id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 december 2024
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Uit de relatieve werking van het verzet op burgerlijk gebied volgt dat het gerecht dat oordeelt over het hoger beroep tegen het vonnis gewezen op het verzet van de beklaagde, de schadevergoeding waartoe de eerste rechter deze laatste bij verstek heeft veroordeeld, niet mag verzwaren behoudens wanneer de burgerlijke partij een ontvankelijk hoger beroep tegen het verstekvonnis heeft ingesteld; een eventueel incidenteel beroep van de burgerlijke partij voor de appelrechter op verzet doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 10 Om na te gaan of er een strafverzwaring is, moeten eerst de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken; indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan de eerste rechter is er geen strafverzwaring, ongeacht de in hoger beroep uitgesproken bijkomende straffen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 Een listige kunstgreep als bestanddeel van oplichting kan erin bestaan dat een aannemer de overeengekomen werken slechts gedeeltelijk uitvoert en de verdere uitvoering van die werken afhankelijk maakt van de betaling van voorschotten of bijkomende voorschotten wegens zogenaamde meerwerken, waarvan hij op voorhand weet dat hij ze niet of hoogstwaarschijnlijk niet zal uitvoeren; de rechter die vaststelt dat een aannemer bedrieglijk op die wijze handelt, kan oordelen dat die aannemer niet louter een contractuele wanprestatie pleegt, maar zich ook schuldig maakt aan oplichting
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SAMENLOOP VAN AANSPRAKELIJKHEID - Aansprakelijkheid uit en buiten overeenkomst Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.24.1076.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De relatieve werking van het verzet van de beklaagde als beperking voor de eis tot schadevergoeding bij wijze van incidenteel beroep”.
- De relatieve werking van het verzet op strafgebied.
- Eiser wordt vervolgd wegens vijf feiten van oplichting, door zich als aannemer gelden als voorschot te doen overhandigen voor renovatiewerken, zonder dat hij enige intentie had om die werken tot een goed einde te brengen. De correctionele rechtbank te Limburg, afdeling Hasselt, heeft eiser voor die feiten op 27 maart 2023 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een geldboete van 4.000 euro. Tegen deze veroordeling heeft de procureur des Konings geen hoger beroep ingesteld. Bij vonnis op verzet van 30 juni 2023 heeft de correctionele rechtbank de schuldigverklaring bevestigd en eiser veroordeeld tot lagere straffen, namelijk een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden met uitstel voor een termijn van vijf jaar en een geldboete van 2.000 euro.
- Op hoger beroep van de beklaagde (met als grief vrijspraak op strafgebied en burgerlijk gebied) en van het openbaar ministerie (met als grief strafmaat) heeft het hof van beroep te Antwerpen op 19 juni 2024, na herformulering van de telastlegging, eiser schuldig bevonden en hem een gevangenisstraf van 15 maanden met uitstel voor vijf jaar en een geldboete van 2.000 euro opgelegd, aangevuld met de bijkomende straffen van een bijzondere verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, geraamd op 35.000 euro (art. 42, 3° en 43bis Sw.), en een bestuurdersverbod voor een periode van vijf jaar (art. 1 KB nr. 22 van 24 oktober 1934).
- De bij verstek veroordeelde beklaagde heeft de garantie dat als zijn verzet ontvankelijk is en leidt tot een nieuwe beslissing op verzet, de veroordeling bij verstek teniet gaat binnen de perken van de akte van verzet (art. 187, § 4 Sv.), en de nieuwe beslissing op verzet geen zwaardere bestraffing inhoudt. Het ontvankelijk en gedaan verzet van de beklaagde kan in het slechtste geval leiden tot een bevestiging van de veroordeling bij verstek
(1). Dit beginsel, gekend als de relatieve werking van het verzet
(2), kan op strafgebied slechts worden doorbroken in geval van een tijdig en dubbel hoger beroep van het openbaar ministerie, gericht tegen de veroordeling bij verstek en het vonnis op verzet
(3). 4. Bij gebrek aan hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het verstekvonnis, kon de rechter in hoger beroep die oordeelt over het vonnis op verzet in deze zaak geen zwaardere bestraffing opleggen, zelfs niet met eenparigheid van stemmen. De vraag rijst echter wat strafverzwaring precies inhoudt. Het is vaststaande rechtspraak dat daarvoor op verzet of in hoger beroep wordt gelet op de uitgesproken hoofdstraffen, ongeacht de bijkomende straffen die zijn uitgesproken
(4). Er is bijgevolg geen strafverzwaring als de eindbeslissing een hoofdstraf vermindert en een bijkomende straf verzwaart of voor het eerst oplegt
(5). In zoverre faalt het eerste middel, gesteund op artikel 187 Sv., naar recht.
- Het bestreden arrest, gewezen op hoger beroep van eiser en het openbaar ministerie, dat de hoofdgevangenisstraf vermindert ten opzichte van het beroepen vonnis op verzet en voor het eerst bijkomende straffen oplegt (verbeurdverklaring en een bestuurdersverbod), lijkt mij op strafgebied naar recht verantwoord. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen.
- De relatieve werking van het verzet op burgerlijk gebied.
- De relatieve werking van het verzet geldt eveneens voor de burgerlijke vordering
(6). Op verzet van de beklaagde kan de rechter geen hogere schadevergoeding toekennen aan de burgerlijke partij die reeds deelnam aan de procedure, vergeleken met het verstekvonnis. De burgerlijke partij beschikt niet over een ‘incidenteel verzet’ of een ‘incidenteel beroep’ om tijdens de procedure op verzet, op initiatief van de beklaagde, een hoger bedrag te vorderen, bij conclusie of dagvaarding
(7). Is de burgerlijke partij niet tevreden met de schadevergoeding die haar is toegekend, in het vonnis dat voor de beklaagde bij verstek is gewezen, dient zij daartegen tijdig hoger beroep in te stellen, door een verklaring ter griffie (art. 203, §§ 1 en 2, Sv.). Dit hoger beroep is weliswaar zonder voorwerp als de eerste rechter op verzet van de beklaagde opnieuw uitspraak doet over de grond van de zaak, omdat daardoor het verstekvonnis vervalt (art. 187, § 4 Sv.)
(8), maar behoudt zijn waarde in de procedure in hoger beroep, met het vonnis van gedaan verzet als voorwerp. De rechter in hoger beroep kan de schadevergoeding toegekend in een veroordeling bij verstek alleen optrekken als de burgerlijke partij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen zowel dat verstekvonnis als nadien het vonnis van gedaan verzet
(9). 7. Voor de burgerlijke partij heeft het weinig zin hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis op verzet van de beklaagde dat de haar reeds toegekende schadevergoeding bevestigt. Een hoofdberoep van de burgerlijke partij tegen alleen dit vonnis op verzet (art. 203, § 1 Sv.) kan geen aanleiding geven tot een uitbreiding van haar eis, met als voorwerp een schadevergoeding boven het bedrag bepaald in het verstekvonnis
(10). De vraag rijst of deze beperking ook geldt voor het incidenteel beroep, ingesteld bij conclusie tijdens de procedure in hoger beroep op eis van de beklaagde. Op burgerlijk gebied beschikt de verweerder in hoger beroep (geïntimeerde) over een incidenteel beroep om haar eis uit te breiden, tegen de partij die zelf ontvankelijk hoger beroep tegen hem instelde, tot de sluiting der debatten (art. 203, § 4 Sv.)
(11). Het gaat om een hoger beroep dat de verwerende partij bij wijze van hoofdberoep had kunnen instellen tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering die betrekking heeft op haar tegenpartij, die eiser is in hoger beroep
(12). De feitenrechter kan het incidenteel beroep afleiden uit de omstandigheid dat de burgerlijke partij een hoger bedrag vordert dan datgene wat door de eerste rechter is toegekend
(13). 8. Het incidenteel beroep kan evenwel niet door de burgerlijke partij worden aangewend om de relatieve werking van het verzet te doorbreken
(14). Uw Hof nam reeds aan, op 22 mei 2012: “Wanneer de burgerlijke partij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen een bij verstek gewezen vonnis, kan de appelrechter, op het hoger beroep van het openbaar ministerie of de beklaagde tegen het op verzet van de beklaagde gewezen vonnis, zijn toestand op burgerrechtelijk gebied vergeleken met het op verstek gewezen vonnis niet verzwaren”
(15). Voor de toelaatbaarheid van de burgerlijke vordering die voorligt na incidenteel beroep gelden dus dezelfde beginselen als deze die gelden voor de eisen die de burgerlijke partij kan formuleren door tijdig hoofdberoep in te stellen. 9. Tegen het vonnis op verzet van de beklaagde die de beslissing bij verstek over de schadevergoeding bevestigt kan de burgerlijke partij geen zelfstandig hoger beroep instellen, met als doel een hogere schadevergoeding te bekomen
(16). Haar hoofdberoep is wel ontvankelijk als de rechter op verzet een lagere schadevergoeding uitsprak, vergeleken met het verstekvonnis. In hoger beroep kan die vergoeding in dit geval worden opgetrokken, met als bovengrens het bedrag dat in het verstekvonnis was toegekend. Deze beperking geldt ook voor het incidenteel beroep van de burgerlijke partij, dat dezelfde omvang heeft als het hoofdberoep dat zij had kunnen instellen
(17). De burgerlijke partij die geen hoger beroep heeft aangetekend tegen het voor de beklaagde bij verstek gewezen vonnis heeft weinig of geen marge om haar eis tot schadevergoeding in hoger beroep uit te breiden bij wijze van incidenteel beroep, naar aanleiding van het hoger beroep van de beklaagde tegen zijn veroordeling op verzet. Zij kan in die situatie geen schadevergoeding bekomen boven het bedrag dat haar in eerste aanleg is toegekend, gelet op het ontbreken van een incidenteel verzet en de regel dat het verzet van de beklaagde hem geen nadeel kan opleveren
(18). Het incidenteel beroep van de burgerlijke partij gesteund op alleen een vonnis op verzet is dan ook niet-ontvankelijk voor zover de gevorderde schadevergoeding hoger is dan deze waartoe de beklaagde bij verstek was veroordeeld. 10. Op burgerlijk gebied komt mij het eerste middel over artikel 187 Sv. gegrond voor, wat betreft de eis van derde verweerster, V.V.. De correctionele rechtbank te Limburg, afdeling Hasselt, heeft op 27 maart 2023 bij verstek van eiser aan derde verweerster een schadevergoeding toegekend van 8.593,06 euro, gesteund op feit A3 (vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juli 2019 en de gerechtelijke interesten tot aan de dag van de gehele betaling). Derde verweerster heeft tegen deze uitspraak, voor haar gewezen op tegenspraak, geen hoger beroep ingesteld. In het beroepen vonnis op verzet van de beklaagde, van 30 juni 2023, werd de schadevergoeding ten gunste van derde verweerster behouden voor het bedrag van 8.593,06 euro, vermeerderd met dezelfde interesten. Tegen dit vonnis stelde zij evenmin hoger beroep in. Vervolgens heeft het bestreden arrest van 19 juni 2024, op hoger beroep van de beklaagde (met een grief over de burgerlijke vordering) aan haar een schadevergoeding toegekend van 11.343,06 euro (vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juli 2019 en de gerechtelijke interesten tot aan de dag van de gehele betaling). Het hof van beroep stelde vast dat verweerster in haar beroepsbesluiten een schadevergoeding vorderde van 14.570,56 euro (vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juli 2019 en de gerechtelijke interesten tot aan de dag van de gehele betaling, st. 20, p.15-16) en heeft dit incidenteel beroep ontvankelijk verklaard (blz. 8)
(19). 11. De onwettige beslissing op burgerlijk gebied over de eis op incidenteel beroep kan naar mijn mening worden weggewerkt door een cassatie zonder verwijzing van de zaak, via de techniek van de schrapping of inkorting
(20). Er lijkt mij reden de schadevergoeding toegekend aan derde verweerster te vernietigen voor het bedrag boven 8.593,06 euro, zoals vastgesteld in de veroordeling bij verstek in eerste aanleg. Voor de schadevergoeding toegekend aan eerste en tweede verweerder lijkt mij het bestreden arrest naar recht verantwoord. Het arrest bevestigt de schadevergoeding van 14.035,06 euro die was toegekend in het vonnis van de eerste rechter bij verstek en behouden bleef in het beroepen vonnis op verzet van eiser.
- Oplichting in een contractuele relatie.
- In zijn tweede middel komt eiser op tegen de veroordeling wegens oplichting. Volgens de dagvaarding heeft eiser gelden ontvangen van vijf klanten “door voor te wenden dat hij de renovatiewerken na de betaling van een voorschot en van de meerkosten tot een goed einde zal brengen, terwijl hij van meet af aan geenszins de bedoeling had om ook maar enige tegenprestatie van waarde te leveren.” Het hof van beroep heeft de laatste zinsnede van deze telastlegging als volgt aangepast, na verwittiging van de partijen: “terwijl hij van meet af aan ofwel geenszins de bedoeling had tegenprestaties van aanvaardbare waarde in verhouding tot de gemaakte afspraken te leveren, ofwel minstens in de wetenschap was dat een onaanvaardbaar ernstig risico op niet-afdoende uitvoering van de werken bestond, waarbij dit onaanvaardbaar risico voor de klant verborgen werd gehouden” (blz. 10).
- Volgens eiser houdt een loutere tekortkoming aan een contractuele verplichting na betaling van een voorschot geen oplichting in. Gebrekkige renovatiewerken kunnen een verwezenlijking zijn van een slechte zaak, maar daarom nog geen bedrieglijke handeling zoals is vereist door artikel 496, eerste lid, Strafwetboek. Het middel verwijst naar het arrest van 3 februari 2021, waarin uw Hof aannam dat de opdrachtgever instaat voor de opvolging van bouwwerken en bedachtzaam moet zijn, zodat het innen van voorschotten door de aannemer die niet overeenstemmen met de voortgang van de werken op zich geen oplichting uitmaakt
(21). Bovendien zijn leugenachtige beloften, zelfs bij herhaling, onvoldoende om listige kunstgrepen uit te maken, in de zin van artikel 496 Sw. 14. Beoordeling. Het wanbedrijf oplichting vereist bij de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaken of gelden toe te eigenen en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, waaronder het aanwenden van listige kunstgrepen, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak of gelden (art. 496, eerste lid, Strafwetboek, in de versie van toepassing op de feiten
(2019), zoals gewijzigd door art. 16 Wet 12 juli 2023, BS 8 september 2023)
(22). Een contractuele wanprestatie kan in het concrete geval een oplichting uitmaken, als er gebruik is gemaakt van valse namen of hoedanigheden of van listige kunstgrepen, om zich bedrieglijk andermans gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen of schuldbevrijdingen toe te eigenen (thans een onrechtmatig economisch voordeel verwerven). 15. Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen en die determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak en bijgevolg in de regel de afgifte of de levering van de zaak voorafgaan
(23). Louter leugenachtige beweringen, zelfs bij herhaling, leveren geen listige kunstgrepen op, indien ze niet gepaard gaan met een enscenering, met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen
(24). De listige kunstgreep van oplichting kan erin bestaan zich zaken of gelden te laten afgeven in uitvoering van een met de afgifte samengaande bedrieglijke overeenkomst die de dader in werkelijkheid nooit wil uitvoeren
(25). 16. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bepaalde gedraging een listige kunstgreep uitmaakt in de zin van artikel 496 Strafwetboek. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(26). 17. Een strafbare listige kunstgreep kan erin bestaan dat een aannemer de overeengekomen werken slechts gedeeltelijk uitvoert en dan een voorschot eist voor meerwerken of materialen, terwijl hij op dat moment weet dat hij de beloofde prestaties of materialen niet zal leveren. In zoverre faalt het middel naar recht
(27).
- Het bestreden arrest oordeelt dat eiser een voorschot vroeg voor renovatiewerken, ingrijpende afbraakwerken uitvoerde en dan nieuwe voorschotten vroeg, zonder het project af te werken. De klanten waren genoodzaakt te betalen om terug over een bruikbare woning te kunnen beschikken. Ook de door de klant voorgeschoten materialen en grondstoffen werden nooit geleverd. Eiser had van bij het begin geenszins de bedoeling om tegenprestaties van aanvaarbare waarde te leveren in verhouding tot de gemaakte afspraken en betalingen. Minstens hield hij het onaanvaardbaar ernstig risico op onvolledige uitvoering van de werken verborgen voor de klanten, die hij onder druk bleef zetten om voorschotten te betalen. Uit het bankonderzoek blijkt overigens dat eiser met de binnenkomende betalingen een groot deel besteedde aan voor privé-aankopen (blz. 11-14).
- Ik ben van mening dat het oordeel dat eiser listige kunstgrepen heeft aangewend om met bedrieglijk opzet om gelden te ontvangen van zijn klanten naar recht is verantwoord. In zoverre kan het tweede middel, gesteund op artikel 496, eerste lid, Strafwetboek, niet kan worden aangenomen.
- Tenslotte houdt een grief die een rechterlijke beslissing verwijt uit haar vaststellingen onwettig een bepaald gevolg af te leiden nog geen motiveringsgebrek in
(28). In zoverre eiser een foute toepassing van de strafbaarstelling opvat als een schending van artikel 149 Grondwet, faalt het middel naar recht. Conclusie: Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer tot gedeeltelijke cassatie zonder verwijzing van de zaak, beperkt tot het deel van de schadevergoeding toegekend aan derde verweerster boven het bedrag bepaald in het verstekvonnis (8.593,06 euro), vermeerderd met vermelde interesten, en verwerping voor het overige. __________________________________
(1)Cass. 16 januari 2018, AR P.17.0387.N, AC 2018, nr. 30, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.3, NC 2018, 406; Cass. 4 september 2013, AR P.13.0556.F, AC 2013, nr. 419, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130904.4; Cass. 7 mei 2008, AR P.08.0141.F, AC 2008, nr. 276, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080507.5; Cass. 28 januari 1924, Pas. 1924, 174, met concl. van eerste advocaat-generaal P. LERCLERCQ. Zie A. VANDEPLAS, “Verzet in strafzaken” in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1985, 54; W. DE PAUW, “Hebben de afwezigen gelijk? Enkele bedenkingen bij de relatieve werking van de devolutieve kracht van het verzet in strafzaken” in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia 2014, 139; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, 702.
(2)Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0915.N, AC 2022, nr. 711, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.1; Cass. 3 mei 2017, AR P.17.0177.F, AC 2017, nr. 306, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.3.
(3)Cass. 22 mei 2024, AR P.23.0698.F, AC 2024, nr. 394, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240522.2F.8; Cass. 21 november 2023, AR P.23.0726.N, AC 2023, nr. 752, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.18; Cass. 26 mei 2021, AR P.20.0771.F, AC 2021, nr. 385, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210526.2F.5; Cass. 19 februari 2020, P.19.1247.F, AC 2020, nr. 144, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.2; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0641.N, AC 2015, nr. 454, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.4. Zie ook D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 177-178 en 196-197; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1442-1443; W. DE PAUW, o.c., 140; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, die Keure 2021, 1693-1694.
(4)Cass. 27 juni 2023, AR P.23.0301.N, AC 2023, nr. 482, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.33; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0915.N, AC 2022, nr. 711, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.1; Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0154.N, AC 2022, nr. 353, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.3.
(5)Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0154.N, AC 2022, nr. 353, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.3; Cass. 19 februari 2020, P.19.1247.F, AC 2020, nr. 144, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.2; Cass. 13 maart 2001, AR P.00.1760.N, AC 2001, nr. 129, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010313.15. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1426; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 499 en 571.
(6)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1431; W. DE PAUW, “Hebben de afwezigen gelijk? Enkele bedenkingen bij de relatieve werking van de devolutieve kracht van het verzet in strafzaken” in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia 2014, 140.
(7)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 1267; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1363.
(8)Over het vernietigend effect van gedaan verzet op het verstekvonnis, binnen de perken van de akte van verzet, zie M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, die Keure 2021, 1673 en 1691.
(9)Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1681.N, arrest niet gepubliceerd, RO 22, aangehaald door R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 1235; Cass. 3 december 1974, Pas. 1975, I, 365; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 178; R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1442.
(10)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1441.
(11)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1367-1368; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, die Keure 2021, 1723-1724; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA 2022, 1440.
(12)Cass. 6 juni 2017, AR P.15.0431.N, AC 2017, nr. 369, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170606.2; Cass. 7 maart 2017, AR P.15.1093.N, AC 2017, nr. 158, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.2; Cass. 2 november 2005, AR P.05.1013.F, AC 2005, nr. 557, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3, RDPC 2006, p. 115 en noot G.-F. RANERI, “Le sort de l'appel incident greffé sur l'appel principal recevable”. Over het incidenteel beroep zie ook concl. van eerste advocaat-generaal Marc DE SWAEF in de zaak Cass. 26 mei 2009, AR P.09.0032.N, AC 2009, nr. 344 (punt 4), ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.6.
(13)Cass. 8 maart 2022, AR P.21.1454.N, AC 2022, nr. 173, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.6, NC 2022, nr. 479; Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0266.F, AC 2018, nr. 561, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1.
(14)In die zin zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1363; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, die Keure 2021,1724-1725.
(15)Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1681.N, arrest niet gepubliceerd, RO 22, aangehaald door R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 1235. Zie ook Gent 23 december 2014, RW 2015-16, 464.
(16)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1441.
(17)Ph. TRAEST, “Incidenteel beroep”, in Comm. Straf, 2005, 4 “Een incidenteel beroep kan leiden tot een uitbreiding van de eis binnen dezelfde perken en onder dezelfde voorwaarden als een hoofdberoep dit vermag”; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1369: “wat de gevolgen betreft is een incidenteel beroep niet minderwaardig in vergelijking met een principaal beroep”.
(18)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1363.
(19)Het bestreden arrest heeft het gevorderde bedrag voor het luik ‘materiële schade’ van 11.820,56 euro herleid naar het oorspronkelijke bedrag van 8.593,06 euro en de vorderingen voor andere schadeposten toegekend (150 euro administratiekosten en 2.600 euro hinder).
(20)Zie hierover F. VAN VOLSEM, “Beoordeling van het cassatieberoep in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 219-223; E. FRANCIS en F. LUGENTZ, “De omvang van de cassatie : wanneer het compartimenteren van de onwettigheid een kwestie van blind rijden kan zijn”, in Het Hof van Cassatie in dialoog. Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 2024, 411 (418-419); D. VANDERMEERSCH, “De omvang van de cassatie in strafzaken”, in De cassatieberoepen, Larcier 2024, 741.
(21)Cass. 3 februari 2021, AR P.20.1008.F, AC 2021, nr. 93, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210203.2F.17.
(22)Cass. 28 maart 2023, AR P.22.1227.N, arrest niet gepubliceerd. De actuele versie van art. 496, eerste lid, Sw. bevat geen opsomming meer van zaken die het voorwerp kunnen zijn van oplichting, maar wel de voorwaarde van het voor zichzelf of voor een ander verwerven van een ‘onrechtmatig economisch voordeel’. De wetgever koos voor deze definitie, naar analogie met het misdrijf valsheid in informatica, en brengt daaronder “zowel de materiële als de immateriële goederen” (Wetsontwerp van 6 juni 2023, Parl. St. Kamer Doc 53-3408/001, p. 16, www.dekamer.be); B. SPRIET en P. WAETERINCKX, “Fraudemisdrijven- een analyse van oplichting (art. 496 SW.) en informaticabedrog (art. 504quater Sw.)”, NC 2023, 161-195.
(23)Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N, AC 2012, nr. 660, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, T. Strafr. 2013, 189 noot G. SCHOORENS; Zie alg. H. BOSLY en D. DILLENBOURG, “L’escroquerie”, in Les infractions. Vol. 1. Les infractions contre les personnes, Larcier 2016, 300-312; J. SPREUTELS, F. ROGGEN, E. ROGER France en J.P. COLLIN, Droit pénal des affaires, Larcier 2021, 660-669; M. RODRIGUEZ, “Oplichting”, in Comm. Straf. 2023, 10-13.
(24)Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0272.N, AC 2022, nr. 475, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N, AC 2020, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, met concl. OM; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N, AC 2020, nr. 59, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, NC 2020, 288, RABG 2020, 719; Cass. 11 december 2018, AR P.18.0791.N, AC 2018, nr. 702, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5, T. Strafr. 2019, 73 noot B. MEGANCK, Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1080.N, AC 2015, nr. 360, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3, RABG 2016, 26 noot V. VEREECKE; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2019, 509-510.
(25)Cass. 15 februari 2005, AR P.04.1396.N, AC 2005, nr. 91, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050215.3.
(26)Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N, AC 2012, nr. 660, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, T. Strafr. 2013, 189 noot G. SCHOORENS.
(27)Cass. 14 juni 2023, AR P.22.1347.F, AC 2023, nr. 449, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230614.2F.2, met concl. van eerste advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0272.N, AC 2022, nr. 475, RO 9, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27.
(28)Vb. Cass. 14 november 2023, AR P.23.0759.N, AC 2023, nr. 740, RO 4, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N, AC 2023, nr. 706, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, RW 2023-24, 1675. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.17 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010313.15 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050215.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080507.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130904.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170606.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180116.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210203.2F.17 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210526.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230614.2F.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.33 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.18 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240522.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div