← België

D. contra J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 2 Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Taak van de rechter - Begroting basisbedrag rechtsplegingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 3 De taak van de rechter bij het bepalen van het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding neemt niet weg dat een procespartij die als in het gelijk gestelde partij aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding en deze wil doen vereffenen, van deze gedingkost opgave moet doen, zonder daarom het bedrag ervan te moeten bepalen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Taak van de rechter - Verplichting van de in het gelijk gestelde partij - Bedrag rechtsplegingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2025, n° 732, p.

  1. - TREVISAN, Rafaela; Note'Le calcul de l'indemnité de procédure en cas de litige relatif à la pension alimentaire' Tekst van de beslissing Nr. C.24.0016.N J. D. P., vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen K. J., vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 juni
  2. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 27 november 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. In uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
  4. De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voorzien in indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen. Het gaat telkens om basis-, minimum- en maximumbedragen.
  5. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep moet, in geval geldelijk waardeerbare vorderingen voorliggen, worden bepaald gelet op de waarde of de geldelijke inzet van het hoger beroep, zoals die blijkt uit de beroepsakte dan wel de laatste appelconclusie.
  6. Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen.
  7. Die taak van de rechter neemt niet weg dat een procespartij die als in het gelijk gestelde partij aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding en deze wil doen vereffenen, van deze gedingkost opgave moet doen, zonder daarom het bedrag ervan te moeten bepalen.
  8. Krachtens artikel 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt de rechtsplegingsvergoeding met betrekking tot een alimentatiegeschil berekend op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen.
  9. Overeenkomstig artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding is het geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering tussen 2.500 en 5.000,01 euro op datum van het arrest vastgesteld op 975 euro.
  10. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - het geschil tussen de partijen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, betrekking heeft op de alimentatie die de eiser aan de verweerster ten behoeve van hun drie kinderen moet betalen; - de eiser eensdeels de afschaffing vordert van de alimentatie van tweemaal 160 euro per maand die hij aan de verweerster ten behoeve van twee van de drie kinderen moet betalen; - de eiser anderdeels de vermindering vordert naar 75 euro van de alimentatie van 160 euro per maand die hij aan de verweerster ten behoeve van het derde kind moet betalen; - de waarde of de geldelijke inzet van het alimentatiegeschil in hoger beroep derhalve twaalf maal 405 euro, hetzij 4.860 euro, bedraagt.
  11. De appelrechter die, evenals de eerste rechter, de vordering van de eiser afwijst en hem bijgevolg als in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep veroordeelt tot een rechtsplegingsvergoeding van 1.350 euro, schendt voormelde wetsbepalingen. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen en in openbare rechtszitting van 3 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250103.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.