← België

PROCUREUR-GENERAAL GENT contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 december 2024

Art. 624

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 624

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Het herstel in eer en rechten is in beginsel ondeelbaar, maar de kamer van inbeschuldigingstelling kan evenwel overeenkomstig artikel 627 Wetboek van Strafvordering beslissen dat een veroordeling tijdens de proeftijd tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van een van in artikel 627 Wetboek van Strafvordering vermelde misdrijven geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten en zij oordeelt daar onaantastbaar over

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 627

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 627

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Bij de beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag moet de kamer van inbeschuldigingstelling abstractie maken van de feiten die ten grondslag liggen aan de veroordeling die volgens de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 627 Wetboek van Strafvordering geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten, maar, met uitzondering van deze feiten moet de kamer van inbeschuldigingstelling het criterium van verbetering en goed gedrag in zijn globaliteit beoordelen en mag zich dus niet mag beperken tot de feitelijkheden die in verband kunnen worden gebracht met de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd en toegekend; dat de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt over het voldaan zijn aan het criterium verbetering en goed gedrag, laat niet toe dat zij dit criterium invult louter in functie van de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd en toegekend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de conclusie P.24.1241.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: I. De procedurele voorgaanden.
  1. De verweerder werd bij arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden met uitstel van 3 jaar en een geldboete van 100,00 euro met uitstel van 3 jaar voor 50,00 euro, uit hoofde van A. opzettelijke slagen en verwondingen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid en B. opzettelijke slagen en verwondingen. Bij vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 12 januari 2018, werd verweerder veroordeeld tot een geldboete van 200,00 euro met uitstel van 3 jaar voor 125,00 euro en verval van het recht tot het besturen van alle motorvoertuigen voor een termijn van 15 dagen, uit hoofde van alcoholintoxicatie aan het stuur.
  2. Op 10 augustus 2022 richtte verweerder een aanvraag tot herstel in eer en rechten voor de hierboven opgesomde veroordelingen aan de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Bij het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 mei 2024, werd het herstel in eer en rechten uitgesproken doch enkel voor wat betreft de veroordeling bij arrest van 28 juni 2017 van het hof van beroep te Gent. II. Het middel.
  3. Eiser voert de schending aan van artikel 624 Wetboek van Strafvordering en miskenning van de motiveringsplicht.
  4. Het herstel in eer en rechten is een procedure die er toe strekt voor de toekomst een einde te maken aan alle gevolgen van een of meerdere strafrechtelijke veroordelingen, in de persoon van de veroordeelde, wanneer de voornaamste straffen zijn uitgevoerd én de veroordeelde blijk heeft gegeven van verbetering en onberispelijk gedrag
(1). De wetgever streeft met het herstel in eer en rechten voornamelijk de maatschappelijke reïntegratie na van de veroordeelde. De figuur van het herstel in eer en rechten wordt gezien als een moreel herstel dat door de openbare macht wordt toegekend aan een veroordeelde wiens gedrag onberispelijk is geweest en bestaat bijgevolg zowel in het belang van de veroordeelde als de samenleving
(2). Het herstel in eer en rechten is gericht op de persoon van de veroordeelde. Het is de persoon die in eer en rechten wordt hersteld en niet de gerechtelijke beslissingen die tegen hem of haar werden genomen
(3). 5. Het herstel in eer en rechten is geregeld door de artikelen 621 tot 634 Wetboek van Strafvordering. Naast de algemene voorwaarden voor toekenning van herstel in eer en rechten (geen eerherstel sedert tenminste 10 jaar
(4), ondergaan van de vrijheidsstraffen en kwijting van de geldstraffen
(5), voldaan hebben aan de verplichting tot teruggave, schadevergoeding en betaling van de kosten
(6), vaste verblijfplaats tijdens de proeftijd
(7)), bepaalt artikel 624, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat het herstel in eer en rechten afhankelijk is van de dubbele vereiste dat de verzoeker die een natuurlijke persoon is gedurende de proeftijd blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag
(8). Gedurende de proeftijd mag de veroordeelde in ieder geval geen nieuwe veroordelingen hebben opgelopen, uitgezonderd deze vermeld in artikel 627 Wetboek van Strafvordering (cfr. infra)
(9). De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt onaantastbaar of de veroordeelde blijk heeft gegeven van verbetering en van goed gedrag
(10). 6. Het herstel in eer en rechten is in beginsel ondeelbaar. Het betreft noodzakelijk het geheel van de door de veroordeelde opgelopen veroordelingen. Het Hof heeft aangegeven dat een partieel herstel in eer en rechten in principe uitgesloten was, daar het belang van de veroordeelde erin bestaat een absoluut moreel herstel te horen uitspreken, hetgeen door de maatschappij slechts erkend kan worden wanneer de betrokkene tijdens de proeftijd niet hervalt in andere misdrijven
(11). De ondeelbaarheid van het eerherstel was één van de grote principes van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken
(12). Op dit principe bestaat thans echter ingevolge artikel 627 Wetboek van Strafvordering een uitzondering. Artikel 627 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de verzoeker tijdens de proeftijd veroordeeld is bij eenvoudige schuldigverklaring, hij het voorwerp is geweest van een beslissing waarbij de opschorting van de uitspraak van veroordeling wordt gelast of is veroordeeld tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van één van de in artikel 627 Wetboek van Strafvordering vermelde misdrijven, de kamer van inbeschuldigingstelling kan beslissen dat deze veroordelingen geen beletsel vormen voor de toekenning van het herstel in eer en rechten. Het Hof oordeelde dienaangaande in een arrest van 25 februari 2014 dat het herstel in eer en rechten in beginsel ondeelbaar is en enkel veroordelingen, bedoeld in artikel 627 Wetboek van Strafvordering, gepleegd tijdens de proefperiode bedoeld in artikel 625 Wetboek van Strafvordering, waarvan het hof van beroep kan beslissen dat ze geen beletsel vormen voor de toekenning van het eerherstel, kunnen worden uitgesloten van het herstel in eer en rechten
(13). 7. Deze uitzondering op het principe van ondeelbaarheid van het herstel in eer en rechten werd voor het eerst ingevoerd bij wet van 8 februari 1954 houdende wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken
(14). Bij deze wet werd in artikel 1, 4° van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken de volgende tekst ingelast: “Niettemin, zijn geen grond van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag tot eerherstel, één of meer veroordelingen, hetzij tot politiestraffen of tot correctionele geldboeten, hetzij tot hoofdgevangenisstraffen die één maand niet te boven gaan, wegens inbreuk op de artikelen 242, 263, 283, 285, 294, lid 2, 319 tot 321, 361, 362, 419 tot 422, 519 van het Wetboek van strafrecht, alsmede op de artikelen 333 en 334 van hetzelfde Wetboek, voor zover deze laatste slaan op het geval van nalatigheid, alsook wegens iedere inbreuk op de bijzondere wetten en reglementen”. Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wetgever met deze uitbreiding de bedoeling had om een veroordeelde die tijdens de proeftijd “lichte veroordelingen” heeft opgelopen maar voor het overige van onberispelijk gedrag is, toch mogelijkheid te bieden herstel in eer en rechten aan te vragen. Uit het principe van ondeelbaarheid vloeide immers voort dat de lichtste veroordeling die werd opgelopen tijdens de proeftijd, het eerherstel in de weg stond en de veroordeelde opnieuw minstens 5 jaar (de termijn die alsdan voorzien was als proeftermijn) diende te wachten alvorens hij een verzoek tot eerherstel kon indienen, terwijl deze veroordelingen “zijn zedelijkheid niet noodzakelijk bevlekken”. Deze “lichte veroordelingen” opgelopen tijdens de proeftijd vormden voortaan geen grond van niet-ontvankelijkheid. De memorie van toelichting stelt: “Deze laatste mogen niet beschouwd worden als een terugval die het niet mogelijk maakt aan de verbetering van de veroordeelde te geloven”
(15). Tijdens de parlementaire voorbereidingen werd benadrukt dat het hof van beroep zijn “volledig recht van appreciatie” behield. Met andere woorden het kwam aan hof van beroep toe te oordelen of de veroordeelde, niettegenstaande deze “lichte veroordelingen” toch eerherstel verdient, dan wel of dit geweigerd moet worden
(16). De wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken werd opgeheven door de wet van de wet van 7 april 1964 betreffende de uitwissing van veroordelingen en het eerherstel in strafzaken
(17). Bij deze wet werden de artikelen 619 tot 634 opnieuw ingevoerd in het Wetboek van Strafvordering. De uitzondering op het principe van ondeelbaarheid zoals ingevoerd door bovengenoemde wet van 8 februari 1954, werd opgenomen in artikel 627 Wetboek van Strafvordering
(18). De wet van 7 april 1964 voerde wel een belangrijke innovatie in door toevoeging van een tweede lid aan artikel 627 Wetboek van Strafvordering. Overeenkomstig deze bepaling zal, wanneer het hof van beroep eerherstel voor de gevraagde veroordeling toestaat de andere kleinere veroordelingen uitgewist worden, voor zover de in eer herstelde binnen vijf jaar na de dagtekening van het arrest van eerherstel niet tot een criminele of correctionele straf werd veroordeeld. Deze strafuitwissing heeft de gevolgen van eerherstel
(19). Er werd op gewezen dat het hof van beroep met deze automatische schrapping terdege rekening moest houden als een appreciatie-element
(20). Artikel 627 Wetboek van Strafvordering werd opgeheven bij artikel 3 van de wet van 9 januari 1991 betreffende de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken
(21). Deze wet breidde het toepassingsgebied van de uitwissing van veroordelingen (artikel 619 Wetboek van Strafvordering) aanzienlijk uit waardoor de meeste van de veroordelingen vermeld in artikel 627 Wetboek van Strafvordering, als gevolg van deze uitbreiding, automatisch zouden uitgewist worden. De wetgever achtte klaarblijkelijk artikel 627 Wetboek van Strafvordering overbodig
(22). Ingevolge de talrijke problemen die gerezen waren naar aanleiding van de wet van 9 januari 1991, werd bij wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister
(23)opnieuw wijzigingen aangebracht aan onder andere de bepalingen betreffende de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten en werd artikel 627 Wetboek van Strafvordering opnieuw opgenomen als volgt: “Indien de verzoeker tijdens de proeftijd bedoeld in de vorige artikelen veroordeeld is tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van: De artikelen 242, 263, 283, 285, 294, 295, tweede lid, 361, 362, 419, 420, 421, 422 en 519 van het Strafwetboek; De artikelen 333 en 334 van hetzelfde Wetboek, die betrekking hebben op gevallen van nalatigheid; bijzondere wetten en verordeningen, kan het Hof beslissen dat deze veroordelingen geen beletsel vormen voor de toekenning van het herstel in eer en rechten”. 8. Uit bovenstaande blijkt mijns inziens dat de wetgever er van uitgaat dat het oplopen tijdens de proeftijd van één of meer “lichte” veroordelingen zoals bedoeld in artikel 627 Wetboek van Strafvordering niet noodzakelijk inhoudt dat de verzoeker geen blijk zou hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag. De kamer van inbeschuldigingstelling kan derhalve bij de beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag oordelen dat deze “lichte veroordeling(en)” en de onderliggende feiten die ten grondslag liggen aan die veroordeling(
  1. en)geen afbreuk doen aan de voorwaarde van verbetering en goed gedrag, zoals vereist door artikel 624 Wetboek van Strafvordering. Het loutere feit dat de verzoeker dergelijke veroordeling tijdens de proeftijd heeft opgelopen verhindert derhalve niet dat herstel in eer en rechten kan worden verleend voor de veroordeling(
  2. en)waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd. Evenwel lijkt het mij dat de kamer van inbeschuldigingstelling het criterium van verbetering en goed gedrag in zijn globaliteit moet beoordelen. Het is immers de persoon van de veroordeelde die centraal staat en deze moet tijdens de proeftijd blijk hebben gegeven van verbetering en goed gedrag. De kamer van inbeschuldigingstelling kan zich bij deze beoordeling niet beperken tot feitelijkheden die enkel in verband kunnen worden gebracht met de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt aangevraagd en toegekend. Weliswaar oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar of voldaan is aan het criterium van verbetering en goed gedrag, maar dit laat mijns inziens niet toe dat de kamer van inbeschuldigingstelling dit criterium van de verbetering en het goed gedrag invult naar gelang de opgelopen veroordelingen waarvoor het herstel in eer en rechten wordt aangevraagd en toegekend. Anders gezegd, een verzoeker die een aanvraag indient, geeft ofwel blijk van verbetering en goed gedrag of geeft hiervan geen blijk. De beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag kan niet worden opgesplitst naar gelang de opgelopen veroordelingen waarvoor het herstel in eer en rechten wordt aangevraagd, ook al zou dit ook betrekking hebben op een veroordeling zoals bedoeld in artikel 627 Wetboek van Strafvordering. Het gegeven dat dergelijke veroordeling kan worden uitgesloten, houdt mijns inziens enkel in dat met dergelijke veroordeling en de onderliggende feiten die ten grondslag liggen aan die veroordeling op zich geen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag. 9. Zoals vermeld werd bij het bestreden arrest het herstel in eer en rechten uitgesproken doch enkel voor wat betreft de veroordeling bij arrest van 28 juni 2017 van het hof van beroep te Gent, voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen. Het bestreden arrest oordeelt dat met betrekking tot deze veroordeling voldaan is aan de subjectieve en objectieve vereisten om het eerherstel toe te kennen, dat uit niets blijkt dat de verzoeker zich in de loop van de proeftijd sedert de datum van voormeld arrest opnieuw in situaties heeft gebracht waarbij hij zich liet verleiden tot feiten van fysieke geweldpleging zodat mag aangenomen worden dat hij blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag, dat de veroordeling van 12 januari 2018 van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, bij toepassing van artikel 627, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, geen beletsel vormt voor het toekennen van herstel in eer en rechten m.b.t. het arrest van 28 juni 2017 en dat de overwegingen dat de verzoeker onvoldoende blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag op het vlak van verkeersmisdrijven geen afbreuk doet aan voormelde vaststelling. Bij de beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag met betrekking tot de veroordeling door de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 12 januari 2018, oordeelde het bestreden arrest dat verzoeker tijdens de proeftermijn op het vlak van wegverkeer geen blijk heeft gegeven van goed gedrag en verbetering om reden dat hij op 14 november 2020 in het bezit is gevonden van 5 gram cannabis, dat hij op 1 mei 2022 werd geverbaliseerd wegens het besturen van een voertuig in staat van alcoholintoxicatie waarvoor hij een minnelijke schikking heeft betaald. Het bestreden arrest oordeelt aldus dat met deze feitelijke gegevens geen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vereiste van verbetering en goed gedrag betreffende het arrest van 28 juni 2017 omdat ze geen verband houden met feiten van fysieke geweldpleging. Deze beslissing lijkt mij niet naar recht verantwoord. Het middel lijkt mij in zoverre gegrond. Conclusie: ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing. ________________________________________
(1)Art. 634 Wetboek van Strafvordering; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Brussel, die Keure 2022, p. 518; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 1856; RPDB, Réhabilitation pénale, n° 5.
(2)Pasin, 1896, 111; Grondwettelijk Hof, 8 maart 2012, arrest nr. 41/2012, randnummer B.3.2.; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Brussel, die Keure 2022, p. 518; RPDB, Réhabilitation pénale, n° 10.
(3)H. BEKAERT, “La réhabilitation en matière pénale”, in Les Novelles, Procédure pénale, II.2, 1949, p. 255-256, nr. 4 ; Concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. bij Cass. 28 november 2012, AR P.12.1122.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121128.4, AC 2012, nr. 644.
(4)Art. 621, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
(5)Art. 622 Wetboek van Strafvordering.
(6)Art. 623 Wetboek van Strafvordering.
(7)Art. 624 Wetboek van Strafvordering.
(8)Ik merk op dat “verbetering” en “goed gedrag” in principe niet hetzelfde is: zie Cass. 20 juni 1966, Pas. 1966, I, 1352; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 1858. Het onderscheid heeft geen belang voor huidige problematiek.
(9)Concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. bij Cass. 28 april 2021, AR P.20.1243.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210428.2F.5, AC 2021, nr. 309.
(10)Cass. 28 februari 1978, AC 1978, 743; Cass. 20 juni 1966, Pas. 1966, I, 1352; Cass. 17 september 1962, Pas. 1963, I, 70; Cass. 4 september 1961, Pas.1962, I, 13; Cass. 13 juni 1960, Pas. 1960, I, 1175; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 1858.
(11)Cass. 14 december 1908, Pas. 1909, I, 51; RPDB, Réhabilitation pénale, n° 11; A. WINANTS, “De uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten”, RW 1991-1992, p. 1421; V. SERON, Le casier judiciaire. L’après-peine entre mémoire et oubli, Brussel, die Keure 2010, p. 141; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 1857.
(12)V. SERON, Le casier judiciaire. L’après-peine entre mémoire et oubli, Brussel, die Keure 2010, p. 141.
(13)Cass. 25 februari 2014, AR P.12.1922.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140225.7, AC 2014, nr. 149, RABG 2014, afl. 14, 952-955, met noot Y. VAN DEN BERGE.
(14)BS 18 februari 1954.
(15)Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken, Parl. St. Kamer, 1952-1953, nr. 216, p. 2; Verslag namens commissie voor de justitie over het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken en het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken, Parl. St. Kamer, 1952-1953, nr. 434, p. 2-3; Verslag namens de commissie voor de justitie over het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken, Parl. St. Kamer, 1953-1954, 45, p. 1.
(16)Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken, Parl. St. Kamer, 1952-1953, nr. 216, p. 2; Verslag van de Commissie van Justitie belast met het onderzoek van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel in strafzaken, Parl. St., Senaat, 1952-1953, nr. 450, p. 5.
(17)BS 1 mei 1954.
(18)Memorie van toelichting bij het ontwerp van wet betreffende de uitwissing van veroordelingen en het eerherstel in strafzaken, Parl. St. Senaat, nr. 38, p. 6; Verslag namens de commissie voor de justitie over het ontwerp van wet betreffende de uitwissing van veroordelingen en het eerherstel in strafzaken en het voorstel van wet tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel van de veroordeelden, Parl. St. Senaat, 1962-1963, nr. 186, p. 6.
(19)Verslag namens de commissie voor de justitie over het ontwerp van wet betreffende de uitwissing van veroordelingen en het eerherstel in strafzaken en het voorstel van wet tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel van de veroordeelden, Parl. St. Senaat, 1962-1963, nr. 186, p. 6-7; V. SERON, Le casier judiciaire. L’après-peine entre mémoire et oubli, Brussel, die Keure 2010, p. 145.
(20)Verslag namens de commissie voor de justitie over het ontwerp van wet betreffende de uitwissing van veroordelingen en het eerherstel in strafzaken en het voorstel van wet tot wijziging van de wet van 25 april 1896 op het eerherstel van de veroordeelden, Parl. St. Senaat, 1962-1963, nr. 186, p. 6-7.
(21)BS 5 februari 1991.
(22)Over deze wet zie : A. WINANTS, ”De uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten”, RW 1991-1992, 1413-1421.
(23)BS 24 augustus 2001. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241203.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121128.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140225.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210428.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.