id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafvordering - Veroordelend vonnis - Vermelding van de toegepaste wetsartikelen - Vermelding van overbodige of niet-toepasselijke bepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0825.N O. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen DUPLI nv, met zetel te 9880 Aalter, Stationsplein 1, ON 0672.428.150, burgerlijke partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht: het arrest laat na specifieke en dus volwaardige verweren te beantwoorden die de eiser in zijn appelconclusie heeft aangevoerd: één, eisers recht van verdediging en zijn recht op wapengelijkheid als onderdeel van zijn recht op een eerlijk proces zijn miskend doordat de verweerster als enige zelf over de camerabeelden beschikt en zelf selectief camerabeelden heeft aangeleverd, zodat het voor de eiser definitief onmogelijk is geworden om als beklaagde zelf camerabeelden van ander nuttig geachte tijdstippen te doen aanleveren; twee, eisers recht op een strafonderzoek dat niet enkel à charge maar ook à décharge moet worden gevoerd, is miskend; drie, door die miskenningen moet de strafvordering onontvankelijk worden verklaard; de redenen die het arrest bevat, bieden daarop geen antwoord; er wordt louter een kruisverwijzing gemaakt naar de schuldbeoordeling; het Hof is dan ook in de onmogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Het arrest (p. 7-8) oordeelt in verband met de door de eiser opgeworpen onontvankelijkheid van de strafvordering betreffende de camerabeelden als volgt: - de vraag rijst of de door de verweerster aangeleverde bewijzen aan de politie betrouwbaar zijn en of de eiser aannemelijk maakt dat er camerabeelden als stukken à décharge voorhanden hadden kunnen zijn of waren, die niet werden voorgelegd door toedoen van de verweerster; - zoals blijkt bij de beoordeling van de schuldvraag maakt de eiser geenszins aannemelijk en is het ook niet zo dat er camerabeelden waren die als bewijs à décharge voor hem dienstig waren of zouden zijn geweest, die zijn onschuld zouden hebben aangetoond en die teloor zijn gegaan of niet meer voorhanden zijn mede door toedoen van de verweerster; - bij de beoordeling van de schuldvraag zal blijken dat die niet enkel gebeurt op basis van de wel voorhanden zijnde camerabeelden à charge, maar ook op basis van en samen genomen met andere belangrijke bewijselementen; - er zijn geen redenen om aan te nemen dat de verweerster bij het strafonderzoek dat werd opgestart en gevoerd selectief beelden heeft aangeleverd, zoals blijkt bij de schuldbeoordeling; - het strafrechtelijk onderzoek werd wel degelijk à charge en à décharge gevoerd; - de aanvang van het onderzoek met inbegrip van de voeging van de belastende camerabeelden door de verweerster en het verder verloop ervan, is regelmatig verlopen en het recht van verdediging van de eiser is genoegzaam gerespecteerd; - zijn recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid zijn niet miskend en de mogelijkheid tot bewijswaardering is niet aangetast; - er is geen reden om de strafvordering onontvankelijk te verklaren; - de camerabeelden zijn een element van bewijswaardering dat losstaat van de onontvankelijkheid van de strafvordering.
- Bij het onderzoek van de schuld van de eiser oordeelt het arrest onder meer als volgt: - het staat niet ter betwisting en kan ook niet worden betwist dat de eiser op 31 augustus 2020 omstreeks 9.30 u contanten ten bedrage van 92.115,00 euro uit de cineo-kluis in de Delhaize heeft gehaald, zoals ook sluitend werd geregistreerd in het logboek van deze kluis en blijkt uit de camerabeelden die voorhanden zijn en zoals ook niet wordt betwist (arrest, p. 10); - wanneer men de uitvergrote beelden bekijkt, dan is inderdaad met zekerheid te zien dat de eiser het geld uit de cineo-kluis in een zwart bakje legde en een rekker rond de doos deed, dit zwart doosje onderaan in een witte zak stak, samen met wit papier, de eiser deze zak in de kast achter zijn bureau legt en later eenzelfde zak uit de kast neemt, in deze zak opnieuw wit papier en iets van donkere kleur in de hoek te zien zijn, de eiser deze witte zak haastig naar buiten in de richting van zijn auto draagt, opnieuw het wit papier in de zak onderaan is te zien en een donkerkleurige vorm, de zak er goed gevuld uitziet, en de eiser opnieuw de winkel binnenkomt, zonder de witte zak (arrest, p. 13); - dat er van de dag erna geen camerabeelden voorhanden zijn, wat de eiser hekelt, is vanuit de vaststelling dat S.L., bestuurster van de verweerster, geen redenen had om op dat vlak argwaan te hebben, perfect te verklaren (arrest, p. 13); - niet alleen verklaarde S.L. dat zij in eerste instantie op 3 september 2020 de belastende beelden van 31 augustus 2020 om circa 9.30 u en circa 11.30 u wel heeft gezien, maar dat wat later alle beelden niet meer konden worden bekeken, waardoor zij dacht dat deze waren gewist en daarbij vermoedens had lastens de eiser en zij de firma T. liet komen (arrest, p. 14); - deze firma kwam op 7 september 2020 en kon de beelden recupereren, zoals blijkt uit een gevoegd service rapport (arrest, p. 14); - het staat dan ook vast dat de camerabeelden na enige tijd werden overschreven door de recorder zelf (arrest, p. 14); - dit was uiteindelijk ook zo wat de beelden betreft de dagen na 31 augustus 2020, zoals ook de verbalisanten ter plaatse in de D. vaststelden (arrest, p. 14); - al deze vaststellingen maken S.L. of anderen bij de beoordeling van de feiten niet verdacht, anders dan de eiser in zijn conclusie insinueert (arrest, p. 14); - S.L. verklaarde ter rechtszitting geloofwaardig dat zij en haar broer, medebestuurder B.L., geen redenen hadden om argwanend te zijn rond de contanten die zich in de kluis bevonden (arrest, p. 14); - eenmaal zij de bezwarende beelden van 31 augustus 2020 hadden, hebben zij er hoegenaamd niet over nagedacht om ook de beelden van de dagen nadien, toen T. deze recupereerde, bij te houden, aangezien zij de belastende beelden van 31 augustus 2020 begrijpelijk voldoende bewijskrachtig achtten en er op de beelden van het betreffende bureel de dagen nadien ook niets meer te zien was (arrest, p. 14-15); - zij hadden immers na 31 augustus 2020 de camera in het bureel afgedekt om gebeurlijke indringing door de eiser op afstand via zijn app te vermijden, wat hij ook heeft geprobeerd, zodat de verweerster in de conclusie terecht stelt dat er niets te zien zou zijn geweest op deze beelden van na 31 augustus 2020 (arrest, p. 15); - er is geen enkele reden om aan te nemen dat S.L. of B.L. of S.B. zelf de zak met contanten uit de kast zouden hebben genomen na het vertrek van de eiser op 31 augustus 2020 en dat zij of een van hen om te verhullen bewust deze beelden van de dagen na 31 augustus 2020 zouden hebben achtergehouden, om dan de eiser valselijk te beschuldigen om andermaal 92.115,00 euro van hem afhandig te maken (arrest, p. 15); - deze vergezochte these, geïnsinueerd door de eiser, houdt geen enkele steek en wordt ook op generlei wijze aannemelijk gemaakt (arrest, p. 15); - het argument van de eiser dat zijn vorige advocaat op 11 september 2020 de onderzoeksrechter aanschreef met de vraag naar de camerabeelden van 31 augustus 2020 tot 4 september 2020 is weinig tot niet relevant (arrest, p. 18); - dit kan overigens evengoed een strategie zijn geweest van de eiser, waarbij hij eenvoudig wist dat er op de beelden niets bijzonder aangaande de ontvreemding van de gelden na 31 augustus 2020 te zien zou zijn, aangezien hij die geldsom zelf dezelfde dag had meegenomen (arrest, p. 18). Met het geheel van die redenen, welke het Hof niet beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, beantwoordt en verwerpt het arrest alle aanvoeringen van de eiser betreffende de camerabeelden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging, het recht op wapengelijkheid en het recht op een strafonderzoek à charge en à décharge: het arrest oordeelt dat de eiser niet aannemelijk maakt dat er camerabeelden waren die als bewijs à décharge voor de eiser dienstig zouden zijn geweest om zijn onschuld aan te tonen en dat die zijn teloor gegaan of niet voorhanden zijn mede door toedoen van de verweerster; aldus heeft het arrest de eiser een kans ontnomen om de bewijselementen à décharge die zijn stelling konden aantonen en waarover de verweerster beschikt of heeft beschikt door deze verweerster te laten overleggen; het arrest heeft geen gevolg verbonden aan de vaststelling dat de verweerster die als enige kon beschikken over de camerabeelden zelf bepaalde selecties van die beelden als bewijselementen heeft doen toevoegen; het arrest legt aan de eiser een aanvoeringslast op waaraan hij onmogelijk kan voldoen aangezien de beelden ondertussen waren overschreven.
- Het arrest (p. 7) oordeelt dat het niet zo is dat er camerabeelden waren die als bewijs à décharge voor de eiser dienstig waren of zouden zijn geweest, die zijn onschuld zouden hebben aangetoond en die zijn teloor gegaan of niet meer voorhanden zijn mede door toedoen van de verweerster. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige bekritiseert het onderdeel overtollige redenen, zodat het niet tot cassatie kan leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt een aantal wetsbepalingen en verwijst verder naar de niet-strijdige wetsbepalingen zoals aangehaald door de eerste rechter; aldus is het voor de eiser en voor het Hof niet mogelijk na te gaan op welke door de eerste rechter aangehaalde wetsbepalingen de appelrechters zich hebben gesteund, of de appelrechters hun beslissing op de juiste wetsbepalingen hebben gegrond en of de appelrechters bij het nemen van hun beslissing niet hebben gesteund op wetsbepalingen die niet verzoenbaar zijn met deze die zij hebben aangehaald of toegepast.
- Volgens artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook geldt voor de hoven van beroep, moet een veroordelend vonnis de toegepaste wetsbepalingen vermelden, dit zijn de wetsbepalingen die de bestanddelen van het misdrijf vaststellen, alsook de toegepaste straffen.
- Dit bijzonder aspect van de motiveringsplicht in strafzaken heeft een vormelijk karakter. De vermelding van overbodige of niet toepasselijke bepalingen is zonder belang, indien de veroordelende beslissing de toegepaste wetsbepalingen vermeldt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Bij de omschrijving van de feiten onder de enige telastlegging (arrest, p. 2-3), bij de vaststelling dat die feiten na de wetswijziging van 18 september 2023 nog steeds strafbaar zijn (arrest, p. 6) en bij de schuldbeoordeling (arrest, p. 9-10) wordt aangegeven dat de feiten waaraan de appelrechters de eiser schuldig verklaren en waarvoor zij hem veroordelen, strafbaar zijn gesteld door artikel 491, eerste lid, Strafwetboek. Aldus vermeldt het arrest de wetsbepaling die zowel de bestanddelen bevat van het bewezen verklaarde misdrijf als de krachtens dat misdrijf door de appelrechters toegepaste straf en voldoet het arrest bijgevolg aan de verplichting van artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De verwijzing in het arrest naar andere wetsbepalingen waaronder de door de eerste rechter aangehaalde niet strijdige bepalingen, belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.
- De verwijzing in het arrest naar andere wetsbepalingen waaronder de door de eerste rechter aangehaalde niet strijdige bepalingen, kan de eiser niet grieven. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div