id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 december 2024
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Indien op grond van de omschrijving in de akte van aanhangigmaking, gelezen in het licht van de gegevens die in het strafdossier aanwezig zijn of eraan worden gevoegd, niet kan worden uitgemaakt welk feit aan de rechter ter beoordeling wordt voorgelegd, dient de rechter het vervolgde feit te preciseren, na de partijen daarover te hebben gehoord en zo nodig na verduidelijking aan de partijen te hebben gevraagd; de strafvordering is slechts dan niet-ontvankelijk, wanneer geen enkele verduidelijking, precisering of heromschrijving toelaat het vervolgde feit te bepalen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 11 De rechter oordeelt onaantastbaar of een feit in de akte van aanhangigmaking, nadien zo nodig verder geduid, gepreciseerd of heromschreven, voldoende duidelijk is om het voorwerp van zijn saisine te kunnen uitmaken en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 12 - 14 De artikelen 6.1.
en 6.3.a EVRM beletten niet dat de informatie over het aan een beklaagde ten laste gelegde feit, in zoverre zij niet als dusdanig is opgenomen in de akte van aanhangigmaking, kan blijken uit de stukken van het strafdossier waarop de beschuldiging steunt of uit conclusies of bijkomende informatie van de partijen waaronder het openbaar ministerie, waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 15 - 18 Een beklaagde moet niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, enkel is vereist dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen de beschuldiging; de rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, onaantastbaar wat precies het feit is dat het voorwerp van de beschuldiging uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te verdedigen en bij die beoordeling kan de rechter ook rekening houden met de omvang van het verweer dat de beklaagde tegen de beschuldiging heeft gevoerd; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 19 - 21 Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een witgewassen vermogensvoordeel exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen en daarvoor dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van het witgewassen vermogensvoordeel toelaten; niet vereist is dat de beslissing die gegevens ook uitdrukkelijk vermeldt maar het volstaat dat de beslissing de essentiële gegevens bevat die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste straf van de verbeurdverklaring uit te oefenen; de rechter kan met het oog op een ex aequo et bono-bepaling van een witgewassen vermogensvoordeel een forfaitaire berekening aanwenden die steunt op een percentage van de door de witwastelastleggingen geviseerde geldoverdrachten, in zoverre dit wordt verantwoord door de concrete dossiergegevens
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 22 - 24 De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel en over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 25 - 26 Naargelang de hem voorgelegde gegevens kan de rechter een materiële gedraging die bestaat in de omzetting of de overdracht van een wederrechtelijk vermogensvoordeel, zoals een bankoverschrijving, kwalificeren als een verhelen of een verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van een dergelijk vermogensvoordeel in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek waardoor deze materiële gedraging, ook al is zij uit haar aard aflopend, eveneens het voorwerp gaat uitmaken van een voortdurend misdrijf; dat voortdurend misdrijf duurt zolang de overdrager de met zijn omzetting of overdracht beoogde verheling of verhulling ononderbroken laat voortduren, dit is tot zolang hij nog zeggenschap heeft over de omgezette of overgedragen zaak; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 27 - 29 Wanneer de wet voor eenzelfde feit voorziet in meerdere strafbaarstellingen, belet niets dat dit feit bij de strafrechter aanhangig wordt gemaakt onder meerdere kwalificaties, waarvan sommige een aflopend misdrijf en de andere een voortdurend misdrijf kunnen inhouden en volgend op die aanhangigmaking kan de rechter dat feit, zonder het op een ontoelaatbare wijze te ontdubbelen, onder meerdere van die kwalificaties bewezen verklaren, op grond daarvan oordelen dat het bewezen verklaarde feit eveneens het voorwerp uitmaakt van een voortdurend misdrijf waarvan hij de duur bepaalt en vervolgens toepassing maken van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek; de omstandigheid dat de akte van aanhangigmaking elke kwalificatie laat voorafgaan door het woord “hetzij”, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf DAGVAARDING STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Tekst van de conclusie P.24.0883.N Conclusies van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…) II. Het onderzoek van de middelen. II.
- De middelen van eisers I. Eerste middel van eisers I.
- De eisers voeren in het eerste onderdeel de schending aan van de artikelen 66 en 505 Strafwetboek en de artikelen 182, 202 en 211 Wetboek van Strafvordering. In het tweede onderdeel voeren eisers de schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.1 en 14.2 IVBPR en de artikelen 47.2 en 48.1 Handvest Grondrechten EU, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld in strafzaken.
- Het Handvest Grondrechten EU heeft geen algemene draagwijdte en is krachtens artikel 51.1 van het Handvest slechts van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre de schending van de voormelde bepalingen van het Handvest Grondrechten EU wordt aangevoerd, faalt het tweede onderdeel naar recht.
- Het middel heeft betrekking op de vervolging en veroordeling van de eisers voor witwashandelingen omschreven onder telastlegging F. De telastlegging F omvat vooreerst de algemene misdrijfomschrijving van de inbreuken op artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Strafwetboek, door het bestreden arrest als volgt aangepast: “F. zaken bedoeld in artikel
- 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, hetzij te hebben gekocht, te hebben geruild of om niet te hebben ontvangen, te hebben bezit, bewaard of beheerd, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, hetzij te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, hetzij de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom te hebben verheeld of verhuld, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, namelijk hierna vermelde witwasverrichtingen te hebben verricht met gelden en goederen waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is thans omschreven als zaken bedoeld in artikel 42, 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de picots ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, hetzij te kopen, ruilen, om niet te ontvangen, te bezitten, bewaren of beheren, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, hetzij om te zetten of over te dragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, hetzij de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom verhelen of verhullen, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, namelijk de hierna vermelde witwasverrichtingen te hebben verricht met gelden en goederen waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is”. Na deze algemene misdrijfomschrijving worden onder de telastleggingen F.1, F.2 t.e.m. 6, F.7, F.
- t.e.m. 33, F.39, F.64 t.e.m. F.66, F.70 t.e.m. F.72, de concrete witwashandelingen beschreven. Eiser I.
- werd schuldig verklaard aan de witwashandelingen vermeld onder: - F.1 zoals verbeterd, beperkt tot de twee leningsovereenkomsten, 45.000 euro cash, de cheque van 700.000 euro en de roze diamant, als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek; - F.2 t.e.m. 6 (zoals aangepast, waarbij F.5 vereenzelvigd wordt met F.6 zoals aangepast) en F.7 (zoals heromschreven), als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019; - F.8 als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek; - F.9 t.e.m. F.13, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019; - F.14 als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek; - F.15 t.e.m. F.32, als inbreuk op artikel 505 eerste lid 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019; - F.33 als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot de dag van de overschrijving; - F.39 en F.64 (beperkt tot 70.000 euro, zijnde de oordelen 35 t.e.m.39), als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019; - F. 66 (zoals verbeterd) als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek; - F.71 en F.72 voor de helft van de in de tenlastelegging vermelde bedragen, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.
- Eiseres I.
- werd schuldig verklaard aan de witwashandelingen vermeld onder: - F.1 zoals verbeterd, beperkt tot de twee leningsovereenkomsten, 45.000 euro cash, de cheque van 700.000 euro en de roze diamant, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 4° Strafwetboek; - F.2-6 zoals aangepast als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, waarbij F.5 vereenzelvigd wordt met F.6 zoals aangepast, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019; - F.7 (zoals heromschreven), F.29 t.e.m.32 en F.39, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen en verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019; - F.64 beperkt tot 70.000 euro, zijnde de onderdelen 35 tot en met 39, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek; - F.66 zoals verbeterd, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek; Eiseres I.3 werd eenvoudig schuldig verklaard aan de witwashandelingen vermeld onder F.71 en F.72 voor de helft van de in de tenlastelegging vermelde bedragen, als inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen of verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.
- Het eerste en tweede onderdeel richt zich in essentie tegen één overweging in het bestreden arrest op pagina 94 waarin het bestreden arrest oordeelt “Bovendien herhaalt het hof dat het volstaat dat elke legale herkomst uitgesloten is. Zoals hierna blijkt, gaat specifiek voor wat beklaagde M. (i.e. de eiser I.1) betreft, het hof er wel degelijk vanuit dat hij ook dader/mededader is aan de basismisdrijven, zodat hij niet schuldig verklaard wordt aan het eerste witwasmisdrijf”.
- Voor de schuldigverklaring aan één van de misdrijven omschreven in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek, volstaat het dat de illegale herkomst of oorsprong van de zaken, bedoeld in artikel 42, 3° Strafwetboek en die het voorwerp uitmaken van de vervolgde witwasmisdrijf, bewezen zijn, zonder dat vereist is dat de rechter het precieze tot deze voordelen strekkend misdrijf kent, op voorwaarde dat op grond van feitelijke gegevens iedere legale herkomst of oorsprong kan worden uitgesloten
(1). Anders dan voor het tweede en het derde witwasmisdrijf, kan de dader van het basismisdrijf in beginsel niet dader zijn van het eerste witwasmisdrijf, tenzij het basismisdrijf in het buitenland is gepleegd en niet in België kan worden vervolgd (artikel 505, tweede lid, Strafwetboek)
(2). Wanneer een beklaagde, naast een vervolging wegens het tweede en derde witwasmisdrijf, eveneens het eerste witwasmisdrijf te laste wordt gelegd, zal de rechter zich er mijns inziens dan ook van moeten vergewissen of de beklaagde de dader is of redelijkerwijze kan zijn van een basismisdrijf waaruit de vermogensvoordelen vloeien die het voorwerp uitmaken van de witwasverrichtingen.
- Met de in randnummer 4 vermelde overweging lijkt het bestreden arrest niet een welbepaald basismisdrijf aan te wijzen of te omschreven waaraan eiser I.1 zich schuldig zou hebben gemaakt. Evenmin verklaren de appelrechters met deze reden, noch met enige andere reden eiser I.1 schuldig aan een dergelijk misdrijf, maar onderzoeken zij enkel de strafbaarheid van de lastens eiser I.
- vervolgde witwashandelingen in zoverre deze zijn omschreven als het eerste witwasmisdrijf. Hiermee overschrijden de appelrechters hun saisine niet. Nu eiser I.
- niet schuldig wordt verklaard aan een misdrijf waarvoor hij niet is vervolgd, miskent het bestreden arrest noch het recht op een eerlijk proces, noch het vermoeden van onschuld van de eiser I.
- Het eerste en het tweede onderdeel lijken mij niet te kunnen worden aangenomen.
- (…) Tweede middel van eisers I.
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 182, 202 en 211 Wetboek van Strafvordering. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 65 Strafwetboek en artikel 1 Wet Opdeciemen Geldboeten. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet.
- Een feit kan meerdere misdrijven opleveren. Niets belet er zich dan ook tegen dat een feit bij de strafrechter aanhangig wordt gemaakt onder meerdere kwalificaties, waarvan sommige een aflopend misdrijf en de andere een voortdurend misdrijf kunnen inhouden. Zo kunnen witwashandelingen, naar gelang de voorhanden zijnde gegevens, zowel een inbreuk inhouden op artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek (tweede witwasmisdrijf) als een inbreuk op artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek (derde witwasmisdrijf). Het misdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek (tweede witwasmisdrijf) is een aflopend misdrijf, gelet op het ogenblikkelijke karakter van de erin vermelde handelingen. Het misdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek (derde witwasmisdrijf) is een voortdurend misdrijf dat ontstaat bij de handeling of de onthouding, al dan niet aflopend van aard, waarmee de dader met de vereiste kennis van zaken de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de wederrechtelijke vermogensvoordelen verheelt of verhult en dat blijft voortduren zolang de dader die elementen verheelt of verhult, dit wil zeggen zolang hij bewust de door hemzelf gecreëerde wederrechtelijke toestand ononderbroken laat voortduren, zonder dat daarvoor nog enige verdere gedraging van zijnentwege is vereist. Een typevoorbeeld van het tweede witwasmisdrijf betreft een bankoverschrijving, welk nochtans, naargelang de voorhanden zijnde gegevens, ook kan gekwalificeerd worden als het derde witwasmisdrijf
(3). Zo oordeelde het Hof dat de rechter, naargelang de hem voorgelegde gegevens, een materiële gedraging die bestaat in de overdracht van een wederrechtelijk vermogensvoordeel, zoals een bankoverschrijving, kan kwalificeren als een verhelen of een verhullen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek. Het Hof voegde hieraan toe dat daardoor deze materiële gedraging, die uit zijn aard aflopend is, niet noodzakelijk (eigen onderlijning) het voorwerp gaat uitmaken van een voortdurend misdrijf dat duurt zolang de ermee beoogde verheling of verhulling voortduurt; bepalend voor het voortduren van het misdrijf is de reële mogelijkheid voor de overdrager om na de overdracht het verhelen of verhullen nog te laten voortduren zodat van zodra de overdrager geen zeggenschap meer heeft over het overgedragen vermogensvoordeel, wat het geval kan zijn bij een overdracht aan een derde die eigenmachtig de verdere bestemming van het vermogensvoordeel bepaalt, de overdracht geen voortdurend misdrijf meer uitmaakt voor de overdrager
(4). In tegenstelling tot wat eisers lijken te suggereren, sluit het Hof met deze rechtspraak niet uit dat dergelijke materiële gedraging (i.e. een overdracht van een wederrechtelijk vermogensvoordeel), zowel het tweede witwasmisdrijf als het derde witwasmisdrijf kan opleveren en wel degelijk het voorwerp kan uitmaken van zowel een aflopend als een voortdurend misdrijf.
- Mij komt het voor dat, wanneer een feit onder meerdere kwalificaties aanhangig is gemaakt, waarvan sommige een aflopend misdrijf en andere een voortdurende misdrijf inhouden, de strafrechter dit feit, zonder het op een ontoelaatbare wijze te ontdubbelen, onder deze meerdere kwalificaties bewezen kan verklaren, en op grond daarvan oordelen dat het bewezen verklaarde feit eveneens te aanzien is als een voortdurend misdrijf en de duur ervan te bepalen. Vervolgens zal de rechter toepassing moeten maken van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek. Het feit dat in de algemene misdrijfomschrijving elke kwalificatie voorafgaat door het woord “hetzij” doet daaraan geen afbreuk. In zoverre de onderdelen zouden uitgaan van een andere rechtsopvatting lijken deze te falen naar recht.
- Zoals vermeld werden de eisers I. onder de telastleggingen F vervolgd voor witwashandelingen die vervolgens concreet werden omschreven en in tijd en ruimte werden gesitueerd. Deze feiten, uitgezonderd deze van telastlegging F.1, bestaan materieel uit geldoverdrachten van illegale vermogensvoordelen en werden gekwalificeerd als een inbreuk op zowel artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, als op artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek. De appelrechters verklaren eisers I schuldig aan deze feiten als inbreuken op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek omdat zij van oordeel zijn dat de aan de eisers I. verweten gedragingen van omzetting of overdracht van illegale vermogensvoordelen eveneens gedragingen van het verhelen of het verhullen van die vermogensvoordelen uitmaken. De appelrechters oordelen verder dat dit verhelen of verhullen voortduurt zolang de eisers I zeggenschap over die vermogensvoordelen hebben gehad, dit is tot de datum waarop zij bewust de door henzelf gecreëerde wederrechtelijke toestanden ononderbroken hebben laten voortduren. Vervolgens vult het arrest de kwalificatie van het in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde voortdurend misdrijf aan met de einddatum van 6 maart
- De appelrechters hebben zich aldus niet gelast met nieuwe feiten noch de feiten die bij hen aanhangig werden gemaakt ontdubbeld of op enige dubbelzinnige wijze gekwalificeerd. De beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kunnen onderdelen niet worden aangenomen.
- Het derde onderdeel, waarin eisers aanvoeren dat de appelrechters niet de meest gunstige strafwet hebben toegepast, lijkt mij te zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid en lijkt bijgevolg niet ontvankelijk. In het vierde onderdeel wordt verder geen duidelijke grief geformuleerd, zodat dit eveneens niet ontvankelijk lijkt. Derde middel van eisers I.
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, vijfde lid, en 211, Wetboek van Strafvordering. Dit middel heeft betrekking op het oordeel van de appelrechters dat de redelijke termijn is overschreden en het gevolg dat zij daaraan verbinden op het vlak van de straffen die zij opleggen aan eisers I.1 en I.
- Volgens eisers verwijzen de appelrechters naar een verhoogde effectieve gevangenisstraf die zij zonder overschrijding van de redelijke termijn zouden hebben opgelegd, terwijl die verhoogde straf bij gebrek aan eenparigheid niet binnen hun bereik lag en zouden de appelrechters de overschrijding van de redelijke termijn niet sanctioneren op een wijze die reëel en meetbaar is.
- Uit artikel 211bis Wetboek van Strafvordering volgt dat eenstemmigheid is vereist wanneer het gerecht in hoger beroep een zwaardere straf uitspreekt. Er is slechts strafverzwaring in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering indien het gerecht in hoger beroep de werkelijk uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken straf. Er is geen strafverzwaring indien het gerecht in hoger beroep oordeelt dat bij niet-overschrijding van de redelijke termijn een zwaardere straf zou moeten worden opgelegd dan de door de eerste rechter uitgesproken straf, maar dat ter remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een lagere of gelijke straf wordt opgelegd in vergelijking met de door eerste rechter opgelegde straf
(5). 15. De appelrechter kan een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn remediëren door de aan de beklaagde op te leggen straf op een reële en meetbare wijze te verminderen ten opzichte van de straf die hijzelf zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. De appelrechter oordeelt daarover onaantastbaar. Hij dient deze vermindering niet af te wegen ten opzichte van de door de eerste rechter opgelegde straf
(6). De rechter die voor het bewezen verklaarde feit meerdere straffen oplegt en wegens de overschrijding van de redelijke termijn een straf uitspreekt die lager is dan deze die hij zonder die overschrijding zou hebben uitgesproken, kan ofwel elk van de opgelegde straffen ofwel één of sommige van die straffen verminderen
(7). Mij lijkt het daarbij niet vereist dat de rechter die één straf vermindert zou moeten motiveren waarom hij dit niet doet voor alle of voor meerdere straffen. Dat de beslissing dit niet zou motiveren betekent evenmin dat de strafvermindering omwille van de overschrijding van de redelijke termijn niet reëel en meetbaar zou zijn. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, lijkt mij dit te falen naar recht.
- Het beroepen vonnis veroordeelde de eiser I.1 voor de vermengde feiten van de telastleggingen A, B, C, F en G, in zoverre bewezen verklaard, onder meer tot een gevangenisstraf van drie jaar, met uitstel gedurende vijf jaar voor een gedeelte van achttien maanden, alsook tot een geldboete van 3.000,00 euro, na verhoging met 50 opdeciemen gebracht op 18.000,00 euro, of een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen, met uitstel gedurende drie jaar voor een gedeelte van 1.500,00 euro, na verhoging met 50 opdeciemen gebracht op 9.000,00 euro. Het beveelt lastens die eiser eveneens de verbeurdverklaring van het voorwerp van de lastens hem bewezen witwasmisdrijven. Op het hoger beroep van de eiser I.1 en het openbaar ministerie spreekt het arrest de eiser I.1 vrij voor de enkele telastleggingen en veroordeelt het hem voor de overige bewezen gebleven telastleggingen, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, onder meer tot een gevangenisstraf van dertig maanden, met uitstel gedurende vijf jaar voor de helft, alsook tot een geldboete van 10.000,00 euro, na verhoging met 70 opdeciemen gebracht op 80.000,00 euro, of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Het beveelt lastens eiser I.
- eveneens de verbeurdverklaring van het voorwerp van de lastens hem bewezen gebleven witwasmisdrijven. Het oordeelt dat, zonder overschrijding van de redelijke termijn, aan de eiser I.1 een effectieve gevangenisstraf van 54 maanden, een geldboete, een bestuursverbod en een verbeurdverklaring zouden zijn opgelegd. Het beroepen vonnis veroordeelde de eiseres I.2 voor de vermengde feiten van de telastleggingen A, B, D, F en G, in zoverre bewezen verklaard, onder meer tot een gevangenisstraf van een jaar, met uitstel gedurende vijf jaar, alsook tot een geldboete van 1.000,00 euro, na verhoging met 50 opdeciemen gebracht op 6.000,00 €, of een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen, met uitstel gedurende drie jaar. Het beveelt lastens die eiseres eveneens de verbeurdverklaring van het voorwerp van de lastens haar bewezen witwasmisdrijven. Op het hoger beroep van de eiseres I.2 en het openbaar ministerie spreekt het arrest de eiseres I.2 vrij voor bepaalde telastleggingen en veroordeelt het haar voor de overige bewezen gebleven telastleggingen, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, onder meer tot een gevangenisstraf van elf maanden, met uitstel voor drie jaar, alsook tot een geldboete van 5.000,00 euro, na verhoging met 70 opdeciemen gebracht op 40.000 euro, of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Het beveelt lastens die eiseres eveneens de verbeurdverklaring van het voorwerp van de lastens haar bewezen gebleven witwasmisdrijven. Aldus blijkt dat de appelrechters de aan eiser I.1 en eiseres I.
- opgelegde geldboeten verhogen, maar wegens de overschrijding van de redelijke termijn de aan hen opgelegde hoofdgevangenisstraffen verminderen en leggen zij ook geen bestuursverbod op. Die straftoemeting werd in essentie gemotiveerd rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten, de rol van eiser I.1 en I.2, de persoon van de beklaagden en hun gunstig strafrechtelijk verleden en de overschrijding van de redelijke termijn. Het bestreden arrest oordeelt tevens dat het bedrag van de geldboete aangepast is aan de aard en de ernst van de feiten, het beoogde voordeel en de persoon van de eisers I.1 en I.2 Deze beslissing lijkt mij met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. (…) II.
- De middelen van eisers II, III, IV en V (eerste memorie). Eerste middel van eisers II, III, IV en V (eerste memorie).
- In hun eerste middel voeren eisers de schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering (eerste onderdeel) en artikel 149 Grondwet, artikel 6.1 en 6.3.a) EVRM, het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging (tweede onderdeel). Dit middel heeft betrekking op het verweer dat door de eisers gevoerd werd met betrekking tot enerzijds de aanhangigmaking van de feiten van telastlegging E en anderzijds een gebrekkige omschrijving van de feiten van telastlegging E. Het middel bekritiseert de redenen van het bestreden arrest op grond waarvan dit (tweeledig) verweer werd verworpen.
- Eisers II, III en V werden onder de telastlegging E vervolgd voor feiten die in de akte van aanhangigmaking werden omschreven als: “Internationale wapenhandel zonder vergunning (zie o.a. delen 6, 11, 12 en 14 van het synthese proces-verbaal en de stukken waarnaar verwezen wordt in dit proces-verbaal). E. Bij inbreuk op artikel 10 van de Wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, strafbaar gesteld bij artikel 12 van dezelfde wet, als Belg of in België verblijvende of handel drijvende vreemdeling, tegen een vergoeding of om niet, ongeacht de herkomst en de bestemming van de goederen en ongeacht of zij op Belgisch grondgebied komen, wapens, munitie of speciaal voor militair gebruik of ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie te hebben verhandeld, uitgevoerd naar of geleverd in het buitenland of met dat doel voorhanden gehad te hebben of als tussenpersoon te hebben opgetreden, zonder houder te zijn van een door de Minister van Justitie uitgereikte vergunning. Te Antwerpen, en/of elders in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, afdeling Antwerpen en/of bij samenhang, elders in het Ruk, de wapens onder meer verhandeld zijnde de Colombia, Sierra Leone, Bulgarije en/of Gibraltar, tussen 14 juli 1995 (en minstens sinds 23 november 2007) en 7 november 2012, meermaals, op niet nader bepaalde data”. Het bestreden arrest heeft de omschrijving en de incriminatieperiode van de telastlegging E aangepast als volgt: “Bij inbreuk op artikel 10 van de Wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, strafbaar gesteld bij artikel 12 van dezelfde wet, als Belg of in België verblijvende of handel drijvende vreemdeling, tegen een vergoeding of om niet, ongeacht de herkomst en de bestemming van de goederen en ongeacht of zij op Belgisch grondgebied komen, wapens, munitie of speciaal voor militair gebruik of ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie te hebben verhandeld, uitgevoerd naar of geleverd in het buitenland of met dat doel voorhanden gehad te hebben of als tussenpersoon te hebben opgetreden, zonder houder te zijn van een door de Minister van Justitie uitgereikte vergunning. Te Antwerpen, en/of elders in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, afdeling Antwerpen en/of bij samenhang, elders in het Ruk, de wapens onder meer verhandeld zijnde te Sierra Leone en Bulgarije, tussen 16 juli 2003 en 7 november 2012, meermaals, op niet nader bepaalde data“. Zoals vermeld werd lastens eiser II de strafvordering voor de feiten van de telastlegging E vervallen verklaard ingevolge verjaring. Eisers III en V werden schuldig verklaard aan de feiten van de telastlegging E. De illegale vermogensvoordelen voortvloeiende uit de internationale wapenhandel maakten vervolgens het voorwerp uit van witwashandelingen onder meer voorzien onder de telastlegging F.40 tot en met 53, waaraan eisers als volgt werden schuldig verklaard: - eiser II: F.40-53 voor de helft van de in de telastlegging vermelde bedragen, wat F.50 betreft zoals verbeterd, als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen en verhullen voortgeduurd hebbende tot 06.03.2019 voor de feiten F.40 en F.50 en 03.01.2019 voor de andere feiten. - eiseres III: F.40, F.41, F.42, F.44, F.45, F.46, F.50 (zoals verbeterd), telkens voor de helft van de in de telastlegging vermelde bedragen, als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen en verhullen voortgeduurd hebbende tot 6.03.2019 voor de feiten F.42 en F.
- - eiseres IV: F.40, F.41, F.42, F.43 (in de mate het vereenzelvigd kan worden met de feiten F.53), F.44, F.45, F.46, F47, F.48, F.49,, F.50 (zoals verbeterd en beperkt), FG.51, F.52 en F.53, telkens (uitgezonderd F.42, F.50 en F 51) voor de helft van de in de telastlegging vermelde bedragen, als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, het verhelen en verhullen voortgeduurd hebbende tot 30.01.
- - eiser V: F.40, 41, 42, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50 zoals verbeterd, F.52 en 53 telkens voor de helft van de in de telastlegging vermelde bedragen, en F. 51, zoals beperkt, als inbreuk op artikel 505, eerste lid, 3° en 4° Strafwetboek, het verhelen en verhullen voortgeduurd hebbende tot 03.01.
- Het middel heeft betrekking op de vereiste van een voldoende precieze aanduiding van het ten laste gelegde feit in de akte waardoor een strafzaak aanhangig wordt gemaakt bij het vonnisgerecht, in onderhavig geval de verwijzingsbeschikking. Deze vereiste heeft een dubbele rol, enerzijds het geldig aanhangig maken van de zaak voor het vonnisgerecht, anderzijds de eerbiediging van het recht van verdediging
(8). 28. Het eerste onderdeel van het middel heeft betrekking op de aanhangigmaking van het feit van telastlegging E. In de akte van aanhangigmaking dient te worden aangeduid voor welk feit de beklaagde zich strafrechtelijk dient te verantwoorden. Opdat de strafvordering geldig aanhangig wordt gemaakt moet het strafbaar feit in de akte van aanhangigmaking op voldoende begrijpelijke wijze worden aangeduid
(9). In het regel wordt een strafbaar feit omschreven in de bewoordingen van de wet, veelal, maar niet noodzakelijk
(10), met een precisering van tijd en plaats, eventueel aangevuld met nadere gegevens zoals aanwijzing van een slachtoffer of het nadeel. Op deze wijze wordt het strafbaar feit voldoende begrijpelijk aangeduid. Niet is vereist dat deze omschrijving verder wordt gespecifieerd aan de hand van een of meer concrete feitelijke gedragingen van de betichte of een derde
(11). Het Hof oordeelde dat de omschrijving van een strafbaar feit in de bewoordingen van de wet met de vermelding dat het bij herhaling werd gepleegd gedurende de geïncrimineerde periode waarvan het begin- en het eindpunt zijn aangegeven, al de in het strafdossier vermelde gedragingen omvat die aan deze misdrijfomschrijving beantwoorden en die zijn gepleegd gedurende de aangewezen tijdspanne, voor zover de beklaagde hierover tegenspraak heeft kunnen voeren
(12). Het Hof oordeelde tevens dat enkel wanneer op grond van de omschrijving van een bepaald feit in de akte van aanhangigmaking uit het dossier niet op te maken is welk precies feit bedoeld wordt, is het de rechter niet mogelijk te bepalen welk feit bij hem aanhangig is en kan hij de beklaagde niet veroordelen. Wanneer de omschrijving van het feit wel is bepaald, maar niet voldoende nauwkeurig is, moet de rechter aan de partijen daarvan kennis geven met het oog op mogelijke precisering
(13). Er bestaat geen grond tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens onduidelijkheid van de telastlegging, maar wanneer een telastlegging onduidelijk is omdat ze niet precies het feit aangeeft dat ze bedoelt of omdat ze niet precies de strafwet aangeeft waarop dit feit een inbreuk uitmaakt, behoort het de rechter erop toe te zien dat deze telastlegging wordt gepreciseerd, zodat de beklaagde ingelicht wordt waartegen hij zich moet verdedigen
(14). Nagaan of een feit in de akte van aanhangigmaking, zo nodig verder geduid, gepreciseerd of heromschreven, voldoende duidelijk is opdat de rechter het voorwerp van zijn saisine kan bepalen, behoort tot het onaantastbaar oordeel van de rechter. Desalnietemin onderzoekt het Hof of de vaststellingen van de rechter het gevolg rechtvaardigen dat de rechter eruit afleidt. In zoverre het eerste onderdeel zou uitgaan van andere rechtsopvattingen, lijkt mij dit te falen naar recht.
- Mij lijkt het dat op grond van de redenen die de appelrechters opgeven op pagina 85, punt 4.3.1.4, letter b) het bestreden arrest wettig kan oordelen dat er geen reden is om de strafvordering voor de telastlegging E onontvankelijk te verklaren. In zoverre lijkt het eerste onderdeel niet te kunnen worden aangenomen.
- Het tweede onderdeel heeft in essentie betrekking op de beoordeling van de door eisers aangevoerde miskenning van het recht van verdediging met betrekking tot de feiten van de telastlegging E. Eisers voeren aan dat het bestreden arrest uit de gegevens die het vaststelt niet wettig kan afleiden dat de feiten van de telastlegging E duidelijk zijn omschreven. Ook voeren eisers aan dat uit het strafdossier zelf niet blijkt voor welke feiten de eisers II en III onder de telastlegging E precies worden vervolgd. Deze aanvoering vereist evenwel een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
- Het recht van verdediging, en meer in het bijzonder artikel 6.3.a EVRM, vereisen dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Met “reden” en “aard” van de beschuldiging bedoelt artikel 6 EVRM respectievelijk de strafbare feiten en de juridische kwalificatie ervan
(15). De akte van aanhangigmaking is evenwel niet de enige bron van informatie over het aan een beklaagde ten laste gelegde feit. Noch artikel 6.1 of 6.3.a EVRM, noch enig algemeen rechtsbeginsel legt enige bijzondere vorm op voor wat betreft de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. De informatie van de verdachte over de hem ten laste gelegde feiten kan ook blijken uit de stukken van het strafdossier of enig ander element dat regelmatig ter beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd en waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen
(16)Een beklaagde moet ook niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de beschuldiging. Vereist is enkel dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich te kunnen verdediging tegen de beschuldiging
(17). De rechter oordeelt, op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdediging, onaantastbaar welk precies feit het voorwerp van de betichting uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te kunnen verdedigen. Bij het oordeel of een beklaagde afdoende op de hoogte is gebracht van een beschuldiging zal de rechter onder meer rekening kunnen houden met de omvang van het verweer dat die beklaagden tegen die beschuldiging heeft gevoerd
(18). Het Hof zal wel onderzoeken of de vaststellingen van de rechter het gevolg rechtvaardigen dat de rechter eruit afleidt.
- Mij komt het voor dat het bestreden arrest over de waarborg van artikel 6.3.a. EVRM naar recht verantwoord is en wettig kan oordelen dat de eisers II en III voldoende werden ingelicht over de aard en de redenen van de tegen hen ingebrachte beschuldiging onder de telastlegging E. De hiervoor opgegeven motieven zijn, naast de motieven vermeld in antwoord op het eerste onderdeel, terug te vinden op pag. 86 tot en met
- In essentie oordelen de appelrechters dat de telastlegging E, ongeacht de specifieke wapenleveringen waarin eiser II al dan niet met zijn vennootschappen is tussengekomen, betrekking heeft op het drijven van wapenhandel als tussenpersoon zonder over de volgens het openbaar ministerie vereiste Belgische vergunning te beschikking, gegeven wat duidelijk is voor de beklaagden en door hen ook uitvoerig wordt besproken in conclusies en ter zitting waarbij zij het standpunt innemen dat geen dergelijke vergunning nodig was. De appelrechters oordelen tevens dat in huidig dossier de beklaagden kennis hebben gekregen van de feiten die aanhangig zijn, niet alleen via de verwijzingsbeschikking en navolgende dagvaarding maar ook via lezing van het strafdossier en de conclusie van het openbaar ministerie in eerste aanleg en de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep en de feiten telkens naar plaats, datum en voorwerp werd omschreven en de juridische kwalificatie werd gegeven. Het tweede onderdeel kan mijns inziens niet worden aangenomen.
- In zoverre de eisers aanvoeren dat zij zich ingevolge de onduidelijkheid van de telastlegging E ook niet kunnen verdedigen op de telastleggingen F. 40 tot en met F. 53, lijkt mij deze grief te zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheden en derhalve niet ontvankelijk. Tweede middel van eisers II, III, IV en V (eerste memorie).
- Eisers voeren de schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505 Strafwetboek. In dit middel bekritiseren eisers in essentie het oordeel van de appelrechters dat de gelden die het voorwerp uitmaken van de witwashandelingen vermeld onder de telastlegging F.40 tot en met F.53, voor de helft illegale vermogensvoordelen betreffen afkomstig uit wapenhandel zonder vergunning (telastlegging E) en de verbeurdverklaring uitspreken van deze vermogensvoordelen als voorwerp van de witwashandelingen.
- Artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek vereist dat de vermogensvoordelen waarop de daarin omschreven gedragingen betrekking hebben, zaken zijn bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Volgens de rechtspraak van het Hof kan de rechter, bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een witgewassen vermogensvoordeel exact vast te stellen, dit bedrag ex aequo et bono. De rechter zal hierbij wel die gegevens van het strafdossier in aanmerking moeten nemen die een zo nauwkeurige bepaling van de omvang van de witgewassen vermogensvoordelen toelaten maar daarbij is het niet vereist dat deze gegevens ook uitdrukkelijk worden vermeld. Het volstaat dat de beslissing de essentiële gegevens bevat die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen
(19). Mij lijkt het dat de rechter de omvang van het witgewassen vermogensvoordeel ex aequo et bono kan bepalen op grond van een forfaitaire berekening die steunt op een percentage van de geldoverdrachten die het voorwerp uitmaken van de witwashandelingen, in zoverre dit verantwoord wordt door de concrete dossiergegevens. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel en over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt, met wettigheidstoezicht door het Hof
(20).
- De telastleggingen F.40 tot en met F.53 omvatten (opeenvolgende) overschrijvingen vanuit rekeningen van respectievelijk Amylan Ltd en Chatelet Investments Ltd naar respectievelijk eiser II en eiseres III om deze bedragen nadien (deels) te investeren in eiseres IV. Het bestreden arrest oordeelt dat door deze (opeenvolgende) overschrijvingen illegale vermogensvoordelen werden overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst te verdoezelen (artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek - tweede witwasmisdrijf) en de illegale oorsprong en de vindplaats van deze illegale vermogensvoordelen werd verhuld (artikel 505, eerste lid, 4° Strafwetboek – derde witwasmisdrijf). Het bestreden arrest oordeelt wat de gelden van Amylan Ltd en Chatelet Investments Ltd betreft, dat de gelden afkomstig uit wapenhandel zonder de vereiste vergunning illegale vermogensvoordelen zijn, maar dat niet alle gelden afkomstig zijn van deze wapenhandel. Het oordeelt verder “Van andere gelden (behoudens de betalingen in het kader van de leningen tussen M.- C. (i.e. de eisers I.1) en M. (i.e. eiser II) kan het hof de legale herkomst niet uitsluiten. Rekening houdende met de hoofdactiviteit van AMYLAM LTD en CHATELET INVESTMENTS LTD en de bedragen die omgaan in de wapendeals (zoals ook blijkt uit het strafdossier) alsook de bedragen waarvan de link met de wapenhandel niet blijkt, oordeelt het hof (van beroep) in het voordeel van de beklaagden dat de helft van de gelden in AMYLAM LTD EN CHATELET INVESTMENTS LTD afkomstig is van wapenhandel. Deze beperking tot de helft is in het voordeel van de beklaagden.” en verder dat de in het bestreden arrest beschreven overschrijvingen van Amylan Ltd en Chatelet Investments Ltd naar nv Rex Mining Company, M. en NV ’t Gravensteen en overschrijvingen van de rekening van M. naar de rekening van nv ’t Gravensteen, slechts ten belope van de helft worden beschouwd als gebeurd met illegale vermogensvoordelen. Mij komt het voor dat het bestreden arrest op grond van de voormelde motieven met zekerheid de vermogensvoordelen die het voorwerp uitmaken van de hierboven vermelde witwastelastleggingen kan bepalen op de helft van de in die telastleggingen vermelde bedragen, zonder miskenning van het causaal verband tussen het misdrijf en het eruit verkregen vermogensvoordeel. De beslissing lijkt mij dan ook regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Derde middel van eisers II, III, IV en V (eerste memorie). (…) II.3 De middelen van eiser V (tweede memorie). Eerste middel eiser V (tweede memorie).
- Het middel voert de schending aan van artikel 204, eerste en vierde lid, Wetboek van Strafvordering (eerste onderdeel) en artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem (tweede onderdeel). Het middel richt zich tegen het oordeel in het bestreden arrest dat wat betreft de witwashandelingen weerhouden lastens eiser V en omschreven onder de telastleggingen F.40 tot en met F.42, F.44 tot en met F.50 (zoals verbeterd), F. 52 en F.53, telkens voor de helft van de bedragen en F.51 zoals beperkt, in zoverre deze gekwalificeerd worden als een inbreuk op artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, het verhelen en verhullen heeft voortgeduurd tot 3 januari
- Zoals reeds vermeld (cfr. supra randnr. 9) kan de rechter, naargelang de hem voorgelegde gegevens, een materiële gedraging die bestaat in de omzetting of de overdracht van een wederrechtelijk vermogensvoordeel, zoals een bankoverschrijving, kwalificeren als een verhelen of een verhullen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek. Daardoor zal deze materiële gedraging, die uit zijn aard aflopend is, het voorwerp gaan uitmaken van een voortdurend misdrijf. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat dit voortdurend misdrijf voortduurt zolang de overdrager de met zijn omzetting of overdracht beoogde verheling of verhulling laat voortduren, dit is zolang hij nog zeggenschap heeft over de omgezette of overgedragen zaak
(21). De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, met wettigheidstoezicht door het Hof.
- Op p. 66-65 oordeelde het bestreden arrest: “Wat de feiten F.40-53 betreft wordt in de tenlastelegging telkens voorzien dat een bedrag werd overgemaakt om dit bedrag nadien te investeren in nv ‘t Gravensteen (i.e. eiseres IV). Het hof kan wel degelijk oordelen dat beklaagden die voor deze feiten schuldig verklaard worden, het verhelen of verhullen lieten voortduren ook na de overschrijving. De vrijspraak voor de feiten onder F.54 staat dit geenszins in de weg. De eerste rechter was van oordeel dat uit de voorliggende stukken niet kon worden afgeleid dat de vermelde onroerende goederen werden gefinancierd door de onder F.40-53 vermelde gelden. De stelling van beklaagde H. (i.e. eiser V) in dit verband, kan niet gevolgd worden. Ook de vrijspraak van beklaagde H. (i.e. eiser V) voor de feiten F.55-60 staat een uitbreiding van de incriminatieperiode voor de feiten F.40-53 niet in de weg. De feiten F.55-58 werden eveneens niet bewezen geacht door de correctionele rechtbank omdat niet bleek dat de gelden onder F.40-53 hiervoor waren gebruikt. De feiten F.59 en 60 hebben betrekking op geld dat rechtstreeks door CHATELET INVESTMENTS LTD en AMYLAM LTD gebruikt werden voor de aankoop en verdere kosten van een zeilschip en dus niet op geld dat voorzien is onder de feiten F.40-53”. De appelrechters oordelen in mijn lezing hiermee niet dat eiseres IV de haar met de telastleggingen F.40 tot F.53 overgemaakte gelden heeft gebruikt als werkkapitaal voor de aankoop of het beheer van andere onroerende goederen dan deze opgesomd in de telastlegging F.
- Het lijkt mij dat het bestreden arrest, op grond van de vermelde redenen, wettig kan oordelen dat de feiten van het verhelen en verhullen van de illegale oorsprong en de vindplaats van de gelden, voorwerp van telastlegging F.40 -F.53, niet waren opgenomen in de feiten van de telastleggingen F.54 – F.60, waarvoor eiser door definitief was vrijgesproken en de heromschrijving van de telastleggingen F.40 tot F.53 niet belet. De onderdelen kunnen mijns inziens niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest ten onrechte het verval van de strafvordering in hoofde van eiser V niet vaststelt en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem schendt, lijkt dit te zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid. Tweede middel eiser V (tweede memorie).
- (…)
- Ambtshalve middel – Schending van artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek. Het bestreden arrest beveelt (ook) lastens de eiser II de verbeurdverklaring van respectievelijk 108.000 euro en 69.684,50 euro, dit is de totaliteit van de bedragen die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen F.71 en F.
- Het arrest verklaart eiser II evenwel slechts schuldig aan die telastleggingen ten belope van de helft van die bedragen. Aldus overstijgt de verbeurdverklaring die het arrest lastens eiser II beveelt op grond van de schuldigverklaring aan de telastleggingen F.71 en F.72, het voorwerp van de witwasmisdrijven bepaald in die telastleggingen. Deze beslissing is niet naar recht verantwoord. Mijn ambt heeft voor het overige geen ambtshalve middelen aan te voeren.
- Conclusie: Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het lastens de eisers I.1, I.
- en II, de verbeurdverklaring beveelt van de bedragen van 54.000 euro en 34.842,25 euro als voorwerp van de telastleggingen F.71 en F.
- en in zoverre het lastens de eisers II, IV en V, de verbeurdverklaring beveelt van het bedrag van 27.500 euro als voorwerp van de telastlegging F.
- Voor het overige concludeer ik tot verwerping. ________________________________________
(1)Cass. 20 februari 2024, AR P.23.1578.N, AC 2024, nr. 137, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.12; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0550.N, AC 2020, nr. 630, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.11, RABG 2021, afl. 18, 1682-1685, met noot L. DELBROUCK en V. KERKHOFS; Cass. 13 november 2018, AR P.18.0787.N, AC 2018, nr. 630, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.7, NC 2019, 62-63; Cass. 17 januari 2017, AR P.16.0184.N, AC 2017, nr. 34, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.10; Cass. 17 september 2013, AR P.12.1162.N, AC 2013, nr. 453, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130917.2; Cass. 3 april 2012, AR P.10.2021.N, AC 2012, nr. 213, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.8, NC 2013, 243-248, met noot P. WAETERINCKX en H. HUYSMANS; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0566.F, AC 2010, nr. 559, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1.
(2)Cass. 13 december 2006, AR P.05.1434.F, AC 2006, nr. 646, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061213.7, RW 2008-2009, afl. 18, p. 748-751, met noot C. IDOMON; Cass. 8 mei 2002, AR P.02.0021.F, AC 2002, nr. 282, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020508.22 ; MEGANCK B. “Witwassen”, in X, Postal Memorialis, Lexicons Strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, 1 december 2012, p. 13.
(3)R. VAN HERPE, “Over de invloed van zeggenschap op de aard van het witwasbeestje”, noot onder Cass. 15 november 2022, AR P.22.0854.N, AC 2022, nr. 732, T.Strafr. 2023, afl. 5, 298-303.
(4)Cass. 15 november 2022, AR P.22.0854.N, AC 2022, nr. 732 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.7, T.Strafr. 2023, afl. 5, 298-303, met noot R. VANHERPE.
(5)Cass. 23 oktober 2024, AR P.23.1378.F, AC 2024, nr. 703, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241023.2F.17; Cass. 20 september 2016, AR P.15.1133.N, AC 2016, nr. 508, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.5.
(6)Cass. 22 november 2022, AR P.22.1116.N, AC 2022, nr. 751, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.10; Cass. 14 februari 2017, AR P.16.1099.N, AC 2017, nr. 108, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.5.
(7)Cass. 26 maart 2024, AR P.24.0053.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7, AC 2024, nr. 257, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240326.2N.7, met concl. OM; Cass. 10 mei 2022, AR P.22.0100.N, AC 2022, nr. 329, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.8; Cass. 16 oktober 2018, AR P.18.0188.N, AC 2018, nr. 556, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.1.
(8)R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging” in Strafrecht voor rechtspractici, IV, L. DUPONT EN B. SPRIET (ed.), Leuven, Acco 1991, 191; P. ARNOU, “Over de inhoud van de dagvaarding, de datering van het misdrijf en de toepassing van artikel 65, tweede lid, Sw”, RW 2000-2001, 775-776, noot 1 onder Gent, 30 november 1998; S. VANOVERBEKE, “De interpretatie van de telastlegging. Bedenkingen bij de bewijskracht van de inleidende akte in strafzaken naar aanleiding van het cassatie-arrest van 23 februari 1999”, RW 1999-2000, 1177; P. ARNOU, “De omschrijving van de feiten in dagvaarding en verwijzingsbeslissing”, RW 1985-86, 2575-2581.
(9)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, nr. 1626; zie A. VANDEPLAS, “Over de feiten en de omschrijving ervan” noot 2 onder Gent, 30 november 1998, RW 2000-2001, 777-778.
(10)Cass. 9 juni 1993, AR nr. 404, AC 1993, nr. 275, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930609.10, RW 1993-1994, 746-750, met noot S. VAN OVERBEKE.
(11)Cass. 22 februari 2022, AR P.21.1267.N, AC 2022, nr. 139, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.10; Zie ook S. VANOVERBEKE, “De interpretatie van de telastlegging. Bedenkingen bij de bewijskracht van de inleidende akte in strafzaken naar aanleiding van het cassatie-arrest van 23 februari 1999”, RW 1999-2000, 1185, nr. 25.
(12)Cass 23 februari 1999, RW 1999-2000, 1189-1190; S. VANOVERBEKE, “De interpretatie van de telastlegging. Bedenkingen bij de bewijskracht van de inleidende akte in strafzaken naar aanleiding van het cassatie-arrest van 23 februari 1999”, RW 1999-2000, 1177-1188.
(13)Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0481.N, AC 2011, nr. 553, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.3, T.Strafr. 2012, afl. 1, 29-33, noot J. DECOKER, RABG 2012, afl. 8, 511, noot D. VAN DER KELEN; Cass. 5 april 2011, AR P.10.1715.N, AC 2011, nr. 249, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8, T.Straf. 2011, afl. 5, 351-352 met noot, RW 2011-2012, nr. 33, 1470-1472, met noot B. DE SMET.
(14)Cass. 17 april 2007, AR P.07.0063.N, AC 2007, nr. 188, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070417.3.
(15)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, nr. 1625.
(16)Cass. 22 februari 2022, AR P.21.1267.N, AC 2022, nr. 139, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.10; Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0041.N, AC 2021, nr. 319, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N, AC 2020, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET; Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N, AC 2018, nr. 340, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2; Cass. 26 mei 2015, AR P.14.0414.N, AC 2015, nr. 343, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS; Cass. 30 september 2014, AR P.14.0800.N, AC 2014, nr. 564, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1; Zie: L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 123; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, “Manuel de procédure pénale”, Larcier 2012, 36; K. DE SCHEPPER, “De informatieplicht m.b.t. een ten laste gelegd gebruik van duidelijk omschreven valse stukken en de rol van het onderzoeksgerecht bij een onduidelijke tenlastelegging”, NC 2015, 303-309.
(17)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N, AC 2020, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET.
(18)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N, AC 2020, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET.
(19)Cass. 24 september 2024, AR P.24.0491.N, AC 2024, nr. 605, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.15; Cass. 26 maart 2024, AR P.20.0353.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 20 juni 2023, AR P.23.0310.N, AC 2023, nr. 462, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.4; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1691.N, AC 2023, nr. 256, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.3.
(20)Cass. 24 september 2024, AR P.24.0491.N, AC 2024, nr. 605, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.15; zie Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0020.N, AC 2023, nr. 364, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4.
(21)Cass. 15 november 2022, AR P.22.0854.N, AC 2022, nr. 732, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.7, T.Strafr. 2023, afl. 5, 298-303, met noot R. VANHERPE. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.21 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930609.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020508.22 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061213.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070417.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130917.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241023.2F.17 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240326.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div