id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.2 Rolnummer: F.21.0006.N Zaak: TELENET GROUP nv contra GEMEENTE VOEREN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-01-20 Raadplegingen: 453 - laatst gezien 2026-06-18 20:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.2 Fiches 1 - 2 Bij de toetsing van een gemeentelijk belastingreglement aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel moet de rechter onderzoeken of de belastingplichtige, die de strijdigheid van de vrijstelling met dat beginsel aanvoert, in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van de belasting omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van de vrijstelling kan inroepen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Fiches 3 - 4 De belastingplichtige, ook al wordt hij niet in concreto gediscrimineerd, heeft geen belang om de wettigheid van een vrijstelling te betwisten met de argumentatie dat de onwettigheid van de vrijstelling de onwettigheid van het volledige belastingreglement tot gevolg heeft wanneer dit als een onsplitsbaar geheel dient te worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Tekst van de conclusie F.21.0006.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering
- Het geschil betreft (opnieuw) het verzet van Telenet tegen een lokale belasting, meer bepaald tegen drie aanslagen van de gemeente Voeren op masten en pylonen, die werden bevestigd in het bestreden arrest van het hof van beroep Antwerpen. Het cassatieberoep betreft één middel, onderverdeeld in vijf onderdelen die allen betrekking hebben op de schending van het gelijkheidsbeginsel.
- Bespreking 2.1 Eerste onderdeel: vindplaats van de motivering
- In het eerste onderdeel stelt de eiseres dat een verschillende fiscale behandeling vereist dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat aan de hand van de doelstelling van de belasting die moet blijken uit het dossier dat tijdens het opstellen ervan is aangelegd of kunnen worden afgeleid uit het administratief dossier aangelegd door de auteur ervan.
- Inmiddels heeft het Hof (voltallig) bij arrest van 29 februari 2024 anders geoordeeld, namelijk dat de objectieve en redelijke verantwoording voor de verschillende behandeling van de belastingplichtigen in een gemeentelijke belastingverordening ook kan worden afgeleid uit de aard en de context zelf van de gemaakte differentiatie wanneer het motief voor de verschillende behandeling zo voor de hand liggend is dat geen andere uitlegging ervoor mogelijk is en het duidelijk is dat de gemeenteraad die maatregel op grond van die reden heeft goedgekeurd
(1). In zoverre faalt het onderdeel faalt naar recht.
- De appelrechters stellen bovendien vast dat in de aanhef van het belastingverordening wordt verwezen naar het nevendoel van de belasting, namelijk het feit dat masten en pylonen de vrije open ruimte bederven en worden ervaren als landschapsverstorend en hinder meebrengend voor de plaatselijke gemeenschap. Anders dan waar het middel van uitgaat, vermeldt de belastingverordening een verantwoording waarom masten en pylonen van een bepaalde hoogte worden belast, meer bepaald omdat ze als landschapsverstorend en hinderlijk worden ervaren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.2 Tweede onderdeel
- Ook in het tweede onderdeel gaat de eiseres ervan uit dat de motivering van de ongelijke behandeling moet “blijken uit het dossier dat tijdens het opstellen ervan is aangelegd of kunnen worden afgeleid uit het administratief dossier aangelegd door de auteur ervan.”
- Om dezelfde reden zoals vermeld in het eerste onderdeel, faalt het onderdeel naar recht of kan het niet worden aangenomen. 2.3 Derde onderdeel
- Het onderdeel betoogt dat de belastingverordening het gelijkheidsbeginsel schendt omdat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat om het toepassingsgebied van de belasting te beperken op masten en pylonen met een hoogte van minimaal 20 meter, en niet andere soortelijke installaties zoals reclamepanelen, kabels, technische cabines, afvalcontainers, …
- Krachtens artikel 170, § 4, van de Grondwet beschikken de steden en gemeenten over een fiscale autonomie en weerhoudt hen in beginsel niets om zelf te bepalen waarop een lokale belasting wordt geheven
(2). De beleidsoptie om (enkel) masten en pylonen te belasten omdat deze worden ervaren als hinderlijk en landschapsverstorend kan niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Het valt niet uit te sluiten dat ook andere (hoge) constructies door de gemeente of haar inwoners als hinderlijk en landschapsverstorend worden ervaren. Het enkel belasten van masten en pylonen betreft een objectieve en redelijk te verantwoorden keuze waarbij de gemeente aannemelijk noodzakelijkerwijze de verscheidenheid aan constructies heeft opgevangen in vereenvoudigde categorieën
(3). De appelrechters oordelen dat het in de belastingverordening gemaakte onderscheid steunt op objectieve criteria waarbij de afbakening tussen belastbare en niet belastbare elementen redelijk verantwoord is, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de belasting. Ze laten verstaan dat het in redelijkheid verantwoord is dat de gemeente ervoor kan opteren de belasting niet te heffen op andere constructies die redelijk aannemelijk in een verschillende mate als hinderlijk en landschapsverstorend worden ervaren. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 2.4 Vierde onderdeel
- Het vierde onderdeel lijkt meerdere grieven te bevatten.
- In zoverre het onderdeel aanneemt dat de vrijstelling van een lokale belasting enkel en alleen kan worden ingevoerd door een wet en een belastingverordening geen wet is in de zin van deze grondwettelijke bepaling, faalt het naar recht omdat de gemeenteraad een vrijstelling (autonoom) kan bepalen voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat of kan bestaan.
(4)- Het onderdeel stelt (ook) dat de toekenning van een vrijstelling (noodzakelijk) in twee stadia moet gebeuren, namelijk dat eerst de vrijgestelde personen of situaties als belastingplichtigen of belastbare feiten zijn aangeduid en pas in een tweede stadium een vrijstelling kan worden voorzien. Het onderdeel laat na voor die stelling een rechtsgrond aan te voeren, miskent bovendien de fiscale autonomie van de gemeente en faalt naar recht. Het onderdeel lijkt een beperkende voorwaarde aan de in de Grondwet voorziene fiscale autonomie van de lokale bestuursorganen toe te voegen. Ook deze opvatting van de eiseres strijdt met de regel dat de gemeenteraad zowel het belastbaar voorwerp als de vrijstelling (autonoom) kan bepalen voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat of kan bestaan. Het onderdeel faalt naar recht. Bovendien zou de stelling van de eiseres ertoe leiden dat de lokale overheden in een keurslijf worden gedwongen, hetgeen afbreuk zou doen aan hun fiscale autonomie. Een gemeente zou dan eerst noodzakelijk alles belastbaar moeten stellen om vervolgens in ‘een tweede stadium’ het bedoelde toepassingsgebied of belastbaar voorwerp slechts te kunnen afbakenen door alles vrij te stellen wat niet wordt bedoeld. De redenering van de eiseres zou hier concreet inhouden dat de gemeente eerst alle hoge constructies belastbaar moet stellen om vervolgens ze allemaal vrij te stellen behalve de masten en pylonen omdat deze als het meest hinderlijk en landschapsverstorend worden ervaren.
- Het onderdeel voert ook aan dat de vrijstelling voor windmolens niet redelijk is verantwoord. In zoverre het onderdeel de premisse herneemt dat de verantwoording van het doel van de belasting en de vrijstelling moet blijken uit de belastingverordening of het administratief dossier, lijkt het afgeleid van het tevergeefs aangevoerd eerste onderdeel en is het niet ontvankelijk, minstens faalt het in zoverre naar recht. Het onderdeel herneemt de premisse dat de verantwoording van het doel van de belasting en de vrijstelling zou moeten blijken uit de belastingverordening of het administratief dossier. In zoverre lijkt het afgeleid van het tevergeefs aangevoerde eerste onderdeel en is het niet ontvankelijk, minstens faalt het in zoverre naar recht. De appelrechters geven te kennen en verantwoorden naar recht de beslissing dat het bevorderen van de productie van groene stroom in het kader van de in de strijd tegen de klimaatopwarming noodzakelijke energieomslag, de enig mogelijke verantwoording is die de verweerster tot het vrijstellen van de constructies voor de productie van groene stroom heeft doen beslissen.
- Het onderdeel voert ook aan dat de appelrechters, na te hebben geoordeeld dat er geen verantwoording blijkt voor de vrijstelling van openbare besturen, openbare inrichtingen en instellingen, noodzakelijk het gehele belastingreglement buiten toepassing dienden te verklaren. Het Hof oordeelde dat enkel indien de strijdige bepalingen zo onlosmakelijk zijn verbonden met de andere bepalingen van het belastingreglement, de strijdigheid leidt tot het buiten toepassing verklaren van het gehele belastingreglement
(5). In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de rechter bij de vaststelling van een onverantwoorde vrijstelling (steeds) de gehele belastingverordening buiten toepassing moet laten, faalt het naar recht. 14. De eiseres gaat hier bovendien voorbij aan de zogenaamde in concreto-toets, zoals toegelicht in het arrest van het Hof van 3 september 2015: de rechter kan een belastingverordening die in een verminderd tarief (of een vrijstelling) voorziet voor een bepaalde categorie van belastingplichtigen niet buiten toepassing laten omdat de overheid niet aantoont dat de verantwoording voor de toepassing van het verminderd tarief (of vrijstelling) niet zou kunnen van toepassing zijn op een andere categorie van belastingplichtigen die onderworpen is aan het standaardtarief, maar moet onderzoeken of de belastingplichtige, die de strijdigheid van de tariefstructuur (of vrijstelling) met het gelijkheidsbeginsel aanvoert, in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van het standaardtarief omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van het verminderd tarief kan eisen
(6). De eiseres kan zich enkel met succes beroepen op een schending van het gelijkheidsbeginsel indien ze concreet en op gelijke gronden vergelijkbaar is met de categorie die wel de gunstregeling geniet. De appelrechters oordelen niet enkel terecht dat de vrijstelling voor openbare instellingen niet onlosmakelijk verbonden is met de overige bepalingen van de belastingverordening, maar ook dat de eiseres “niet te beschouwen is als een openbaar bestuur, inrichting of instelling en dus nooit onder toepassing van de vrijstellingsbepaling kan ressorteren. Zij kan zich bijgevolg nooit op de vrijstelling beroepen en dus ook niet op een schending van het gelijkheidsbeginsel”
(7). In zoverre het onderdeel niet opkomt tegen die overweging, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. 2.5 Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat uit het arrest geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor de vrijstellingen voor enerzijds windmolens en anderzijds openbare besturen en inrichtingen. De eiseres meent dat de appelrechters een kringredenering maken door de ongelijke behandeling louter te verantwoorden op basis van de in het belastingreglement gemaakte differentiatie zelf zonder dat deze worden verantwoord.
- Zoals hoger aangegeven, oordelen de appelrechters dat het bevorderen van de productie van groene stroom in het kader van de in de strijd tegen de klimaatopwarming noodzakelijke energieomslag, de redelijke verantwoording is die de verweerster tot het vrijstellen van de constructies voor de productie van groene stroom heeft doen beslissen. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de vrijstelling voor openbare besturen en inrichtingen wordt verantwoord door de aard van de gemaakte differentiatie of voortvloeit of gedragen wordt door de context van de belastingverordening, berust het op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag.
- Zelfs indien met de appelrechters wordt aangenomen dat er geen verantwoording bestaat voor de vrijstelling voor openbare besturen en inrichtingen (quod non), verantwoorden ze naar recht de beslissing dat het gehele belastingreglement niet buiten toepassing moet worden gelaten en dat de eiseres zich dienaangaande niet op een schending van het gelijkheidsbeginsel kan beroepen omdat ze niet concreet en op gelijke gronden wordt gediscrimineerd. In zoverre het onderdeel nalaat deze overweging te bekritiseren, kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Besluit: verwerping ____________________________________
(1)Cass. 29 februari 2024, AR F.20.0138.N, AC 2024, nr. 170, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240229.1N.10, RW 2023-24, afl. 35, 1374, T.Gem. 2024/2, 125.
(2)Behoudens de door de Grondwet en wetten bepaalde uitzonderingen op grond van een regulerend mechanisme van de fiscale bevoegdheden van andere bestuurslagen en die restrictief te interpreteren zijn. Zie Gwh. 13 april 2023, nr. 65/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.065.
(3)Cass. 16 juni 2016, AR F.15.0089.N, AC 2016, nr. 408, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160616.7, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal. THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7.
(4)Zie o.a. Cass. 21 december 2023, AR F.22.0138.N, AC 2023, nr. 873, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2.
(5)Cass. 28 juni 2001, AR F.00.0024.F, AC 2001, nr. 410, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.18.
(6)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 1; Cass. 25 juni 2021, AR F.20.0024.N, arrest niet gepubliceerd, LRB, 2021 (samenvatting), afl. 3-4, 103; T. DE JONCKHEERE, “Cassatie bevestigt: belastingplichtige kan enkel schending gelijkheidsbeginsel inroepen als situatie in concreto vergelijkbaar is”, Fisc. Act., nr. 2021/26, 13.
(7)Arrest p. 12 in fine. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.18 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240229.1N.10 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div