id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.11 Rolnummer: F.23.0046.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod Financiën contra O. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-01-17 Raadplegingen: 533 - laatst gezien 2026-06-18 17:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.11 Fiche 1 De afzonderlijke aanslag strekt niet tot vergoeding van de belasting die verschuldigd is op de winst die werd verzwegen door de vennootschap die ze heeft gerealiseerd, maar van de belasting die werd ontdoken door de derde aan wie de verdoken winst werkelijk ten goede is gekomen, waarbij de winst in het voordeel van die derde is verdwenen uit het vermogen van de vennootschap die ze heeft gerealiseerd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 219, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De verdoken meerwinsten die niet worden teruggevonden onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap moeten, ten aanzien van de vennootschap die ze heeft gerealiseerd, in aanmerking worden genomen in het licht van de regels die van toepassing zijn op de gewone aanslag in de vennootschapsbelasting
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 219, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 De verdoken meerwinsten, aangezien zij niet worden teruggevonden onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap, zijn specifieke en werkelijke uitgaven waarvan de aftrekbaarheid bijgevolg onderworpen is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Fiche 4 Verdoken meerwinsten moeten worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven, tenzij de belastingplichtige aantoont dat de gedane uitgaven beantwoorden aan artikel 49 WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Tekst van de conclusie F.23.0046.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE:
- Situering
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres een broodjeszaak was waarbij naar aanleiding van een fiscale controle is vastgesteld dat ze verdoken meerwinsten heeft gerealiseerd en daarop afzonderlijk werd belast in toepassing van artikel 219 WIB
- De fiscale administratie heeft de meerwinsten ook belast als verworpen uitgaven overeenkomstig artikel 197 WIB92 omdat ze het vermogen van de vennootschap hadden verlaten onder de vorm van een impliciete kost, die niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 49 WIB
- Zowel de eerste rechter als het bestreden arrest oordelen dat de administratie de verdoken meerwinsten niet (tegelijk) kan belasten als verworpen uitgaven. Het enig middel van de eiser komt op tegen die beslissing. Samengevat houdt het cassatieberoep de vraag in of naast de ‘afzonderlijke’ belasting van verdoken meerwinsten, deze ook als een verworpen uitgave kunnen worden belast in de ‘gewone’ vennootschapsbelasting.
- Cassatiearresten van 12 september 2024
- Deze bespreking zou zich ertoe kunnen beperken te verwijzen naar twee arresten van 12 september 2024 waarin het Hof duidelijk stelt dat uit de samenlezing van de artikelen 49 en 219, WIB92 volgt dat, aangezien de verdoken meerwinsten niet tot de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap behoren, zij vastgestelde en effectieve kosten vormen, waarvan de aftrekbaarheid onderworpen is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB
- De appelrechters die het bestaan van verdoken meerwinsten erkennen, maar van oordeel zijn dat (vrije vertaling) “afgezien van de afzonderlijke aanslag, geen enkele wettelijke bepaling bepaalt dat de verdoken meerwinsten als verworpen uitgaven moeten worden opgenomen in de belastbare grondslag tegen het normale tarief van de vennootschapsbelasting, en dus een tweede keer worden belast”, en dat verweerder “geen enkele aftrek van de betrokken verdoken meerwinsten op zijn belastbare grondslag heeft geclaimd, zodat een verwerping ervan ondenkbaar is”, schendt het voornoemde wettelijke bepalingen
(1).
- De motivering van deze overweging komt ook duidelijk in het voornoemde arrest tot uiting: de afzonderlijke aanslag compenseert de verloren gegane belasting bij de begunstigde, waardoor de perceptie van een dubbele belasting niet correct is wanneer de verdoken meerwinsten die (per definitie) het vermogen van de vennootschap/verstrekker heeft verlaten, in hoofde van die vennootschap wordt aangemerkt als een verworpen uitgave (in de gewone aanslag) omdat niet wordt aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 (waarbij niets belet dat de verstrekker dat bewijs kan voorleggen om die belasting te voorkomen). Het Hof zegt ook duidelijk dat het niet noodzakelijk is dat de belastingplichtige eerst een aanspraak moet maken op een beroepskost alvorens een uitgave als verworpen uitgave kan worden aangemerkt.
- Gelet op deze recente arresten van het Hof, zou deze conclusie zich kunnen beperken tot het adviseren van een cassatie omdat de appelrechters die oordelen dat de verdoken meerwinsten geen niet-aftrekbare beroepskost zijn, hetzij omdat het niet gaat om een kost waarvan de aftrek wordt gevraagd, hetzij omdat niet is voldaan aan de definitie van verworpen uitgave zoals bepaald in artikel 74, tweede lid, 2° KB/WIB92, hun beslissing niet naar recht verantwoorden.
- Volledigheidshalve wordt deze problematiek hierna toegelicht door middel van de historiek en de doelstelling van de toepasselijke bepalingen (artikel 219 WIB92 en artikel 197 KB/WIB92).
- Verdoken meerwinsten in de verworpen uitgaven? 3.1 Inleiding
- Deze bespreking steunt in belangrijke mate op de conclusie van advocaat-generaal INGHELS bij één van de voornoemde arresten van 12 september 2024, waarin ze een wetshistorisch overzicht geeft van de afzonderlijke aanslag zoals bedoeld in artikel 219 WIB92
(2). 8. De oorsprong van de afzonderlijke aanslag is te vinden in de Wet van 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van belastingen.
(3)Die wet voorzag in artikel 4 een vervangende forfaitaire belasting in hoofde van de door een vennootschap niet-bewezen uitgave. Deze bepaling werd met de afschaffing van het cedulair belastingstelsel vervangen door artikel 35, §4, van de wet van 20 november 1962. De nieuwe tekst voert een bijzondere aanslag in de vennootschapsbelasting in van 20% van de niet-bewezen lasten. Het is artikel 43 van de Wet van 25 juni 1973 dat voor het eerst stelt dat een bijzondere en aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd wordt op de niet bewezen sommen van de artikelen 47 en 101 WIB(oud). Zoals door het Grondwettelijk Hof bevestigd
(4), was de wetgever bij de wet van 25 juni 1973
(5)(en nog steeds heel) duidelijk over de doelstelling van de afzonderlijke aanslag, namelijk een compensatie voor de belasting die verloren is gegaan bij de onbekende begunstigde van de ‘geheime commissielonen’
(6). De wetgever herhaalt die doelstelling ter gelegenheid van een wetswijziging in 1988
(7). Deze doelstelling komt ook tot uiting in de vele analyses doorheen decennia die uitwijzen dat de zowel de administratie als de meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer aannemen dat afzonderlijke aanslag kan worden vermeden indien de begunstigde tijdig werd bekendgemaakt of kan worden belast
(8), wat de wetgever in verschillende fases heeft doorgevoerd in artikel 219 WIB92. De vele wetswijzigingen van artikel 219 WIB92 komen neer op een evolutie en shift van een eerder strikt formalisme van het ontbreken van fiches
(9)naar het ontbreken van de identiteit en mogelijke belasting van de onbekende genieter
(10). Ook die shift bevestigt het doel van de afzonderlijke aanslag als belasting van de onbekende genieter, die dus kan worden vermeden indien de genieter kan worden belast. De bedoeling om via een afzonderlijke aanslag de belasting te compenseren die niet bij de ongekende begunstigde kon worden belast, laat evenwel in beginsel de fiscale behandeling onverlet van de uitgave bij de verstrekker. Uit de voormelde voorbereidende werken in 1988 blijkt dat de wetgever uitging van een correlatie tussen enerzijds de aftrekbaarheid van de uitgave bij de verstrekker en anderzijds de afzonderlijke belasting bij de ongekende genieter. Later kwam de wetgever terug op die aftrekbaarheid bij de verstrekker omdat de berekeningen uitwezen dat het fiscaal interessanter was om eerder ‘geheime’ dan officiële commissielonen uit te keren (zie verder). 9. Uit de benaming “afzonderlijke aanslag” zelf en de positie ervan in het WIB92, blijkt dat deze aanslag ook verschuldigd is zelfs indien bijvoorbeeld bij afwezigheid van belastbare winst geen gewone aanslag in de vennootschapsbelasting wordt gevestigd. De afzonderlijke aanslag staat derhalve los van de gewone aanslag in de vennootschapsbelasting. 10. De zogenaamde bijzondere aanslag geheime commissielonen werd met artikel 21 van de Wet van 4 mei 1999 houdende diverse fiscale bepalingen uitgebreid naar de zogenaamde “verdoken meerwinsten”
(11). Reeds voordien voorzag de administratie op grond van bepaalde rechtspraak in de administratieve commentaar de toepassing van de afzonderlijke aanslag op “verborgen winsten”, waarmee alle vastgestelde niet-aangegeven winsten werden bedoeld
(12). Bepaalde rechtspraak beschouwde het administratief standpunt als een cascade van vermoedens omdat
(1)naast het vermoedensbewijs van verdoken inkomsten vervolgens werd vermoed dat
(2)die het vermogen van de vennootschap hadden verlaten en
(3)in de vorm zoals bedoeld in artikel 47 oud WIB
(13). Dit drievoudig bewijs kon veelal door de administratie niet worden geleverd. Sinds de wet van 4 mei 1999 rust op de administratie niet meer de bewijslast dat verdoken meerwinsten werden aangewend om kosten als bedoeld in artikel 57 WIB92 te dragen
(14), zoals door het Hof bevestigd bij arrest van 13 februari 2014
(15). 11. Bij arrest van 20 februari 2014 heeft het Hof toegelicht wat dient te worden verstaan onder het begrip “verdoken meerwinst”. Het Hof heeft een extensieve interpretatie aangenomen en geoordeeld dat onder meer ook fictieve facturen verdoken meerwinsten kunnen zijn, dus niet enkel zwarte omzet
(16). Terecht merkt advocaat-generaal THIJS op dat hieruit niet volgt dat alle verworpen uitgaven voortaan (steeds) verdoken meerwinsten zijn
(17). Anderzijds, en dit betreft de kern van de huidige rechtsvraag, hebben verdoken meerwinsten per definitie het vermogen van de vennootschap verlaten en zijn daarom aan te merken als uitgaven
(18)die niet aftrekbaar zijn tenzij voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 (zie verder). Het Hof heeft die rechtspraak bevestigd in zijn arresten van 26 maart 2015
(19)en 26 november 2015
(20). Die extensieve interpretatie van verdoken meerwinsten werd door artikel 30 van de programmawet van 19 december 2014 teruggedraaid door uitdrukkelijk in de nieuwe alinea 5 van artikel 219 WIB92 te voorzien dat verdoken meerwinsten enkel nog aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen “in het geval zij niet het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten”. De bedoeling was om het begrip verdoken meerwinsten (de facto) te beperken tot zwarte inkomsten. Hoewel de indruk ontstaat dat hiermee winst (de zwarte omzet) afzonderlijk wordt belast bij de vennootschap die die heeft gerealiseerd, heeft de afzonderlijke aanslag op verdoken meerwinsten nog steeds hetzelfde compenserend en vergoedend doel, namelijk de belasting die niet kon geheven worden bij de onbekende bestemmeling ervan aangezien de meerwinsten het vermogen van de vennootschap hebben verlaten. 12. De programmawet van 19 december 2014 wijzigde ook artikel 197 WIB92. Vooreerst moet worden opgemerkt dat deze wijziging van artikel 197 WIB92 toepasselijk werd verklaard op alle geschillen die nog niet definitief zijn afgesloten, dus toepasselijk is in de huidige zaak (met betrekking tot de aanslagjaren 2012 en 2013)
(21). Aangezien artikel 219, al. 5, WIB92, bepaalt dat verdoken meerwinsten niet meer kunnen bestaan in de verwerping van beroepskosten, achtte de wetgever de vermelding in artikel 197 WIB92 dat verdoken meerwinsten beroepskosten zijn overbodig
(22). De wetgever beging hier een vergetelheid omdat verdoken meerwinsten (in zijn restrictieve interpretatie) slaan op zwarte omzet die de vennootschap heeft verlaten (onder de vorm van zwarte lonen). Koen JANSSENS merkt terecht op dat die schrapping op zich niet de a contrario-redenering verantwoordt dat zwarte omzet geen beroepskost meer kan zijn
(23). Die schrapping was eigenlijk niet nodig en geeft enkel aanleiding gegeven tot verwarring want veel belangrijker voor de oplossing van dit geschil is de toevoeging aan de aanvang van het hier toepasselijk artikel 197 WIB92 van de woorden “Onverminderd de toepassing van de artikelen 49, 53, 24°, en 198, § 1, 10°”. Daarmee maakt de wetgever duidelijk dat bij toepassing van de afzonderlijke aanslag, de uitgave in hoofde van de uitkerende vennootschap onderworpen is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92, bij gebreke waarvan het een niet aftrekbare uitgave betreft, belastbaar in de gewone vennootschapsbelasting. De verantwoording van die regel is duidelijk: als een zwart loon gewoon aftrekbaar zou zijn, zou het fiscaal voordeliger uitvallen om de regels niet te volgen
(24). De aanslag geheime commissielonen, aan een tarief van 100 %, zou immers niet opwegen tegen de uitgespaarde personenbelasting op het ‘zwarte loon’, die 115 % van het nettoloon bedraagt (aan een PB-tarief van 53,5 % incl. gemeentebelasting). Daarom is het verwerpen van de aftrek nodig
(25). De schrapping van het woord “verdoken meerwinsten” in artikel 197 WIB92 leidde tot, anders dan door de wetgever was bedoeld, de volgende a contrario-redenering: door die schrapping in artikel 197 WIB92 gelden de voorwaarden van artikel 49 WIB92 niet voor verdoken meerwinsten en is er geen rechtsgrond om deze als een kost aan te merken. Net zoals de appelrechters maakten ook andere rechters de overweging dat verdoken meerwinsten geen (geboekte) kosten zijn en daarom niet kan worden verworpen
(26). De geschetste wetsgeschiedenis van de artikelen 197 en 219 WIB92 wijzen uit dat de afzonderlijke aanslag (nog) steeds een vergoedend en compenserend karakter heeft, die los staat van de fiscale behandeling van de uitgave bij de uitkerende vennootschap. Die vennootschap kan aantonen dat de verdoken meerwinsten zich nog in haar vermogen bevindt of de uitgave een beroepskost was, behoudens waarvan de verdoken meerwinsten (per definitie door de wet) geacht worden het vermogen te hebben verlaten in de vorm zoals bedoeld in artikel 57 WIB92 waardoor het een niet aftrekbare uitgave is. 13. Uit de samenlezing en de wetsgeschiedenis van de artikelen 197 en 219 WIB92 en uit de arresten van het Hof van 12 september 2024 volgt dat de appelrechters die oordelen dat de verdoken meerwinsten geen niet-aftrekbare beroepskost zijn, hetzij omdat het niet gaat om een kost waarvan de aftrek wordt gevraagd, hetzij omdat niet is voldaan aan de definitie van verworpen uitgave zoals bepaald in artikel 74, tweede lid, 2° KB/WIB92, hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Besluit: cassatie __________________________________
(1)Cass. 12 september 2024 AR F.22.0141.F-.22.0175.F, AC 2024, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240912.1F.5 en Cass. 12 september 2024, AR F.22.0129.F, AC 2024, nr. 576, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240912.1F.4, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal B. INGHELS, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240912.1F.4.
(2)Concl. van advocaat-generaal B. INGHELS bij Cass. 12 september 2024, AR F.22.0129.F, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240912.1F.4.
(3)BS 20 augustus 1938
(4)Gwh. 11 januari 2007, nr 3/2007, pt. B.4.2, ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.003.
(5)Wet van 25 juni 1973 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen met betrekking tot, inzonderheid, de belastingheffing over meerwaarden, de grondslag en de berekening van de vennootschapsbelasting en de belasting der niet-verblijfhouders, zomede tot de beteugeling van sommige vormen van belastingontduiking en -ontwijking, B.S., 6 juli 1973, 8063. Door deze wet werd de meldingsplicht van artikel 47, § 1 WIB64 aan specifieke vorm- en termijnvoorwaarden werd onderworpen, die door de Wet van 8 augustus 1980 werden verscherpt (door te voorzien dat het indienen van de individuele fiches en samenvattende opgaven dient te geschieden “in de door de Koning bepaalde vormen en termijnen”).
(6)Parl.St. Kamer, 1972-1973, DOC 572/7, 39: “De niet-naleving van de wettelijke voorschriften wordt bestraft met een bijzondere heffing ter compensatie van het verlies van de belasting die niet van de verkrijgers kan worden gevorderd.”.
(7)Wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, BS 16 december 1988, 17312; Parl. St. Senaat, 1988, DOC 47-440/2, 130-131: “De bijzondere aanslag (…) wordt geacht de belasting te vertegenwoordigen die zou verschuldigd zijn indien de identiteit van de genieter bekend was.”
(8)Zie o.a. P. VANHAUTE en L. DE BROE, “Verborgen winsten, liberaliteiten, niet-bewezen lasten en de bijzondere aanvullende aanslag op geheime commissielonen”, AFT 1984/6-7, o.a. 135 en 144; L. DE BROE en P. HINNEKENS, “De aanslag op geheime commissielonen. Het belasten van geheime commissielonen sedert 50 jaar”, TFR 1988/81-82, 232; DE BROECK, L., DEWYN, D., “Geheime commissielonen: een jurisprudentiële stand van zaken”, In: X., Fiscaal Praktijkboek '94-'95. Directe belastingen, 359; VANHAUTE, P., [Toepassing van de bijzondere aanslag op geheime commissielonen], AFT 1995/11, 370; A. VERBIST, “Afzonderlijke aanslag geheime commissielonen. De laatste 10 jaar revisited”, TFR 2008/349, 910.
(9)X., Circulaire bevestigt: geen aanslag geheime commissielonen op restaurantkosten, Fisc.Act. 2013/42, 11.
(10)K. JANSSENS, Nieuwe regering focust op rechtszekerheid en transparantie, Fisc. Act. 2014/34, 2; K. JANSSENS, Alleen nog aanslag geheime commissielonen als geen belasting in PB mogelijk, Fisc.Act. 2013/28, 1.
(11)BS 12 juni 1999.
(12)Com. I.B., 132/3.b); Com. IB, 92, nr. 219/2, 2; P. VANHAUTE en L. DE BROE, “Verborgen winsten, liberaliteiten, niet-bewezen lasten en de bijzondere aanvullende aanslag op geheime commissielonen”, AFT 1984/6-7, 141; Cass., 4 maart 1969, Pas., I, 1969, 596.
(13)Cass. 26 mei 1994, FJF, nr. 94/213; Antwerpen, 27 november 1995, FJF, nr. 96/40; Antwerpen, 23 maart 1993, FJF, nr. 93/187; Brussel, 21 april 1992, Fisc. Koer., 1992, 536; Brussel, 28 juni 1988, FJF, nr. 89/10; Antwerpen, 29 september 1987, FJF, nr. 89/8 en Fisc. Koer., 1988, 15 P. SPAEY, “Probleem van de toepassing van de bijzondere aanslag inzake geheime commissielonen op 'verdoken winsten'”, AFT 1996/3, 127; S. BULS, “Verdoken meerwinsten en geheime commissielonen: een vermoeden te veel”, TFR 2000/7, nr. 179, 355.
(14)Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1949/8, 41-42; nr. 1949/1, blz. 11-12.
(15)Cass. 13 februari 2014, AR F.13.0024.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140313.1, AC 2014, nr. 116, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140213.5 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140213.5.
(16)Cass. 20 februari 2014, AR F.12.0132., AC 2014, nr. 132, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140220.3, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140220.3; E. MALFAIT, “Over de draagwijdte van het begrip ‘verdoken meerwinst’”, RABG 2014/19, 1352; X, “Cassatie: verworpen kosten kunnen verdoken meerwinsten zijn”, Fisc. 2014/1379, 8; L. CASSIMON, “Verdoken meerwinsten: eindelijk duidelijkheid?”, TFR 2014/467, 726.
(17)concl. van advocaat-generaal THIJS bij Cass. 20 februari 2014, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140220.3. Bovendien voorzag de wet van 4 mei 1999 in alinea 5 van artikel 219 WIB92 dat verdoken meerwinsten slechts worden onderworpen aan de afzonderlijke aanslag indien ze niet het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten.
(18)In het voormelde arrest van 20 februari 2014 formuleert het Hof het verlaten van de verdoken meerwinst als “de omstandigheid” die de afzonderlijke aanslag toepasbaar maakt, zijnde meer bepaald in die casus de betaling van de fictieve factuur. Zie hierover L. CASSIMON, “Verdoken meerwinsten: eindelijk duidelijkheid?”, TFR 2014/467, 730.
(19)Cass. 26 maart 2015, AR F.14.0136.F, AC 2015, nr. 223, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.4.
(20)Cass. 26 november 2015, AR F.14.0186.N, AC 2015, nr. 708, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.12.
(21)Art. 40 Programmawet van 19 december 2014.
(22)Zie Parl. St. Kamer 2014-15, nr. 672/1, 9: “Artikel 28 past in artikel 197, WIB92 een verwijzing aan en schrapt de woorden “en verdoken meerwinsten”. Verdoken meerwinsten die het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten kunnen ingevolge het nieuwe artikel 219, vijfde lid, WIB 92 immers niet meer onderworpen worden aan de afzonderlijke aanslag.”
(23)K. JANSSENS, “Verdoken meerwinst moet in verworpen uitgaven komen”, Fisc. Act.2017/14, 1.
(24)Parl. St. Kamer 2014-15, nr. 672/1, 10.
(25)K. JANSSENS, “Geheime commissielonen: verdoken meerwinsten komen dan toch in verworpen uitgaven, zegt minister”, Fisc. Act.2022/22, 2-4; Vr. nr. 1047 Joris Vandenbroucke, 19 mei 2022.
(26)K. JANSSENS, “Geheime commissielonen: verdoken meerwinsten komen dan toch niet in verworpen uitgaven”, Fisc. Act 2022/14, 3; Rb. Antw. 28 februari 2022, Fisc. Act. 2022, 14/3; Luik, 4 maart 2022, 2021/RG/59, FJF 2022/6, 478, door het Hof verbroken: Cass. 12 september 2024, AR F.22.0129.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240912.1F.4. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140213.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140220.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140313.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140213.5 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140220.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150326.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240912.1F.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240912.1F.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240912.1F.4 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div