← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Vrije woorden: Naar recht verantwoorde straf - Cassatiemiddel - Belang - Schuldigverklaring die een langere periode betreft dan die weerhouden door de eerste rechter - Geen invloed op de opgelegde bestraffing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Straf - Naar recht verantwoorde straf - Cassatiemiddel - Belang - Schuldigverklaring die een langere periode betreft dan die weerhouden door de eerste rechter - Geen invloed op de opgelegde bestraffing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 211bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1485.N 1. G. D.V., beklaagde, eiser, 2. V. T., beklaagde, eiseres, 3. TRANSPORT D. nv, met als lasthebber ad hoc Katrien Vankeirsbilck, met kantoor te 8510 Kortrijk (Marke), Cannaertshof 3, beklaagde, eiseres, allen met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 september 2023. De eisers 1 en 3 voeren elk in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, drie middelen aan. De eiseres 2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt voor de feiten omschreven onder de telastlegging B een misdrijfperiode in aanmerking waarvoor de eerste rechter deels vrijspraak heeft verleend; het arrest veroordeelt de eisers voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 april 2015 terwijl de eerste rechter vrijspraak heeft verleend voor de periode vanaf 24 november 2014; die bijkomende veroordeling is geen loutere aanpassing van de incriminatieperiode teneinde de feiten juist te omschrijven, maar betreft een pure veroordeling; de appelrechters hervormen aldus een vrijspraak, maar doen dit niet met eenparigheid van stemmen. 2. Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat er eenstemmigheid is vereist om in hoger beroep een veroordeling uit te spreken indien het beroepen vonnis de beklaagde heeft vrijgesproken. 3. De appelrechters verklaren de eisers schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging B voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 april 2015 terwijl de eerste rechter hen slechts schuldig had verklaard aan die feiten voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 23 november 2014. Er blijkt uit de motivering van de aan de eisers opgelegde bestraffing evenwel niet dat deze werd beïnvloed door deze bijkomende schuldigverklaring. 1Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel van eisers 1 en 3 4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer dat de feiten niet voor alle werknemers vermeld onder de telastlegging A bewezen kunnen worden verklaard; eiser 1 voerde in zijn syntheseappelconclusie (p. 48) aan dat de lijst met werknemers vermeld onder de telastlegging A niet overeenstemt met de lijst overgemaakt door de Slovaakse Sociale Zekerheid; enkel voor de werknemers die op beide lijsten staan, is er het bewijs dat zij in dienst waren van J. sro; de data van in- en uitdiensttreding van beide lijsten stemmen evenmin overeen; de lijst van de werknemers onder de telastlegging A stemt evenmin overeen met de lijst van het onderzoek; de telastlegging kan niet voor iedere persoon vermeld in de lijst onder de telastlegging A en voor de erin vermelde periode worden aangenomen. 5. Het arrest oordeelt (p. 196-197, nr. 22.5.d)) met overname van punt 9.6 van de appelconclusie van het openbaar ministerie als volgt: 2“De [eisers] menen ook dat de lijst van werknemers zoals die opgenomen werd onder de tenlastelegging A niet correct is en legt ten bewijze hiervan een uittreksel vanuit de Slowaakse Sociale Zekerheid voor. 3De lijst van werknemers betrokken bij tenlastelegging A werd samengesteld aan de hand van de stukken van het strafdossier, waaronder attesten van eerste werkdag, lijsten inzake uitbetaalde dagvergoedingen, weekplanningen, enzovoort. (...) 4Daarenboven verschaften de Slowaakse autoriteiten tot tweemaal toe een lijst van werknemers ingeschreven bij J. s.r.o. (...) 5Ten slotte ligt er ook een stuk voor van de [eisers] zelf, waarin de Slowaakse autoriteiten de tewerkstelling van een groot aantal werknemers bevestigen, met vermelding van de periode van sociale verzekering in Slowakije. (...) 6Het gegeven dat sommige werknemers niet op de lijst(

  1. en)staan van de Slowaakse autoriteiten, betekent niet dat zij niet zouden hebben gewerkt voor de [eisers]. Zo bijvoorbeeld blijkt de tewerkstelling van G., H., T. en V. uit een intern planningsdocument, dat teruggevonden kan worden in karton II, p. 357-¬358 van het strafdossier.” 7Met die uit de appelconclusie van het openbaar ministerie overgenomen redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het in het middel bedoelde verweer. 8Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eisers 1 en 3 en tweede middel van de eiseres 2 6. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiser 1 voerde voor de appelrechters aan dat het verzoek tot intrekking van de A1-verklaringen niet geldig was aangezien het verzoek niet onverwijld gebeurde, verkeerd was geformuleerd, niet alle stukken werden meegezonden en de meegezonden stukken getuigden van een miskenning van de loyauteitsvereisten; aldus kon geen rekening worden gehouden met het verzoek tot de intrekking; de appelrechters hebben dit verweer niet beantwoord. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiser 1 voerde voor de appelrechters onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, een A1-verklaring slechts buiten beschouwing kan laten indien het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst concrete gegevens heeft verstrekt aan het orgaan van de lidstaat van uitgifte die erop duiden dat de A1-verklaring op frauduleuze wijze werd verkregen; het arrest gaat er echter simpelweg van uit dat een geldig verzoek tot intrekking was geformuleerd. Ondergeschikt moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet art. 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 zo worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, desondanks vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg ten behoeve van die strafprocedure buiten beschouwing laten voor zover: ten eerste, een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven, een standpunt heeft ingenomen over de onverwijld door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen, en die verklaring in voorkomend geval nietig heeft verklaard of ingetrokken waarbij: o het verzoek tot intrekking van de A1-documenten dient gestoeld op een juiste kwalificatie van de arbeid onder art. 12 of art. 13 van de verordening 883/2004, o de gegevens die er op duiden dat de A1-documenten op frauduleuze wijze werden verkregen of ingeroepen, objectief dienen weergegeven en gesteund door concrete en bewijskrachtige documentatie en, ten tweede, de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd?” Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiser 1 voerde voor de appelrechters onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat de beoordeling van de vereiste van het onverwijld indienen van het verzoek tot intrekking niet afhangt van het ogenblik waarop de verdediging de documenten in het debat brengt, maar wel op het ogenblik waarop door de onderzoekende diensten het bestaan van die documenten geweten had kunnen zijn. Ondergeschikt moet volgende prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet art. 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 zo worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, desondanks vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg ten behoeve van die strafprocedure buiten beschouwing laten voor zover, ten eerste, een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven, een standpunt heeft ingenomen over de onverwijld door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen, en die verklaring in voorkomend geval nietig heeft verklaard of ingetrokken en, ten tweede, de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd, waarbij het begrip "onverwijld" zo dient geïnterpreteerd dat het startogenblik hiervan ingaat op het ogenblik dat de onderzoeksautoriteiten van de lidstaat van ontvangst zich bewust hadden moeten zijn van het bestaan van A1-documenten en dit element derhalve hadden moeten onderzoeken?” 7. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer dat de partijen bij conclusie voor hem aanvoeren, te beantwoorden. Deze verplichting houdt echter niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. 8. Het arrest (p. 113-114) oordeelt dat het Belgisch bevoegd orgaan geenszins gehandeld heeft binnen een tijdspanne of periode die onredelijk is en dat de aanvraag tot intrekking onverwijld werd ingediend. Het oordeelt verder (p. 114) dat op 8 juni 2018 alle gedane vaststellingen van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek aan de bevoegde Slowaakse organen werden meegedeeld en dat de aanvraag duidelijk aangaf dat steeds aanvullende stukken konden worden verstrekt (p. 115). Aldus beantwoordt het arrest eisers’ verweer nopens de tijdigheid, juistheid, volledigheid en loyauteit van het verzoek tot intrekking, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat tot staving van het verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 9. In zoverre het middel onder het mom van een motiveringsgebrek in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk. 10. Gelet op de verwerping van de vermelde onderdelen, is er geen reden om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 734,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.2 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.