id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241213.1N.8 Rolnummer: C.20.0476.N Zaak: Erasmushogeschool Brussel contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-02-14 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-06-15 03:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.8 Fiches 1 - 2 Het hogeschoolbestuur kan bij een met reden omklede beslissing, individueel een afwijking toestaan aan een lid van het onderwijzend personeel belast met een voltijdse opdracht, dat een bepaalde activiteit uitoefent die voorkomt op een lijst bepaald door de Vlaamse Regering, die voor gevolg heeft dat diens opdracht in beginsel ambtshalve deeltijds zou worden; daartoe dient het betrokken voltijdse personeelslid een gemotiveerd verzoek te doen; het hogeschoolbestuur dient jaarlijks, na onderzoek van de beschikbaarheid van het betrokken personeelslid voor de hogeschool, een beslissing te nemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN ONDERWIJS Fiche 3 Waar het hogeschoolbestuur jaarlijks een nieuwe beslissing betreffende het gemotiveerd verzoek van het personeelslid dient te nemen, is niet bepaald dat het betrokken voltijds personeelslid jaarlijks zijn gemotiveerd verzoek moet herhalen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERWIJS Wettelijke bepalingen: Decr. 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap - 13-07-1994 - Art. 147 - 32 ELI link Pub nr 1994036049 Decr. 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap - 13-07-1994 - Art. 148 - 32 ELI link Pub nr 1994036049 Besluit van de Vlaamse regering 3 mei 1995 tot vaststelling van de lijst van andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen van een lid van het onderwijzend personeel, werkzaam in de ... - 03-05-1995 - Art. 1 Besluit van de Vlaamse regering 3 mei 1995 tot vaststelling van de lijst van andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen van een lid van het onderwijzend personeel, werkzaam in de ... - 03-05-1995 - Art. 2 Fiches 4 - 5 De omstandigheid dat het hogeschoolbestuur op grond van haar discretionaire bevoegdheid de aanvraag tot individuele afwijking had mogen weigeren, belet niet dat de appelrechters vaststellen dat de eiseres de aanvraag tot individuele afwijking niet zou hebben geweigerd en op die grond vaststellen dat de schade zich met zekerheid niet zou hebben voorgedaan zoals ze concreet is ontstaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERWIJS AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Tekst van de conclusie C.20.0476.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: Wat betreft het eerste onderdeel meen ik dat het niet tegenstrijdig is enerzijds te oordelen dat de verweerder niet kan worden verweten dat hij niet jaarlijks om een individuele afwijking heeft verzocht en anderzijds te oordelen dat hij bovendien jaarlijks ‘de facto’ een afwijkingsverzoek heeft ingediend via het ‘formulier van meldingsplicht’. Ook de in het tweede onderdeel aangevoerde tegenstrijdigheid mist feitelijke grondslag. Het is niet tegenstrijdig om enerzijds te oordelen dat in 1995-1996 een algemene beleidsbeslissing was genomen om geen individuele afwijkingen toe te staan om de cumulatieregels, en anderzijds te oordelen dat indien de aanvraag individueel zou zijn beoordeeld, uit de beslissingspraktijk in de jaren 2007-2014 van de eiseres blijkt dat deze zou zijn toegekend. Het in het derde onderdeel aangevoerde motiveringsgebrek kan mijns inziens niet worden aangenomen. Na te hebben geoordeeld dat de verweerder ‘de facto’ jaarlijks via het ‘formulier van meldingsplicht’ om een afwijking heeft verzocht, dienden de appelrechters niet meer te antwoorden op het verweer in het kader van de omvang van de schade dat de verweerder enkel voor het academiejaar ‘95-96’ om een afwijking heeft gevraagd. De in het vierde onderdeel aangevoerde dubbelzinnige redengeving mist feitelijke grondslag. De in het arrest weergegeven redengevingen laat er geen twijfel over bestaan dat de het causaal verband tussen de fout en de schade is aangetoond voor de periode tussen 1 september 1995 en 31 december 2009. Het arrest oordeelt mijns inziens duidelijk dat de fout van de eiseres erin bestaat een algemene beslissing te hebben genomen om geen individuele afwijkingen toe te staan, de aanvraag tot afwijking van de verweerder niet op individuele wijze te hebben onderzocht en een inbreuk te plegen op de decretaal en reglementair voorziene afwijkingsmogelijkheden. Het beide subonderdelen van het vijfde onderdeel gaat er eveneens van uit dat het arrest geen fout bewezen acht met betrekking tot de academiejaren 96-97 en volgende. De subonderdelen berust op een verkeerde lezing en missen feitelijke grondslag, zoals ook verder zal blijken in het zevende onderdeel. De toepasselijke bepalingen van het Hogescholendecreet en in het bijzonder artikel 2 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 voorzien dat het hogeschoolbestuur jaarlijks een individueel gemotiveerde beslissing moet nemen waarmee het een afwijking van de cumulatieregeling kan toestaan, maar niet dat het betrokken personeelslid daartoe noodzakelijk jaarlijks een welbepaald verzoek moet indienen. De andersluidende opvatting waarvan het zesde onderdeel uitgaat, faalt naar recht. Zoals reeds aangehaald, oordelen de appelrechters dat de fout van de eiseres erin bestaat een algemene beslissing te hebben genomen om geen individuele afwijkingen toe te staan, de aanvraag tot afwijking van de verweerder niet op individuele wijze te hebben onderzocht en een inbreuk te plegen op de decretaal en reglementair voorziene afwijkingsmogelijkheden. Daar waar het zevende onderdeel aanneemt dat de fout enkel erin bestaat het verzoek tot afwijking op een niet individuele gemotiveerde wijze te hebben afgewezen, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag. Zelfs al beschikt het hogeschoolbestuur over een discretionaire bevoegdheid inzake afwijkingen van de cumulregeling, belet dit niet de appelrechters om in het kader van een vordering tot schadevergoeding te oordelen dat het schoolbestuur zonder het maken van de voormelde fout, de afwijking wel zou hebben toegestaan en dat de schade zich aldus niet zou hebben voorgedaan zonder de fout. Het zevende onderdeel kan niet worden aangenomen. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241213.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div