← België

W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 december 2024

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 4 - 5 Het verzet kan maar overeenkomstig artikel 187, § 9, Wetboek van Strafvordering ongedaan worden verklaard als het op een ontvankelijk wijze, en dus onder meer tijdig, werd ingesteld

(1).
(1)ZIe concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 9 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 9 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.24.1233.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het bepalen van de aanvang van de buitengewone termijn van verzet aan de hand van de kennisgeving van het rijverbod (art. 187, § 1 Sv. en art. 40 Wegverkeerswet) en het onderscheid tussen ontvankelijk en ongedaan verzet (art. 187, § 5 en § 6 Sv.)”.

  1. Het tijdig verzet in de buitengewone termijn.
  2. Het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Limburg, afdeling Hasselt, van 20 juni 2024 bevestigt op tegenspraak en op enkel hoger beroep van eiser (beklaagde) het beroepen vonnis op verzet van de politierechtbank te Limburg, afdeling Beringen, van 21 december 2023, dat het verzet laattijdig en niet bijgevolg niet-ontvankelijk verklaart.
  3. Eiser werd bij vonnis van dezelfde politierechtbank van 27 april 2023 bij verstek veroordeeld wegens rijden spijts verval van het recht tot sturen, in staat van herhaling (A, art. 48, lid 1, 1° en lid 2 Wegverkeerswet), rijden zonder te hebben voldaan aan een opgelegd herstelonderzoek (B, art. 48, lid 1, 1° en lid 2 Wegverkeerswet) en rijden zonder geldige verzekering (C, art. 23 WAM-wet van 21 november 1989).
  4. In een tweede middel voert eiser aan dat hij pas kennis had van de opgelegde straf en de inhoud van het verstekvonnis bij de betekening van het gevangenisbriefje op 7 november 2023, en de termijn van verzet (in de buitengewone termijn) vanaf dat moment begon te lopen, waardoor zijn verzet ingesteld op 21 november 2023 tijdig en ontvankelijk was. Het bestreden vonnis heeft in strijd met art. 187, § 1, tweede lid, Sv. de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen opgevat als vertrekpunt voor de termijn van verzet, aangezien die kennisgeving geen melding maakte van de bij verstek opgelegde gevangenisstraf.
  5. Beoordeling. Artikel 187, § 5, 1° Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet onontvankelijk wordt verklaard als het, behoudens overmacht, niet overeenkomstig de wettelijke vormen en termijnen is betekend. De beklaagde aan wie de veroordeling bij verstek niet is betekend aan de persoon (art. 33 Ger.W.), of aan zijn lasthebber in geval van een gekozen woonplaats (art. 39 Ger.W.), kan ontvankelijk verzet aantekenen binnen een buitengewone termijn van 15 dagen, die aanvangt de dag na de kennisname van de betekening van die veroordeling (art. 187, § 1 Sv.). Bepalend is niet de kennisname van de datum van de verstekbeslissing of van de inhoud ervan, maar de kennisname van de betekening

(1). Op basis van de gegevens van het dossier en eventuele vermoedens oordeelt de rechter onaantastbaar op welk moment de beklaagde aan wie de verstekbeslissing niet in persoon is betekend kennis had van de betekening, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven
(2). 5. Wanneer de beklaagde bij verstek is veroordeeld tot een rijverbod, is er een bijkomende kennisgeving vereist. Artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat elk verval van het recht een motorvoertuig te besturen dat als straf is uitgesproken, ingaat de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan, waarbij zaterdagen, zondagen en feestdagen niet in deze termijn zijn begrepen. Is het rijverbod uitgesproken bij verstek, dan maakt die kennisgeving melding van de vormen en termijnen van de rechtsmiddelen die openstaan tegen die veroordeling (art. 40, vierde lid, Wegverkeerswet). Door die afzonderlijke kennisgeving weet de veroordeelde vanaf welke dag het rijverbod ingaat en het besturen van een motorvoertuig aanleiding kan geven tot een vervolging wegens rijden spijts verval van een rijverbod (art. 48 Wegverkeerswet). Bovendien kan hij door die kennisgeving de nodige stappen zetten om de veroordeling bij verstek aan te vechten
(3). 6. De kennisgeving van het rijverbod vermeldt doorgaans de dag waarop de veroordeling bij verstek is betekend aan de woonplaats van de beklaagde of, in geval van onbekende woonst, aan het openbaar ministerie (art. 35-40 Ger.W.). Uw Hof nam reeds aan dat de rechter met die informatie rekening kan houden om na te gaan of het verzet van de beklaagde aan wie de veroordeling bij verstek niet in persoon is betekend, tijdig is ingesteld
(4). 7. Het feit dat de kennisgeving over het rijverbod aan de beklaagde in persoon geen melding maakt van de opgelegde gevangenisstraf bij verstek, en die gevangenisstraf (samen met de inhoud van het verstekvonnis) is meegedeeld bij de latere overhandiging van een gevangenisbriefje, heeft naar mijn mening geen invloed op de aanvang van de buitengewone termijn van verzet. Het enige wat telt is de kennisname van de betekening van de veroordeling bij verstek en de vraag of die betekening regelmatig is. Dit laatste houdt in dat de verstekbeslissing is betekend overeenkomstig de artikelen 33-40 Ger.W. en die betekening de nodige informatie bevat over de vormen en termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden
(5). Indien de kennisgeving van het rijverbod als straf gedaan aan de beklaagde in persoon de datum vermeldt van de betekening van de veroordeling bij verstek, mag de rechter op verzet of in hoger beroep oordelen dat de buitengewone termijn van verzet loopt vanaf de dag na die kennisgeving, in geval de regelmatige betekening van de veroordeling bij verstek niet is gedaan aan de persoon van de beklaagde. Het is daarbij niet vereist dat de kennisgeving van het rijverbod overeenkomstig art. 40, lid 1, Wegverkeerswet uitdrukkelijk aangeeft dat vanaf die akte de verzetstermijn aanvangt
(6). In zoverre faalt het tweede middel naar recht.
  1. Het bestreden vonnis stelt vast dat 1°de betekening op 25 juli 2023 van de veroordeling bij verstek van 27 april 2023 aan de woonst van eiser regelmatig was, 2°eiser op 19 oktober 2023 een bericht ontving van kennisgeving van het rijverbod uitgesproken bij vermeld verstekvonnis van 27 april 2023, met de nodige informatie over rechtsmiddelen, 3°eiser het bericht over het rijverbod ondertekende, 4°in dat bericht uitdrukkelijk (bovenaan op blz. 1) was vermeld dat het verstekvonnis op 25 juli 2023 was betekend aan zijn woonst en 5°eiser geen overmacht aantoont voor het instellen van zijn verzet op 21 november
  2. Op basis van die elementen kon het bestreden vonnis m.i. wettig oordelen dat het verzet ingesteld op 21 november 2023 onontvankelijk is, omdat het is ingesteld meer dan 15 dagen na de kennisgeving van het rijverbod met informatie over de rechtsmiddelen en kennisname van de betekening van het verstekvonnis, en het niet noodzakelijk is dat eiser op dat moment ook kennis kreeg van de tenlasteleggingen en van de uitgesproken straf, of een afschrift ontving van de verstekbeslissing. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
  3. Het ongedaan verzet dat een ontvankelijk verzet inhoudt.
  4. In zijn eerste middel voert eiser aan dat de correctionele rechtbank had moeten vaststellen dat de politierechtbank het verzet ten onrechte onontvankelijk had verklaard, en vervolgens kennis had moeten nemen van de grond van de zaak. Het vonnis van de politierechtbank wijst het verzet af als niet-ontvankelijk om reden dat: “uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter zitting ..is gebleken dat eiser persoonlijk kennis heeft gekregen van de dagvaarding op 7 februari 2023, terwijl het verzet werd aangetekend bij akte van 21 november 2023 en het verzet derhalve niet werd betekend binnen de termijnen voorzien bij artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering en dan ook laattijdig voorkomt”. Had de eerste rechter beslist tot ongedaan verzet, omwille van de persoonlijke kennisname van de oorspronkelijke dagvaarding, dan hield het hoger beroep gericht tegen de beslissing op verzet in dat de rechter in hoger beroep uitspraak moest doen over de grond van de zaak, gelet op art. 187, § 9 Sv. Door de beslissing van niet-ontvankelijk verzet te bevestigen, schenden de appelrechters deze wetsbepaling.
  5. Beoordeling. De rechter in hoger beroep die vaststelt dat de eerste rechter ten onrechte het verzet niet-ontvankelijk verklaarde, vernietigt dat vonnis op verzet en doet vervolgens uitspraak ten gronde, over de aanhangig gemaakte strafvordering
(7). Voor de vaststelling van ontvankelijk of onontvankelijk verzet, ingesteld in eerste aanleg, lijkt mij de rechter in hoger beroep niet gebonden te zijn door de redenen die de eerste rechter opgaf. De rechter in hoger beroep onderzoekt zelf, op basis van concrete elementen van de zaak, of de eerste rechter het verzet niet-ontvankelijk kon verklaren, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. 12. Het middel gaat er volgens mij ten onrechte van uit dat als de eerste rechter vaststelt dat de eiser in verzet persoonlijk kennis kreeg van de oorspronkelijke dagvaarding, hij het verzet ongedaan dient te verklaren in plaats van onontvankelijk, en de rechter in hoger beroep gebonden is door deze vaststelling. De vraag of het verzet ongedaan is (art. 187, § 6 Sv.), waardoor de veroordeling bij verstek overeind blijft (art. 187, § 4 Sv.) en er bij ontvankelijk hoger beroep een debat ten gronde volgt (art. 187, § 9 Sv.), is immers pas aan de orde als het verzet ontvankelijk is. De rechter die ongedaan verzet uitspreekt geeft immers te kennen dat het verzet is ingesteld binnen de juiste termijn en conform de juiste vormvereisten, behoudens overmacht
(8).
  1. De rechter die ingevolge het hoger beroep van de beklaagde tegen een beslissing van niet-ontvankelijk verzet vaststelt dat het verzet ingesteld in de buitengewone termijn laattijdig is, dient dan ook de uitspraak van de eerste rechter te bevestigen. Dat de eerste rechter de datum van persoonlijke kennisname van de dagvaarding in zijn oordeel had betrokken, in plaats van de datum van kennisname van de betekening van het verstekvonnis (art. 187, § 1 Sv.), kan m.i. niet tot een ander besluit leiden. In zoverre faalt het eerste middel naar recht.
  2. Met eigen redenen oordeelt het bestreden vonnis dat eiser op 19 oktober 2023 kennis kreeg van de datum van de betekening van de veroordeling bij verstek, ingevolge een kennisgeving van het rijverbod uitgesproken bij verstek waarin die datum was vermeld, en dat zijn verzet in de buitengewone termijn aangetekend op 21 november 2023 laattijdig is, zonder dat er overmacht is aangetoond. Vervolgens stelt het bestreden vonnis: “Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond en het bestreden vonnis, waarin het verzet onontvankelijk werd verklaard wegens lattijdigheid wordt aldus bevestigd, zij het weliswaar uitdrukkelijk wegens andere motieven. De verwijzing door de eerste rechter naar de rechter naar de persoonlijke kennisname van de dagvaarding op 7 februari 2023 is immers niet relevant voor de beoordeling van de tijdigheid van het verzet, wel de persoonlijke kennisname van de betekening van het verstekvonnis”. Met die redenen lijkt mij het bestreden vonnis naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer tot verwerping van het cassatieberoep. _______________________________
(1)Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0770.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.18, AC 2024, nr. 500; Cass. 12 juni 2024, AR P.23.1735.F, AC 2024, nr. 447, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET, op datum in Pas.; Cass. 24 januari 2024, AR P.23.0510.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240124.2F.1, AC 2024, nr. 65; Cass. 30 mei 2023, AR P.23.0498.N, AC 2023, nr. 390, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17; Cass. 16 december 2020, AR P.20.0660.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4, AC 2020, nr. 780, met concl. van advocaat-generaal D. Vandermeersch op datum in Pas.; Cass. 11 juni 2014, AR P.14.0374.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2, AC 2014, nr. 417; Cass. 3 mei 1988, AR 1563, AC 1987-88, nr. 537; Cass. 21 oktober 1986, AR 9937, AC 1986-87, nr. 115; GwH 10 juni 2021, arrest 87/2021, B.2.2; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1419; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1669; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 1429-1430.
(2)Cass. 12 juni 2024, AR P.23.1735.F, AC 2024, nr. 447, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET, op datum in Pas.; Cass. 14 mei 2024, P.23.1032.N, AC 2024, nr. 375, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11; Cass. 13 april 2021, AR P.21.0108.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.10, AC 2021, nr. 262, T. Strafr. 2021, 374 noot J. VANDEUREN; Cass. 24 oktober 2017, AR P.17.0666.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6, AC 2017, nr. 587; Cass. 13 september 2011, AR P.11.1030.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.4, AC 2011, nr. 464; K. VEECKMANS, “Buitengewoon verzet: een adequaat rechtsmiddel?”, NC 2019, 17; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1667.
(3)Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N, AC 2024, nr. 375, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11.
(4)Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0770.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.18, AC 2024, nr. 500; Cass. 12 juni 2024, AR P.23.1735.F, AC 2024, nr. 447, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240612.2F.8.
(5)Zie o.a. Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0770.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.18, AC 2024, nr. 500; Cass. 2 januari 2024, AR P.23.1743.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.12, AC 2024, nr. 6; Cass. 28 november 2023, AR P.23.1132.N, AC 2023, nr. 784, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4; Cass. 26 november 2019, AR P.19.0556.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10, AC 2019, nr. 624; GwH 11 oktober 2018, arrest 134-2018, B.12-13, www.const-court.be. Aan de informatieplicht over rechtsmiddelen kan ook voldaan zijn door de kennisgeving van het rijverbod overeenkomstig art. 40 Wegverkeerswet, als beginpunt voor de buitengewone termijn van verzet (Cass. 3 januari 2023, AR P.22.1390.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9, AC 2003, nr. 3).
(6)Cass. 3 januari 2023, AR P.22.1390.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9, AC 2023, nr. 3.
(7)Cass. 25 juni 2024, P.24.0634.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.20, AC 2024, nr. 489; Cass. 11 januari 2022, P.21.1512.N, AC 2022, nr. 16, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.9; P. HOET, “Verstek, vertegenwoordiging en verzet bij de uitvoering van de internering (vergeleken met de strafvervolging en de strafuitvoering)”, T. Strafr. 2019, 90; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1689.
(8)Cass. 19 september 2018, AR P.18.0447.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.2, AC 2018, nr. 480; Cass. 18 november 2003, AR P.03.0937.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18, AC 2003, nr. 576; Cass. 6 juni 1995, AR P.95.0369; AC 1995, nr. 277 en RW 1995-96, 568, noot L. VAN OVERBEKE; A. VANDEPLAS, “Het verzet in strafzaken” in Strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco 1985, 51; S. VAN OVERBEKE, l.c., RW 2015-16, 1407-1408; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, o.c., 2021, 1687; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 580. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240124.2F.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240612.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.