdat deze wetsbepaling geen voldoende duidelijke en voorzienbare grondslag vormt voor het opleggen van een boete in voorliggend geval.
- Het Grondwettelijk Hof heeft reeds meermaals geoordeeld over de verzoenbaarheid van artikel 70, § 1 Btw-wetboek met de Grondwet. Recent nog, bij arrest van 18 juli 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes (met uitstel)
(10)op te leggen. De rechter kan nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoorde genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht
(11). Uit (onder meer) deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgt dat artikel 70, § 1 Btw-wetboek voorziet in een toegankelijke, duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor het opleggen van de fiscale boete aan de belastingplichtige die de verschuldigde btw niet voldoet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Besluit: verwerping _____________________________
(1)Arrest pag. 11, vijfde alinea.
(2)Arrest pag. 11, tweede alinea.
(3)HvJ 14 september 2006, inzake Elmeka, C-181/04-C-183/04, ECLI:EU:C:2006:563; zie ook HvJ 9 oktober 2014, inzake Traum, C-492/13, pt. 28, ECLI:EU:C:2014:2267; HvJ 3 juni 2021, inzake Jumbocarry Trading, C-39/20, pt. 48, ECLI:EU:C:2021:435.
(4)Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0274.N, AC 2022, nr. 186, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.3.
(5)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5; Cass. 6 november 2000, AR F.99.0108.F, AC 2000, nr. 598, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6.
(6)Arrest pag. 11, tweede alinea.
(7)Cass. 2 mei 2024, AR F.20.0135.N, AC 2024, nr. 347, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.6.
(8)HvJ 21 februari 2006, C-255/02, randnr. 93, ECLI:EU:C:2006:121.
(9)Cass. 11 mei 2006, AR F.04.0043.N, AC 2006, nr. 269, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060511.3. Met verwijzing naar rechtsleer wijst THIJS erop dat “fiscaal misbruik” op zich geen wetsovertreding of delictsomschrijving inhoudt.
(10)Gwh 6 november 2008, nr. 157/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.157; Gwh 20 februari 2020, nr. 32/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.032; zie ook GwH nr. 19 oktober 2023, 136/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.136.
(11)GwH 18 juli 2024, nr. 86/2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060511.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.6 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.157 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.032 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.136 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086 ECLI:EU:C:2006:121 ECLI:EU:C:2006:563 ECLI:EU:C:2014:2267 ECLI:EU:C:2021:435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div