← België

B. contra PINOY curator faillissement RIAN LOBO

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 3

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art.

63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Burgerlijkepartijstelling - Faillissement - Optreden van de curator namens de boedel - Uitoefening van de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers - Collectieve schade - Vordering van een schuldeiser voor vergoeding van een persoonlijke schade - Bestuurder van een vennootschap die een oplichting pleegt ten nadele van een medecontractant - Mogelijkheid tijdens de afhandeling van het faillissement om deze schade terug te vorderen - Burgerlijke rechtsvordering op grond van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek - Burgerlijkepartijstelling uit hoofde van oplichting - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 3

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art.

63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Bestuurder van een vennootschap die een oplichting pleegt ten nadele van een medecontractant - Faillissement van de vennootschap - Optreden van de curator namens de boedel - Uitoefening van de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers - Collectieve schade - Vordering van een schuldeiser voor vergoeding van een persoonlijke schade - Mogelijkheid tijdens de afhandeling van het faillissement om deze schade terug te vorderen - Burgerlijke rechtsvordering op grond van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek - Burgerlijkepartijstelling uit hoofde van oplichting - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 3

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art.

63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1150.N H. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen

  1. Jeroen PINOY, met kantoor te 1840 Londerzeel, Hoveniersstraat 21, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement RIAN LOBO bv, burgerlijke partij,
  2. VERSYM nv, met zetel te 1840 Londerzeel, Oudemanstraaat 33, ON 0431.198.652, burgerlijke partij, verweerders, de verweerster met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 juni
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Memorie van wederantwoord
  4. De eiser heeft op 20 november 2024 een memorie van wederantwoord ingediend.
  5. Op grond van artikel 1094 Gerechtelijk Wetboek kan de eiser in cassatie met een memorie van wederantwoord, die hij op straffe van verval moet indienen binnen een maand vanaf de betekening van de memorie van antwoord, antwoorden op een door de verweerder in cassatie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
  6. Die bepaling is overeenkomstig artikel 432 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing op de cassatieprocedure in strafzaken. De memorie van wederantwoord is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  7. In zoverre ook gericht tegen de beslissing die de strafvordering lastens de eiser vervallen verklaart wegens verjaring, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  8. Het arrest bevat geen veroordeling van de eiser op de burgerlijke vordering van de verweerder
  9. In zoverre ook tegen die verweerder gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang eveneens niet ontvankelijk.
  10. Het arrest veroordeelt de eiser hoofdelijk met de medebeklaagde G. tot betaling aan de verweerster 2 van een provisionele schadevergoeding en de kosten van de verweerster 2, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen. Het houdt de beslissing over de interesten aan.
  11. Dit is, behoudens voor wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, geen eindbeslissing als bedoeld in artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering noch, behoudens voor wat betreft het beginsel van aansprakelijkheid, een beslissing als bedoeld in artikel 420, eerste lid, van dat wetboek. In zoverre is het cassatieberoep eveneens niet ontvankelijk. Eerste middel
  12. Het eerste, tweede, derde en vierde onderdeel voeren schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest weert ten onrechte niet de verklaring die de eiser op 17 maart 2016 zonder de bijstand van een advocaat heeft afgelegd en waarvan hij, met verwijzing naar zijn persoonlijke toestand en de agressie van de verbalisanten, de juistheid heeft betwist; het arrest leidt uit die verklaring een bewijselement lastens de eiser af, namelijk dat de eiser heeft erkend als stroman zaakvoerder te zijn geworden van een vennootschap van de medebeklaagde G.; ten onrechte oordeelt het arrest niet over eisers verzoek tot het weren van zijn vermelde verklaring en beslist het niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of tot die wering (eerste en derde onderdeel); evenmin beantwoordt het arrest het verweer van de eiser in dat verband (tweede en vierde onderdeel). Het vijfde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verwijst naar de brief van 21 april 2014 van eisers advocaat, waaruit volgens het arrest niet blijkt dat de verbalisanten druk op de eiser hebben uitgeoefend; het arrest miskent aldus de inhoud van dit schrijven aangezien er wel degelijk melding wordt gemaakt van “woorden in de mond leggen”, “manifeste fouten” en de confrontatie met “abnormale stress”, wat moet worden beschouwd als ongeoorloofde druk op de verhoorde persoon, met de onbetrouwbaarheid van zijn verklaring tot gevolg.
  13. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte van verklaringen zonder bijstand van een advocaat of zonder naleving van de cautieplicht leidt als dusdanig niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs. Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop de strafvordering verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis (p. 29-52, “3.1 Overzicht van de feiten”) en die het zelf (p. 103-105) bevat, steunt het arrest de beslissing dat de eiser schuldig is aan het feit omschreven als strafbare deelneming aan de oplichting gepleegd door medebeklaagde G. ten nadele van de verweerster 2 en meer bepaald dat de eiser wel degelijk deelnemingshandelingen heeft gesteld voorafgaand aan de onderhandelingen over de aannemingsovereenkomst tussen Y. bv en de verweerster 2, niet enkel op de vaststelling dat de eiser voorheen is opgetreden als zaakvoerder-stroman in een vennootschap van medebeklaagde G., maar ook op de volgende zelfstandige redenen: - de betrokkenheid van de eiser bij de vermelde onderhandelingen wordt bevestigd door de zaakvoerder in rechte van Y. bv, namelijk medebeklaagde I. Die medebeklaagde verklaarde op 22 december 2015 dat alle onderhandelingen met de verweerster 2 verliepen met medebeklaagde G. en de eiser, alsook op 10 maart 2016 dat er bij BNP Paribas Fortis een rekening werd geopend speciaal voor de betalingen door de verweerster 2, welke beslissing werd genomen in samenspraak met de medebeklaagde G. en de eiser; - de rekening werd geopend op 6 februari 2012 en de aannemingsovereenkomst dateert van 7 februari 2012, wat eveneens erop wijst dat de eiser al betrokken was bij de overeenkomst met de verweerster 2 vóór de ondertekening ervan; - ook architect S. verklaarde op 3 juli 2015 dat de medebeklaagde G. en de eiser aanwezig waren bij de ondertekening van de overeenkomst. Hij herinnerde zich evenwel niet wie tekende; - D. verklaarde op 10 juli 2015 dat de medebeklaagde I. begin 2012 kwam aandraven met de medebeklaagde G. en de eiser. D. was niet alleen de vroegere boekhouder van Y. bv, maar tevens een bouwheer die beroep had gedaan op Y. bv. Het is in het kader van dat project dat de medebeklaagde I. plots onder meer met de eiser op de proppen kwam. Opmerkelijk is dat dit begin 2012 wordt gesitueerd door D. terwijl de overeenkomst met de verweerster 2 zich eveneens in die periode situeert; - gelet onder meer op het feit dat de eiser betrokken was bij de onderhandelingen met de verweerster 2 en de latere contacten en op het feit dat na de betalingen door de verweerster 2 ook gelden naar de eiser zijn gevloeid, zijn de appelrechters ervan overtuigd dat de eiser op de hoogte was van het feit dat het nooit de bedoeling was om de werken volledig uit te voeren, maar wel om zoveel mogelijk geld te verkrijgen van de verweerster 2 om niet enkel de medebeklaagde G. maar ook zichzelf toe te laten zich te verrijken.
  15. In zoverre het middel niet opkomt tegen die redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet (tweede onderdeel) en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek (eerste onderdeel): het arrest verwerpt het verweer van de eiser dat er een onvoldoende causaal verband bestaat tussen de fout van de eiser en de schade geleden door de verweerster 2, gelet op eisers zeer beperkte rol; het arrest motiveert niet dat de schade zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan als er geen fout zou zijn gepleegd door de eiser en het beantwoordt niet eisers desbetreffende verweer.
  17. Overeenkomstig artikel 50 Strafwetboek zijn alle wegens een zelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding.
  18. Uit de redenen van het arrest (p. 100-105) blijkt dat het de provisionele schadevergoeding tot betaling waarvan het de eiser hoofdelijk met de medebeklaagde G. veroordeelt aan de verweerster 2, enkel steunt op de telastlegging F.1 en niet eveneens op de telastleggingen A, B.1 en I.1, die het enkel bewezen verklaart ten aanzien van de medebeklaagde G.
  19. Het arrest dat aldus de eiser en de medebeklaagde G. wegens hetzelfde onder de telastlegging F.1 als oplichting omschreven feit veroordeelt, moet hen op grond van artikel 50 Strafwetboek hoofdelijk veroordelen tot vergoeding van de schade die de verweerster 2 ingevolge dat feit heeft geleden, ongeacht de bijdrage van de fout van elk van de betrokkenen in de totstandkoming van de schade. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat het arrest dient te antwoorden op eisers doelloze verweer in dat verband. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste en tweede onderdeel
  20. De onderdelen voeren schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering (eerste onderdeel) en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek (eerste en tweede onderdeel): het arrest stelt vast dat de verweerster 2 een provisionele vergoeding vordert voor de gelden die zij betaalde nadat zij voorschotfacturen had ontvangen van Y. bv; bijgevolg stelt het arrest vast dat de verweerster 2 een vergoeding vordert voor betalingen aan Y. bv waarvoor er geen prestaties werden geleverd en dat de verweerster 2 aldus een vergoeding vraagt voor haar aandeel in de collectieve schade; door het toekennen van een schadevergoeding die integraal is geënt op de collectieve schade, kent het arrest een vordering toe die ab initio onontvankelijk was (eerste onderdeel); het kent aan de verweerster 2 ten onrechte schadevergoeding toe voor collectieve schade (tweede onderdeel).
  21. Wanneer de curator namens de boedel optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uit. Dit zijn de rechten die voortvloeien uit de schade aan de boedel ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd, het actief wordt verminderd of het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel.
  22. Het faillissement van de schuldenaar staat niet eraan in de weg dat een schuldeiser vergoeding vordert van een derde door wiens fout schade is ontstaan die hem alleen treft.
  23. De medecontractant van een vennootschap kan ingevolge een als misdrijf omschreven feit gepleegd door een derde, zoals een juridische of feitelijke bestuurder van die vennootschap, persoonlijke en individuele schade lijden die niet samenvalt met zijn contractuele schuldvordering op de vennootschap en die hij bijgevolg, ook tijdens de afhandeling van het faillissement van de vennootschap, zelf op grond van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek van die bestuurder kan vorderen door middel van een klacht met burgerlijkepartijstelling. Dergelijke schade, die vreemd is aan de collectieve schade van de boedel, kan ontstaan wanneer een bestuurder, met gebruik van zijn werkelijke zeggenschap over de vennootschap, een als het misdrijf oplichting omschreven feit ten nadele van die medecontractant pleegt door hem ertoe te bewegen met de vennootschap een overeenkomst te sluiten voor de aanneming van werken, die de bestuurder in werkelijkheid nooit van plan is geweest correct en volledig door de vennootschap te laten uitvoeren, maar die hij gebruikt als voorwendsel om de medecontractant voorschotten te laten betalen die de bestuurder zich, overeenkomstig zijn vooraf bestaande opzet, toe-eigent of laat toe-eigenen door derden. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
  24. Het arrest (p. 77) oordeelt: “Het staat bijgevolg ook voor het hof (van beroep) vast dat [de medebeklaagde G.] [de verweerster 2] ertoe heeft gebracht een aannemingsovereenkomst te ondertekenen onder het mom dat hij zou instaan voor het geheel van de renovatiewerken van het project [T.] hoewel hij wist dat [Y. bv] financieel niet in de mogelijkheid was dergelijk project uit te voeren en dat hij daarenboven een deel van de werken heeft uitgevoerd om [de verweerster 2] te misleiden en te doen geloven dat hij de werken zou uitvoeren. Ondertussen stelde hij voorschotfacturen op die hij door [de verweerster 2] liet betalen waarna hij de ontvangen gelden zo snel mogelijk uit [Y. bv] haalde om zichzelf en de aan hem gelinkte (rechts)personen te verrijken.” Het oordeelt eveneens dat de eiser op strafbare wijze aan dat als oplichting omschreven feit heeft deelgenomen. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de schade die de verweerster 2 ingevolge dat feit lijdt en ook leed op het moment van haar klacht met burgerlijkepartijstelling, een persoonlijke schade uitmaakt waarvoor de verweerster 2 zelf een ontvankelijke rechtsvordering heeft ingesteld tijdens de afhandeling van het faillissement van Y. bv en die niet samenvalt met de collectieve schade van de boedel die enkel de curator kan vorderen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: de eiser heeft bij appelconclusie aangevoerd dat de verweerster 2 een schuldvordering in het faillissement van Y. bv heeft ingediend; zonder die schuldvordering en kennis van de staat ervan na het afsluiten van het faillissement kan het hof van beroep geen uitspraak doen over de door de verweerster 2 ingestelde vordering tot schadevergoeding, aangezien niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze vorderingen met elkaar overlappen en in hoeverre de vordering van de verweerster 2 bijgevolg ontvankelijk en gegrond is.
  26. In zijn appelsyntheseconclusie na nieuwe conclusietermijnen (p. 78) heeft de eiser aangevoerd: “Dat er schade werd geleden ingevolge de feiten is evident doch een begroting van deze schade kan niet worden geschat en moet bewezen worden”, alsook: “Het is evenwel noch de taak van de verdediging, noch deze van het [hof van beroep] om de reële schade te becijferen zodat [de eiser] van mening is dat, in de huidige stand van zaken, de schadevergoeding tot 1 euro dient herleid te worden, minstens verzoekt [de eiser] het vonnis van de eerste rechter dat 25.000 euro provisioneel toekende te bevestigen. ”
  27. In zoverre het onderdeel de ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering van de verweerster 2 betwist op grond van het niet-bijbrengen van informatie over het resultaat van de door die verweerster ingediende schuldvordering in het faillissement van Y. bv, is het nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
  28. Voor het overige heeft het onderdeel betrekking op de beslissing over de omvang van de schade, waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is. In zoverre is het onderdeel evenmin ontvankelijk. Vierde onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser dat de verweerster 2 een schuldvordering in het faillissement van Y. bv heeft ingediend, die nooit is bijgebracht en zonder dewelke er enkel een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro kan worden toegekend aan de verweerster
  30. Het onderdeel is om de redenen vermeld in het antwoord op het derde onderdeel niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de schade van de verweerster 2 ingevolge de telastlegging F.1 939.488,72 euro bedraagt, dit is het totaal van de door de verweerster 2 voldane facturen; het arrest bevestigt dat er bepaalde werkzaamheden werden uitgevoerd; door te oordelen dat schade van de verweerster 2 ingevolge de oplichting 939.488,72 euro bedraagt, plaatst het arrest de verweerster 2 niet terug in de toestand waarin zij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover zij zich beklaagt niet was gesteld, aangezien zij ingevolge de uitspraak haar volledige investering terug zal kunnen recupereren en zij zich tezelfdertijd zal verrijken ingevolge de uitgevoerde werkzaamheden.
  32. Het onderdeel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is, is niet ontvankelijk. Zesde onderdeel
  33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het omstandige verweer van de eiser over het bepalen van de door de verweerster 2 gevorderde schade.
  34. Het onderdeel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is, is niet ontvankelijk. Zevende onderdeel
  35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiser hoofdelijk met de medebeklaagde G. tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 750.000,00 euro aan de verweerster 2, waarbij de hoofdelijkheid beperkt is tot de schadevergoeding gesteund op de feiten die ten grondslag liggen van de telastlegging F.1; het arrest verduidelijkt echter niet in welke mate het vermelde bedrag een provisionele vergoeding betreft voor de schade veroorzaakt ingevolge de feiten die ten grondslag liggen van de telastlegging F.1, dan wel ingevolge de overige feiten waarvoor enkel de medebeklaagde G. werd veroordeeld; het arrest verduidelijkt niet afdoende de rechtsgrond waarop de provisionele vordering ten bedrage van 750.000,00 euro wordt toegekend, waardoor de motiveringsplicht is miskend; bijgevolg is het niet mogelijk een correcte afrekening te maken aangezien het niet duidelijk is welke de exacte som is die door de eiser ingevolge dit arrest verschuldigd is aan de verweerster
  36. Het onderdeel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is, is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 424,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251113.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.