← België

BELGISCHE STAAT FINANCIEN c SCORPIONS SECURITY bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.8 Rolnummer: C.20.0527.N Zaak: BELGISCHE STAAT FINANCIEN c SCORPIONS SECURITY bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2025-02-12 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-19 01:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.8 Fiches 1 - 2 Indien een overtreder door middel van verschillende handelingen, meerdere inbreuken heeft gepleegd, worden de tarieven van de administratieve boetes overeenkomstig artikel 246 van de Wet van 2 oktober 2017 samengeteld, zonder dat het totale bedrag het dubbele van het hoogste boetebedrag, van toepassing op de begane inbreuken, mag overschrijden

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 241 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 242 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 246 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 247 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 241 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 242 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 246 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 247 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Fiches 3 - 4 De rechter, bij wie een beroep tegen een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete aanhangig wordt gemaakt, mag niet met toepassing van artikel 247 van de Wet van 2 oktober 2017 slechts één enkele administratieve geldboete, met name de zwaarste, opleggen indien hij zou oordelen dat de verschillende handelingen van de overtreder de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde opzet
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 241 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 242 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 246 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 247 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 241 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 242 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 246 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 247 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Tekst van de conclusie C.20.0527.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic VROMAN: Eiseres komt op tegen het vonnis gewezen in eerste en laatste aanleg van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, gewezen op 30 april 2019. Eiseres voert één middel aan. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de straftoemeting in het kader van het beroep gericht tegen administratieve boetes opgelegd in het kader van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (verder Nieuwe Bewakingswet)
(1). In het bijzonder rijst de vraag of de rechtbank van eerste aanleg artikel 65 Strafwetboek in verband met het zogenaamd collectief of voortgezet misdrijf, naar analogie vermag toe te passen op de administratieve boetes opgelegd in het kader van voormelde wet. II. Enig middel. In het enig middel verwijt eiseres de rechtbank de artikelen 241, 242, 246, 247 en 254 van de Nieuwe Bewakingswet en de artikelen 7, 2°, 8, 1°, en 8, 3°, van het koninklijk besluit van 15 maart 2010 tot regeling van bepaalde methodes van bewaking
(2)te hebben geschonden door te oordelen dat er geen optelling dient te gebeuren van de tarieven van de drie administratieve boetes overeenkomstig artikel 246 Nieuwe Bewakingswet maar dat er toepassing moet worden gemaakt van artikel 247 Nieuwe Bewakingswet volgens hetwelk enkel de zwaarste administratieve geldboete wordt opgelegd, met een maximum van het dubbel van het hoogste boetebedrag en door aldus te overwegen dat de drie inbreuken (waarvan 1 inbreuk afgehandeld werd met een minnelijke schikking) feitelijk voortspruiten uit eenzelfde voortgezette handeling. Ten overvloede kan vooreerst gewezen worden op de rechtspraak van het Hof dat artikel 65, tweede lid, eerste zin, Strafwetboek, dat bepaalt dat wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, hij bij de straftoemeting rekening houdt met de reeds uitgesproken straffen, niet toepasselijk is bij feiten die reeds het voorwerp waren van een minnelijke schikking
(3). Het Hof stelt uitdrukkelijk dat de betaling van een door het parket aangeboden minnelijke schikking voor één misdrijf de strafvordering niet doet vervallen voor andere misdrijven die tegelijkertijd zijn vastgesteld en waarvoor geen minnelijke schikking werd aangeboden
(4). Nu uit artikel 19, § 1, 2°, Bewakingswet
(5)blijkt dat de betaling van een minnelijke schikking de procedure tot het opleggen van een administratieve procedure doet vervallen en de Bewakingswet eenzelfde gevolg bepaalt als de “gewone” minnelijke schikking (of beter VSBG: Verval van de strafvordering door betaling van een geldsom) als bedoeld in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering, geldt naar analogie ook de zonet vermelde rechtspraak van het Hof. Zelfs in het onmogelijke geval (zie verder) waarin artikel 65, tweede lid, eerste zin, Strafwetboek toch naar analogie zou moeten worden toegepast, dan kon de rechtbank in ieder geval dit artikel niet toepassen op de situatie waarin voor één van de drie inbreuken een minnelijke schikking werd opgelegd en voor de twee andere inbreuken een procedure tot het opleggen van een administratieve boete werd opgestart. Er is echter meer. Artikel 65 Strafwetboek kan immers op geen enkele manier worden toegepast in het kader van een beroepsprocedure tegen een administratieve geldboete die werd opgelegd op basis van de Nieuwe Bewakingswet. In het kader van de Bewakingswet oordeelde het Grondwettelijk Hof immers reeds het volgende: “Artikel 19, § 5, zesde lid, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid schendt de artikelen 10 en 11 Gw niet, in zoverre het de burgerlijke rechtbank niet de mogelijkheid biedt om enkel de zwaarste geldboete uit te spreken voor overtredingen die ‘de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet’ zijn, terwijl, met betrekking tot strafrechtelijke inbreuken, artikel 65 van het Strafwetboek voorziet in een opslorping van de lichtere strafrechtelijke geldboeten door de zwaarste geldboete die voor één van de onderscheiden inbreuken kan worden opgelegd. De toepassing door de burgerlijke rechter van een opslorpingsregel analoog aan die waarin artikel 65 van het Strafwetboek voorziet, zou niet verenigbaar zijn met het sanctiesysteem van artikel 19, § 1, van de wet van 10 april 1990. Zij zou ertoe leiden dat bij systematische en herhaalde overtredingen slechts één boete, met betrekking tot de zwaarste overtreding, zou kunnen worden opgelegd. Een dergelijke maatregel zou niet het ontradende effect hebben dat de wetgever met de in het geding zijnde administratieve geldboeten wou en kon beogen”
(6). Nu de Nieuwe Bewakingswet het sanctiesysteem uit de Bewakingswet volledig herneemt
(7), is deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof nog steeds relevant en actueel. Deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geldt ten andere ook nog in andere rechtsdomeinen
(8). De Nieuwe Bewakingswet laat met andere woorden nog steeds niet toe om met toepassing van artikel 247 Nieuwe Bewakingswet, slechts één enkele administratieve geldboete, nl. de zwaarste, op te leggen wanneer hij van oordeel zou zijn dat de verschillende handelingen van de overtreder de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde opzet. Artikel 241 Nieuwe Bewakingswet bepaalt dat de betaling van de minnelijke schikking binnen de termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van het voorstel tot minnelijke schikking, de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete doet vervallen en dat in elk ander geval een procedure worden aangevat tot het opleggen van een administratieve geldboete. Artikel 242 Nieuwe Bewakingswet bepaalt dat een administratieve geldboete van 100 euro tot 25 000 euro kan opgelegd worden met dien verstande dat het bedrag van de administratieve geldboete wordt vastgesteld volgens de boetevorken die gelden voor de inbreuken op de bepalingen bedoeld in de als bijlage bij deze wet gevoegde boetetabel. Artikel 246 Nieuwe Bewakingswet bepaalt dat bij samenloop van inbreuken de tarieven van de administratieve boetes worden samengeteld zonder dat het totale bedrag het dubbele van het hoogste boetebedrag, van toepassing op de begane inbreuken, mag overschrijden. Artikel 247 Nieuwe Bewakingswet bepaalt dat indien een overtreder door middel van dezelfde handeling, meerdere inbreuken heeft gepleegd, enkel de zwaarste administratieve geldboete van de onderscheiden inbreuken, van toepassing is. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een overtreder die door middel van verschillende handelingen meerdere inbreuken pleegt, de tarieven van de administratieve geldboetes worden samengeteld zonder dat het totale bedrag het dubbel van het hoogste boetebedrag, van toepassing op de begane inbreuken mag overschrijden. De rechtbank verantwoordt dan ook zijn beslissing dat de boete van 5000 euro wordt herleid tot 1000 euro, rekening houdend met het reeds betaald bedrag van 750 euro, met de vaststellingen en het oordeel onder punt 3.4., 3.9, 3.10 en 3.11 van het bestreden vonnis niet naar recht. Het middel is gegrond. Volgens artikel 252 Nieuwe Bewakingswet is enkel de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd om kennis te nemen van de betwisting bij verzoekschrift van de administratieve geldboete. Artikel 255 Nieuwe Bewakingswet bepaalt dat tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg geen hoger beroep mogelijk is. Overeenkomstig artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dient de zaak verwezen te worden naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, anders samengesteld. Conclusie: Cassatie behalve in zoverre het bestreden vonnis het beroep ontvankelijk verklaart en met verwijzing van de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, anders samengesteld. __________________________________________
(1)BS 31 oktober 2017.
(2)BS 2 april 2010. 3 Cass. 16 maart 2010, AR P.09.1520.N, AC 2010, nr. 186, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100316.5, RABG 2010/13, 866 met noot L. DELBROUCK.
(4)Zie ook Cass. 3 december 2002, AR P.02.0191.N, AC 2002, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021203.11.
(5)De minnelijke schikking in kwestie werd immers opgelegd onder de gelding van de Bewakingswet.
(6)Gwh 5 mei 2011, nr. 66/2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.066.
(7)Mvt bij het wetsontwerp tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, Kamer, 2016-17, 29 maart 2017, nr 54-2388/001, 74.
(8)Zie Gwh 18 juli 2024, nr. 86/2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086; Fisc.Act. 2024/28, 8, met noot F. DESTERBECK; Gwh 12 juni 2002, nr. 96/2002, ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.096. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021203.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100316.5 ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.096 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.066 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.