← België

BELGISCHE STAAT MIN FIN c. COLFRIDIS LOGISTICS NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 november 2024

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie F.22.0149.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering

  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres op 8 mei 2000 een douaneaangifte indient voor het in gebruik stellen van goederen omschreven als “bevroren guacamole”, “bevroren avocadosaus” en “bevroren guacamolesaus + avocadosaus”. De aangifte vermeldde de goederencode 2103 90 90 van de gecombineerde nomenclatuur, zodat een tarief van 5,8 % van toepassing is. De douaneadministratie oordeelt dat de goederencode 2008 99 99 toepasselijk is met als invoertarief 16,3 % en nodigt de eiseres uit tot betaling van aanvullende invoerrechten en een boete. Na de afwijzing van het willig beroep dagvaardt de verweerster de Belgische Staat voor de rechtbank. Zowel de eerste rechter als het bestreden arrest verklaren de vordering van de eiseres gegrond. De appelrechter overweegt onder meer dat de door de verweerster toegepaste tariefcode steunt op vorige aangiften die door de administratie werden aanvaard op basis van een inmiddels verstreken bindende tariefinlichting uit het verleden.
  2. De eiser komt met twee middelen op tegen dit arrest. 2 Bespreking van de middelen 2.1 Eerste middel – eerste onderdeel
  3. Het eerste onderdeel bevat meerdere grieven. Een eerste voert de schending aan van het vertrouwensbeginsel als algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht. De eiser stelt dat de toepassing van het vertrouwensbeginsel vereist dat is voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

(1)er zijn nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen vanwege de administratie, die
(2)gegronde verwachtingen hebben opgewekt en die
(3)overeenstemmen met de toepasselijke voorschriften. Gelet op de vaststellingen dat
(1)geen zekerheid bestond over de juiste indeling van de betrokken goederen voor december 2005 en
(2)de verweerster geen bindende tariefinlichting aanvroeg en zich op het ogenblik van de aangifte niet op een andere nog geldige bindende tariefinlichting kon beroepen, verantwoordt (volgens de eiser) de appelrechter zijn beslissing dat de verweerster op het ogenblik van de aangifte een gewettigd vertrouwen had dat de goederencode 2103 90 90 van toepassing was niet naar recht.
  1. Het vertrouwensbeginsel komt tot uiting in artikel 220.2, b) van Verordening 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (CDW). Deze bepaling stelt dat niet tot navordering (boeking) wordt overgegaan indien het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De goede trouw van de belastingschuldige kan worden ingeroepen wanneer deze kan aantonen dat hij er zich gedurende de periode van de betrokken handelstransacties zorgvuldig van heeft vergewist dat alle voorwaarden voor preferentiële behandeling geëerbiedigd werden.
  2. Deze bepaling is overgenomen van artikel 5, tweede 2, van verordening nr. 1697/79
(1). Deze laatste bepaling beoogt de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan
(2). De bepaling heeft tot doel de betaling achteraf van in- of uitvoerrechten te beperken tot de gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel
(3). Voor de toepassing van het in deze bepaling voorziene vertrouwensbeginsel gelden eigen voorwaarden, namelijk dat de betrokkene zich niet schuldig heeft gemaakt aan manipulatie of kennelijke nalatigheid, en dat de douaneautoriteiten geen vergissing hebben begaan die de belastingschuldige redelijkerwijs kon ontdekken
(4). Met betrekking tot de vraag of een vergissing van de douaneautoriteiten door een ondernemer kan worden ontdekt, moet bij de beoordeling ervan rekening worden gehouden met de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de ondernemer, en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid
(5). Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid in de zin van artikel 239, lid 1, tweede streepje, CDW, moet rekening worden gehouden met de complexiteit van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering de douaneschuld heeft doen ontstaan, en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer
(6). Hieruit volgt dat artikel 220.2.b CDW zelf de cumulatieve voorwaarden formuleert waaronder de belastingplichtige zich kan beroepen op het gewettigd vertrouwen. De Hoge raad der Nederlanden besluit dat naast het bepaalde in artikel 220.2, b), CDW, er geen plaats is voor het achterwege laten van een navordering van douanerechten wegens schending van door de douane jegens de douaneschuldenaar gewekt vertrouwen
(7). HEEREN concludeert uit de rechtspraak dat artikel 220.2 b) CDW kan worden opgevat als een codificatie van het algemene vertrouwensbeginsel in het douanerecht van de Unie, waardoor er geen ruimte bestaat voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel als zelfstandig algemeen rechtsbeginsel in het douanerecht
(8). Het Hof heeft bij arrest van 28 juni 2016 geoordeeld dat artikel 202.2 CDW een bevestiging bevat van het vertrouwensbeginsel, waarbij de toepassingsvoorwaarden uitdrukkelijk worden bepaald en in dergelijk geval geen beroep moet worden gedaan op het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, maar de in het CDW bepaalde voorwaarden dienen te worden getoetst. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht van de bescherming van het gewettigd vertrouwen toepasselijk is, berust het op een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht. 6. Het staat aan de rechter op basis van de vastgestelde feiten te oordelen of bij de belastingplichtige de gerechtvaardigde verwachtingen zijn opgewekt
(9). Het Hof gaat na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(10). Met de vaststellingen en overwegingen op de pagina’s 8 en 9 van het arrest, verantwoordt de appelrechter naar recht de beslissing dat de verweerster op grond van het vertrouwensbeginsel er redelijkerwijze kon van uitgaan dat de goederencode 2130 90 90 van toepassing was, en schendt hij artikel 220.2.b CDW niet
(11). Met het geheel van de weergegeven redenen toetst het arrest wel degelijk de voorwaarden van artikel 220.2.b CDW en verantwoordt het zijn beslissing naar recht. Deze redenen laten het Hof toe zijn wettigheidstoets uit te oefenen.
  1. Door te verwijzen naar rechtspraak die in een analoge betwisting de aangegeven goederencode voor hetzelfde product heeft goedgekeurd, doet de appelrechter geen uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking in de zin van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre kan (deze grief van) het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. De appelrechter oordeelt terecht dat de wijziging van de toepasselijke goederencode bij Verordening 1967/2005 van 1 december 2005, geen retroactieve interpretatieve werking heeft
(12). In zoverre (deze grief van) het onderdeel ervan uitgaat van een andere opvatting, faalt het naar recht.
  1. De grief die aanvullend aanvoert dat de appelrechter door aldus te oordelen, nalaat het geschil te beslechten overeenkomstig de erop toepasselijk recht en zijn taak miskent, is van de vorige grieven afgeleid en komt om die reden niet ontvankelijk voor.
  2. Het onderdeel voert ook een tegenstrijdigheid aan, namelijk door enerzijds te oordelen dat er geen zekerheid bestond over de juiste indeling van de betreffende goederen voor december 2005, en anderzijds, dat de Verordening nr. 1967/2005 van de Commissie van 1 december 2005 tot indeling van bepaalde goederen in de nomenclatuur, geen loutere interpretatie is maar een wijziging betreft. De aangevoerde tegenstrijdigheid lijkt te berusten op een verkeerde lezing en feitelijke grondslag te missen. Het is niet omdat de verordening van 1 december 2005 een productcode voorziet voor guacamole, dat dat geen wijziging zou zijn, evenmin dat er voordien (ook of wel) zekerheid bestond over de juiste goederencode.
(13)2.2 Eerste middel - tweede onderdeel
  1. Het tweede onderdeel komt vooreerst op tegen de overweging dat de verweerster terecht stelt dat de aanvaarding van een aangifte recht kan geven op niet-navordering indien de douane de aangifte aanvaardde onder een verkeerde tariefpost terwijl deze aangifte nochtans alle feitelijke gegevens vermeldde op basis waarvan de juiste tariefpost kon worden vastgesteld. Deze grief komt op tegen een overtollige reden die niet tot cassatie kan leiden en is in zoverre bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk.
  2. Zoals voormeld laten de overwegingen van het arrest het Hof toe zijn wettigheidstoets uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.3 Tweede middel
  3. Het tweede middel voert in het bijzonder de schending aan van artikel 1382 oud BW en de artikelen 236.1, 236.2, 243.1, 243.2 en 244 van het CDW.
  4. Volgens de Belgische Staat kan in de gegeven omstandigheden en bij gebrek aan enerzijds gegronde twijfel dat de bestreden beschikking in overeenstemming is met de douanewetgeving en anderzijds de dreiging van onherstelbare schade, het uitblijven van een beslissing van de eiser over het verzoek om teruggaaf niet worden beschouwd als wat niet van een normale en voorzichtige administratie mag worden verwacht, waardoor het uitblijven van een reactie vanwege de administratie gedurende de procedure niet als een fout worden aangemerkt.
  5. De beoordeling over de administratie zich als een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid heeft gedragen, behoort tot de beoordeling van de feitenrechter, waarop het Hof slechts een marginale toets kan uitoefenen. In zoverre het middel het Hof uitnodigt tot een feitelijke appreciatie is het onontvankelijk.
  6. Het komt me voor dat de appelrechter op grond van de vastgestelde feiten naar recht kon oordelen dat de eiser zich niet heeft gedragen als een normale en voorzichtige administratie. Het middel kan niet worden aangenomen. 3 Besluit: verwerping ___________________________________________
(1)Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, PB L 197 van 03/08/1979, 1, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/?uri=CELEX:31979R1697
(2)HvJ 27 juni 1991, Mecanarte, C-348/89, pt. 19, ECLI:EU:C:1991:278.
(3)HvJ 1 april 1993, Hewlett Packard France, C-250/91, pt. 41, ECLI:EU:C:1993:134.
(4)HvJ 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C-48/98, pt. 54, ECLI:EU:C:1999:548. Het betreft hier nog de artikelen 13 van oude verordening nr. 1430/79 en artikel 5, lid 2, van oude verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide. Gezien de analogie tussen de bepalingen uit de oude verordeningen en het Communautair Douanewetboek, past het Hof voormelde redenering ook toe op de artikelen 220.2.b en 239 CDW: de klaarblijkelijke nalatigheid van artikel 239 CDW en de voorwaarde dat de douaneautoriteiten geen vergissing hebben begaan die de belastingschuldige redelijkerwijs kon ontdekken in artikel 220.2.b CDW moeten op dezelfde wijze worden uitgelegd: P. HEEREN, “De goede trouw bij de vaststelling van douaneschulden. Ontwikkeling in de rechtspraak het Hof van Justitie”, AFT 2016/11, 45.
(5)HvJ 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C-48/98, pt. 55, ECLI:EU:C:1999:548.
(6)HvJ 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C-48/98, pt. 56, ECLI:EU:C:1999:548.
(7)Hoge Raad der Nederlanden van 8 juni 2012, 11/00573, pt. 3.3, ECLI:NL:HR:2012:BW7710.
(8)P. HEEREN, “De goede trouw bij de vaststelling van douaneschulden. Ontwikkeling in de rechtspraak het Hof van Justitie”, AFT 2016/11, 45.
(9)Cass. 25 november 2022, AR F.19.0121.N, AC 2022, nr. 763, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.7.
(10)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5.
(11)Cass. 17 september 2013, AR P.10.1077.N, r.o. 9 en 10, arrest niet gepubliceerd.
(12)Cass. 17 september 2013, AR P.10.1077.N, r.o. 9 en 10, arrest niet gepubliceerd.
(13)Cass. 17 september 2013, AR P.10.1077.N, r.o. 9 en 10, arrest niet gepubliceerd. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.7 ECLI:EU:C:1991:278 ECLI:EU:C:1993:134 ECLI:EU:C:1999:548 ECLI:NL:HR:2012:BW7710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.