← België

R. contra GEMEENTE DIEPENBEEK

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.3 Rolnummer: F.22.0068.N Zaak: R. contra GEMEENTE DIEPENBEEK Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-01-20 Raadplegingen: 418 - laatst gezien 2026-06-16 13:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.3 Fiche De loutere omstandigheid dat een aanslagbiljet inzake een gemeentelijke leegstandsbelasting niet de precieze omschrijving bevat van het belastbaar feit omdat werd nagelaten de eerste inventarisatiedatum in het register van de leegstand te vermelden, heeft niet de nietigheid van het aanslagbiljet tot gevolg; het volstaat dat het aanslagbiljet en de bijlage alle vermeldingen bevatten die nodig zijn om het bestaan te doen kennen van een uitvoerbare titel waartegen de belastingplichtige het door de wet bepaalde verhaal kan instellen; de veronachtzaming door het bestuur van de vermeldingen bedoeld in artikel 4, § 3, derde lid, Leegstandsdecreet wordt slechts gesanctioneerd indien de burger in wiens belang dit vormvereiste is voorgeschreven, in zijn belangen is geschaad. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Tekst van de conclusie F.22.0068.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering

  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres de eigenares is van een woning in Diepenbeek die voor het aanslagjaar 2016 werd belast in de gemeentebelasting op leegstaande woningen. Het bestreden arrest bevestigt die aanslag. De eiser komt met twee middelen op tegen dit arrest.
  2. Eerste middel: 2.1 Eerste onderdeel
  3. In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechters artikel 6, vierde lid van het gemeentelijk reglement van 8 maart 2010 hebben geschonden, namelijk door het volgende te stellen: “De administratieve akte tot vaststelling van leegstand is een cruciaal document dat in geval van niet-betwisting noodzakelijkerwijze leidt tot definitieve opname in het leegstandsregister”, terwijl de voormelde bepaling vereist dat de administratieve akte “als besluit” “de beslissing tot opname in het leegstandsregister” moet bevatten; hetgeen vereist dat de beslissing tot opname uitdrukkelijk moet blijken uit de administratieve akte (m.n. “als besluit”) en er niet impliciet uit kan worden afgeleid.
  4. In zoverre het onderdeel het Hof uitnodigt na te gaan of de kennisgeving al dan niet daadwerkelijk een ‘besluit tot opname in het leegstandsregister’ bevat, noopt het tot een onderzoek van de feiten en is het mitsdien niet ontvankelijk.
  5. Het komt mij voor dat het onderdeel kan worden begrepen als een miskenning van de bewijskracht van de kennisgeving van 27 oktober 2011, doordat de appelrechters in die kennisgeving een ‘besluit tot opname in het leegstandsregister’ lezen dat er niet in staat. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Door te oordelen dat de (geciteerde) kennisgeving de beslissing tot opname in het leegstandsregister bevat, komt het mij voor dat zij geenszins een uitlegging geven aan de kennisgeving die niet met de inhoud ervan onverenigbaar is. De bewoordingen van de kennisgeving laten immers geen twijfel bestaan over de draagwijdte en gevolgen ervan.
  6. De gebruikte bewoordingen getuigen mijns inziens zelfs van goed bestuur vanwege de eiseres door in de kennisgeving de eiseres omstandig en correct te informeren over de draagwijdte en gevolgen van de meegedeelde administratieve akte. De appelrechters die oordelen dat de kennisgeving van 27 oktober 2011 de beslissing tot opname in het leegstandsregister bevat, verantwoorden ze hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  7. Daar waar het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters niet eerst vaststellen dat de administratieve akte als besluit de beslissing tot opname in het leegstandsregister bevat, en vervolgens daarom niet konden vaststellen dat het belastbaar feit zich had voltrokken, berust het op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. 2.2 Tweede onderdeel
  8. Het tweede onderdeel voert de (reeds in het eerste onderdeel gesuggereerde) miskenning aan van de bewijskracht van de kennisgeving, namelijk doordat, zoals voormeld, de appelrechters in de kennisgeving van 27 oktober 2019 een besluit tot opname in het leegstandsregister lezen, terwijl dergelijk besluit niet in de kennisgeving te lezen zou zijn.
  9. De appelrechters geven terecht te kennen dat de kennisgeving duidelijk is en de bewoordingen ervan geen twijfel laten bestaan over de draagwijdte en gevolgen ervan. Zoals hoger aangegeven mist het onderdeel feitelijke grondslag omdat de appelrechters aan de kennisgeving geen uitlegging geven die niet met de inhoud ervan onverenigbaar is. 3 Tweede middel
  10. Het middel voert de schending aan van artikel 4, § 3 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. Volgens deze bepaling vermeldt het aanslagbiljet het belastbaar feit. De appelrechters die vaststellen dat het aanslagbiljet het belastbaar feit niet bevat maar de aanslag niet nietig verklaren en de nietigheid ervan laten afhangen van het bewijs van een belangenschade, schenden volgens de eiseres het voormelde artikel 4, § 3 van het Decreet van 30 mei
  11. De appelrechters stellen vooreerst correct vast dat het voormelde artikel 4, § 3 van het Decreet van 30 mei 2008, geen nietigheidssanctie voorziet. De in deze bepaling voorziene vermeldingen op het aanslagbiljet zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het eventueel ontbreken van een voorgeschreven vermelding op het aanslagbiljet leidt niet automatisch of noodzakelijk tot de nietigheid van de aanslag.

(1)Zelfs een verkeerde vermelding van de inventarisatiedatum op het aanslagbiljet leidt niet tot de nietigheid van de aanslag
(2). In zoverre het middel ervan uitgaat dat het ontbreken van een vermelding op het aanslagbiljet zoals voorgeschreven door artikel 4, § 3 van het decreet van 30 mei 2008, (steeds) leidt tot de nietigheid van de aanslag, faalt het naar recht.
  1. De appelrechters stellen vast dat de eiseres geen belangenschade bewijst. Door dit vervolgens (zelf) te onderzoeken en te oordelen dat de eiseres geen belangschade heeft geleden door het ontbreken van de vermelding van het belastbaar feit op het aanslagbiljet, schenden zij niet artikel 4, § 3 van het Decreet van 30 mei
  2. Ze oordelen dat er bij de eiseres geen gerede twijfel kon bestaan over het belastbaar feit en dat ze daarvan kennis kreeg via de kennisgeving van de administratieve akte tot opname in het leegstandsregister. Bij arrest van 2 september 2016 oordeelde het Hof dat het kohier regelmatig is wanneer het de gegevens vermeldt die nodig zijn om de belastingplichtige te kunnen identificeren en het bedrag van de door hem verschuldigde heffing bepaalt
(3). De appelrechters verantwoorden naar recht de beslissing dat de eiseres haar rechten van verdediging naar behoren heeft kunnen uitoefenen en deze niet werden geschonden, waardoor er geen reden is om de aanslag nietig te verklaren
(4). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 12. Dat de eiseres kennis had van de administratieve akte en opname van de woning in het leegstandregister blijkt overigens uit haar daaropvolgend verzoek tot vrijstelling. Bovendien is het belastbaar feit niet de datum van opname in het leegstandsregister, maar wel het feit dat de woning (telkens) na twaalf maanden (nog) is opgenomen in het leegstandsregister. Besluit: verwerping _________________________________
(1)Cass. 4 september 2008, AR F.06.0132.F, AC 2008, nr. 448, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080904.2; Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0078.F, AC 2003, nr. 368, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030619.15.
(2)Cass. 16 november 2017, AR F.16.0063.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.1, AC 2017, nr. 649, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.2.
(3)Cass., 2 september 2016, AR F.14.0167.N, AC 2016, nr. 449, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.3.
(4)Cass. 8 februari 2008, AR F.06.0069.F, AC 2008, nr. 98, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080208.4; Cass. 4 september 2008, AR F.06.0132.F, AC 2008, nr. 448, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080904.2. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030619.15 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080208.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080904.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.