id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.7 Rolnummer: P.24.1052.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-01-13 Raadplegingen: 786 - laatst gezien 2026-06-16 21:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250107.2N.7 Fiche Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet; om na te gaan of een gegeven een grond is tot herziening zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, dient dit gegeven te worden beoordeeld in het licht van de aard en de inhoud van het oordeel van de rechter over het bewijs en de schuld waarop de veroordeling, voorwerp van de herzieningsaanvraag, is gebaseerd, zodat de loutere omstandigheid dat het oordeel van de rechter over de schuld als zodanig in vraag wordt gesteld door een of meer deskundigen of onderzoekers, die stellen dat de op het ogenblik van dat oordeel voorliggende bewijselementen die rechter niet toelieten om de betrokkene boven elke redelijke twijfel schuldig te verklaren, niet kan worden beschouwd als een gegeven zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering en het verzoek tot herziening derhalve kennelijk ongegrond is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERZIENING - VERZOEK EN VERWIJZING OM ADVIES Vrije woorden: Verzoek - Herzieningsverzoek gebaseerd op het voorhanden zijn van nieuwe gegevens - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg - Kennelijke ongegrondheid van het verzoek Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 443, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1052.N J. D., verzoeker tot herziening, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verzoeker woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 8 juli 2024 vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij arresten van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant van 29 juni 2016 en van 28 april
- Bij dit verzoekschrift werden drie met redenen omklede gunstige adviezen gevoegd van mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie Gent, van mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, en van mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, die allen tien jaar of meer op de tabel zijn ingeschreven. Advocaat-generaal Alain Winants heeft op 19 december 2024 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. De raadsman van de verzoeker heeft op 6 januari 2025 ter griffie van het Hof een noot neergelegd. Op de rechtszitting van 7 januari 2025 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
- De verzoeker werd bij arrest van 26 september 2006 door het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant veroordeeld tot levenslange opsluiting wegens het opzettelijk en met voorbedachten rade doden van zijn partner C.V., te Linkebeek in de nacht van 24 op 25 augustus
- Het cassatieberoep van de verzoeker tegen dit arrest werd verworpen bij arrest P.06.1390.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.2 van het Hof van 30 januari
- Bij arrest van 17 februari 2015 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna Europees Hof), bij wie de verzoeker op 25 juli 2007 een verzoekschrift had ingediend, dat de veroordeling van de verzoeker een schending inhield van artikel 6.1 EVRM, meer bepaald omdat hij bij gebrek aan motivering van het verdict van de jury niet in staat was om de beslissing van het hof van assisen te begrijpen.
- Op grond van het voormelde arrest van het Europees Hof beval het Hof bij arrest P.15.0470.N van 16 juni 2015 bij toepassing van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging. Het Hof trok zijn arrest van 30 januari 2007 in, vernietigde het arrest van het hof van assisen van 26 september 2006 in zoverre het uitspraak doet over de tegen de verzoeker ingestelde strafvordering, waarbij ook het debat en de verklaring van de jury nietig werden verklaard, en verwees de aldus beperkte zaak naar het hof van assisen van de provincie Vlaams Brabant, anders samengesteld.
- Bij arrest van het hof van assisen van de provincie Vlaams Brabant van 29 juni 2016, dat de voornaamste redenen van de beslissing van de jury bevat, werd de verzoeker schuldig verklaard aan het opzettelijk en met voorbedachten rade doden van zijn partner C.V. Dit arrest heeft kracht van gewijsde. Aangezien de verzoeker verstek liet gaan bij het hierop volgende debat over de straftoemeting, werd hij bij arrest van het hof van assisen van 30 juni 2016 bij verstek veroordeeld tot levenslange opsluiting en werd zijn onmiddellijke aanhouding bevolen. Het cassatieberoep van de verzoeker tegen dat laatste arrest werd verworpen door het Hof bij arrest P.16.1295.N van 17 januari
- De verzoeker tekende verzet aan tegen het voormelde arrest van het hof van assisen van 30 juni
- Dit verzet werd ontvankelijk verklaard door het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 januari 2017, waardoor de veroordeling van 30 juni 2016 nietig werd verklaard.
- Bij arrest van 28 april 2017 veroordeelde het hof van assisen de verzoeker tot levenslange opsluiting. Het cassatieberoep van de verzoeker tegen dit arrest werd verworpen door het Hof bij arrest P.17.0642.N van 24 oktober 2017, waardoor ook dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Gronden tot herziening
- Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- Om na te gaan of een gegeven een grond is tot herziening zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, dient dit gegeven te worden beoordeeld in het licht van de aard en de inhoud van het oordeel van de rechter over het bewijs en de schuld waarop de veroordeling, voorwerp van de herzieningsaanvraag, is gebaseerd. De loutere omstandigheid dat het oordeel van de rechter over de schuld als zodanig in vraag wordt gesteld door een of meer deskundigen of onderzoekers, die stellen dat de op het ogenblik van dat oordeel voorliggende bewijselementen die rechter niet toelieten om de betrokkene boven elke redelijke twijfel schuldig te verklaren, kan echter niet worden beschouwd als een gegeven zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering.
- Volgens de verzoeker werd hij blijkens de voornaamste redenen van de assisenjury in het arrest van 29 juni 2016 ten onrechte schuldig verklaard aan moord op zijn partner C.V. (hierna het slachtoffer), namelijk door haar opzettelijk en met voorbedachten rade met zijn dienstwapen, een pistool FN GP, tijdens haar slaap met een enkel schot midden in haar voorhoofd te hebben gedood (hierna moordscenario). De assisenjury oordeelde volgens de verzoeker ten onrechte dat zijn standpunt niet aannemelijk was, namelijk dat het slachtoffer, nadat zij op één na de kogels uit de lader van zijn pistool had verwijderd en deze in een zakdoek in het vriesvak van de koelkast had gestopt, hem ’s nachts heeft gewekt en zichzelf met zijn dienstwapen door het hoofd heeft geschoten, waarbij zij het pistool gericht hield op haar voorhoofd en de kolf met haar vingers had omklemd in een omgekeerde greep, met haar duim aan de trekker, waarna het schot is afgegaan toen de verzoeker haar het wapen afhandig probeerde te maken (hierna zelfmoordscenario).
- De verzoeker voert vier gegevens aan die volgens hem beantwoorden aan de voormelde criteria, namelijk: - nieuwe ballistische onderzoeksgegevens met betrekking tot het afstands- en uitwerppatroon van hulzen uit een pistool, die blijken uit wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot Glock-pistolen dat in 2018 werd gepubliceerd in het tijdschrift Journal of Forensic Sciences, dat blijkens een schrijven van de door de verzoeker aangezochte wapendeskundige J. van 24 november 2022 ook van toepassing is op een pistool FN GP (hierna eerste novum); - nieuwe ballistische onderzoeksgegevens met betrekking tot de morfologie van schotresten (GSR), die volgens de verzoeker blijken uit wetenschappelijke studies die zijn verschenen in 2020 in het tijdschrift Forensic Science International: Synergy en in 2017 in het tijdschrift Defence Technology (hierna tweede novum); - de mogelijkheid van DNA-onderzoek op de zakdoek met bloemmotief, welke mogelijkheid volgens de verzoeker blijkt uit de bevindingen van deskundige E. van 25 januari 2023 (hierna derde novum); - de mogelijkheid van nieuw DNA-onderzoek op de bestaande stalen van het pistool FN GP en op de patronen, welke mogelijkheid volgens de verzoeker blijkt uit de bevindingen van deskundige E. van 3 mei 2023 (hierna vierde novum). Die gegevens worden door de verzoeker getoetst aan het bewijsoordeel van de assisenjury, weergegeven in het arrest van het hof van assisen van 29 juni 2016, zoals dit oordeel werd onderzocht door het onderzoeksrapport van het Project Gerede Twijfel van de Vrije Universiteit Amsterdam en door het onderzoeksrapport van het Project Voordeel van de Twijfel van de KULeuven, die bij het verzoekschrift worden gevoegd en daarin worden toegelicht. Eerste novum
- Het eerste novum heeft betrekking op nieuwe ballistische onderzoeksgegevens in verband met het uitwerpen en de vindplaats van hulzen uit een pistool. De verzoeker houdt hierbij voor dat: - zijn schuld op doorslaggevende wijze werd gebaseerd op de resultaten van het ballistisch onderzoek van wapendeskundige D. en van het college van wapendeskundigen en de door dezen op de rechtszitting gegeven toelichtingen, waaruit volgens de assisenjury bleek dat een schot met het pistool vanuit een omgekeerde greep met de duim aan de trekker niet kan leiden tot een automatische uitwerping van de huls, wat niet verenigbaar is met het zelfmoordscenario, te meer gelet op de plaats waar de huls werd aangetroffen, namelijk rechts naast het rechter-hoofdkussen; - uit de ballistische verslagen niet blijkt dat de proefschoten bij het onderzoek van de vraag of een schot met een pistool in een omgekeerde greep, met de duim aan de trekker, kan leiden tot een uitwerping van de huls, werden uitgevoerd met een pistool met één kogel in het magazijn en een lege lader, zoals het geval was op het ogenblik van de feiten, dan wel met een pistool met een volle lader; - nieuwe ballistische onderzoeksgegevens in 2018 hebben aangetoond dat proeven met een Glock-pistool met betrekking tot het afstands- en uitwerppatroon van hulzen hebben aangetoond dat er een significant verschil is tussen het afstands- en uitwerppatroon van hulzen wanneer er wordt gevuurd met een pistool met een vol magazijn dan wel met een leeg magazijn of zonder magazijn, waarbij uit een schrijven van wapendeskundige J. van 24 november 2022 blijkt dat deze onderzoeksgegevens ook van toepassing zijn op een pistool FN GP; - er bijgevolg reden toe is om op dit punt de zaak te verwijzen naar de Commissie voor herziening in strafzaken teneinde een nieuw college van wapendeskundigen te laten aanstellen om nieuwe schietproeven uit te voeren.
- Uit de redenen van het arrest van 29 juni 2016 blijkt dat de assisenjury het zelfmoordscenario niet aannemelijk acht omdat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het slachtoffer een wanhoopsdaad wilde plegen, met name omdat er geen tekenen waren van majeure stemmingsstoornissen of neerslachtigheid, de door de verzoeker aangehaalde redenen van haar depressiviteit onwaar zijn gebleken en haar atoma-schriftje slechts poëtische en contemplatieve geschriften en geen afscheidsbrief bevat, terwijl ook het tijdstip van haar overlijden niet verenigbaar is met een gewilde zelfdoding, mede gelet op de grote affectieve band met haar beide ouders. Verder wijst de assisenjury erop dat: - de houding waarin het levenloze lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen, namelijk op haar linkerzijde met half gebogen onderste ledematen en de linkerarm haaks geplooid met de voorarm onder het hoofdkussen, het donsdeken minstens opgetrokken tot onder de rechter-oksel, de oogleden gesloten en met een zeer ontspannen en serene gelaatsuitdrukking, erop wijst dat zij sliep op het ogenblik dat het dodelijke schot werd afgevuurd, en dat die houding niet in overeenstemming is te brengen met de door de verzoeker beschreven actie, met name het plotse omdraaien van het slachtoffer, de poging om het wapen uit haar hand te nemen met een forse omklemming van de hand en ten slotte het afvuren van het wapen; - ook het feit dat de kogel een intracranieel traject heeft afgelegd volgens een perfect sagittale as erop wijst dat het wapen niet of nauwelijks is afgeweken van de oorspronkelijk door de verzoeker beschreven positie, hetgeen niet te rijmen valt met de uitoefening van de voormelde kracht, noch met de beweerde poging het wapen weg te trekken, tenzij deze kracht precies gebruikt is om het wapen in positie te houden; - de verzoeker geen enkele reden had om zijn dienstwapen mee naar huis te nemen, hij hiertoe geen toestemming had en, mocht hij bij het slachtoffer neerslachtigheid of een waarneembaar risico op zelfdoding hebben opgemerkt, hij zijn dienstwapen zeker zou hebben achtergelaten op het politiecommissariaat; - de versie van de zelfdoding of het accidentele overlijden evenmin aannemelijk is gelet op de noodzakelijke handelingen die het slachtoffer in de door de verzoeker verdedigde versies van de feiten noodzakelijk had moeten stellen met het dienstwapen, met name het uithalen van de lader, het verwijderen van de kogels uit deze lader, het herplaatsen van de lader, het ontgrendelen van de veiligheidspal en ten slotte het achteruit trekken van de slede, waarbij uit de geloofwaardige verklaringen van verschillende getuigen is gebleken dat het slachtoffer eerder een afkeer had van het wapen en zeker niet vertrouwd was met de werking ervan.
- Uit het arrest van 29 juni 2016 blijkt ook dat de assisenjury de resultaten van het ballistisch onderzoek niet verenigbaar acht met een zelfmoordscenario omdat een schot met het pistool in een omgekeerde greep met de duim aan de trekker niet leidt tot een automatische uitwerping van de huls maar dat laatste slechts het geval is bij een krachtige omklemming van de hand die het wapen vasthield, wat niet verenigbaar is met een poging van de verzoeker om het wapen af te nemen, alsook omdat de plaats waar de huls werd aangetroffen niet verenigbaar is met een zelfmoordscenario. Evenwel: - kan uit het arrest van 29 juni 2016 weliswaar worden afgeleid dat de plaats waar de huls werd aangetroffen, namelijk rechts naast het rechter hoofdkussen, één van de redenen was op grond waarvan het zelfmoordscenario niet aannemelijk werd geacht, maar niet dat het moordscenario bewezen werd verklaard en dus de schuld van de verzoeker op een doorslaggevende wijze werd bepaald op grond van de plaats van de aangetroffen huls; - kan het eerste novum louter ertoe leiden dat wordt vastgesteld dat de plaatsbepaling van de huls het zelfmoordscenario niet uitsluit, maar niet dat het moordscenario hierdoor minder aannemelijk, laat staan onmogelijk wordt; - blijkt de verzoeker zelf ervan uit te gaan (verzoekschrift, p. 16, nr. 12) dat het volstrekt onduidelijk is of de bewuste huls al dan niet verplaatst is geweest tussen de interventie van de eerste vaststellers en de vaststellingen van de recherche, waarbij hij ook verwijst naar het voormelde onderzoeksrapport van de Vrije Universiteit Amsterdam waarin wordt gesteld dat het op technische gronden hoe dan ook niet te voorspellen is waar een huls kan terechtkomen na het afvuren van een kogel (verzoekschrift, p. 69).
- Uit het voormelde volgt dat, zelfs wanneer op grond van het eerste novum zou vaststaan dat het zelfmoordscenario niet wordt uitgesloten door het uitwerpen van de huls en door de plaats waar de huls werd aangetroffen na het fatale schot, dit gegeven kennelijk niet van aard is dat het een ernstig vermoeden doet ontstaan dat, indien dit bekend zou zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet. Tweede novum
- Het tweede novum heeft betrekking op nieuwe ballistische onderzoeksgegevens waarvan volgens de verzoeker pas na zijn veroordeling in 2016 melding wordt gemaakt in de vakliteratuur, meer bepaald met betrekking tot de morfologie van kruitsporen (GSR), waaromtrent de verzoeker verwijst naar een studie die in 2020 is verschenen in het tijdschrift Forensic Science International: Synergy en een studie die in 2017 is verschenen in het tijdschrift Defence Technology. Volgens de verzoeker zouden deze nieuwe wetenschappelijke inzichten een ander licht kunnen werpen op de morfologie van de partikels die werden aangetroffen op zijn handen en op die van het slachtoffer.
- De in het tweede novum aangehaalde studies hebben betrekking op de analyse van schotresten en tonen volgens de verzoeker aan dat er een verband bestaat tussen de afstand waarop de deeltjes worden waargenomen en de morfologie ervan.
- Uit het arrest van 29 juni 2016 blijkt dat er op de handen van de verzoeker en op die van het slachtoffer slechts minimale sporen van schotresten werden teruggevonden, die bovendien het gevolg kunnen zijn van zowel contaminatie als van de verspreiding van deze resten in de ruime omgeving van de plaats waar het schot is afgegaan.
- Mede gelet op de redenen die het schuldoordeel motiveren, zoals nader aangehaald bij de beoordeling van het eerste novum, doen de in het tweede novum aangehaalde wetenschappelijke studies over schotresidu’s, meer bepaald met betrekking tot het verband tussen de afstand van partikels en de morfologie ervan, kennelijk niet een ernstig vermoeden ontstaan dat, indien die wetenschappelijke inzichten en de mogelijks erdoor te verkrijgen resultaten bekend zouden zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet. Derde novum
- Als derde novum voert de verzoeker aan dat de zakdoek die de resterende elf kogels uit het pistool bevatte en in het vriesvak van de koelkast werd teruggevonden, het voorwerp kan uitmaken van een DNA-onderzoek. De verzoeker verwijst hiervoor naar de bevindingen van deskundige E. van 25 januari 2023, die stelt dat een dergelijk onderzoek thans nog mogelijk is. Volgens de verzoeker zou een dergelijk DNA-onderzoek twijfel kunnen doen rijzen over zijn schuld en het zelfmoordscenario aannemelijk maken, meer bepaald als zou blijken dat op de zakdoek het enkelvoudig DNA-profiel van het slachtoffer zou worden teruggevonden.
- Uit het verzoekschrift en de erbij gevoegde stukken blijkt dat: - de zakdoek met bloemmotief, met daarin de elf resterende kogels uit de lader van verzoekers dienstwapen, werd teruggevonden in het vriesvak van de koelkast en in beslag werd genomen; - in het door de verzoeker aangehaalde onderzoeksrapport van de Vrije Universiteit Amsterdam wordt gesteld dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van niet delict-gerelateerde contaminatie van de zakdoek door DNA van zowel de verzoeker als het slachtoffer, gezien ze beiden in hetzelfde appartement woonden (verzoekschrift, p. 84); - ook in de voormelde bevindingen van deskundige E. wordt gewezen op de mogelijkheid van uitwisseling van DNA, aangezien de verzoeker en het slachtoffer partners zijn die in elkaars dichte omgeving leven.
- Daarentegen blijkt nergens uit en wordt door de verzoeker ook niet aangevoerd dat de zakdoek als overtuigingsstuk niet meer voorhanden was gedurende de volledige periode tussen de inbeslagneming ervan en de behandeling van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 juni 2016, noch dat het technisch niet mogelijk was om in die periode een DNA-onderzoek op die zakdoek uit te voeren, noch dat de verzoeker toen niet over rechtsmiddelen beschikte om de uitvoering van dit onderzoek te vorderen.
- Er blijkt bijgevolg niet dat de verzoeker de mogelijkheid van een DNA-onderzoek op de zakdoek niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding. Vierde novum
- Als vierde novum voert de verzoeker de mogelijkheid en de relevantie aan van nieuw DNA-onderzoek op de bestaande stalen van het pistool FN GP, waarop een partieel mengprofiel werd aangetroffen met het DNA van het slachtoffer, waarbij volgens de verzoeker ook dient te worden overgegaan tot een profilering van zijn DNA, alsook van nieuw DNA-onderzoek op de negatieve wissers van de trekker en de lader van het pistool en van de patronen, waarvan tijdens het destijds gevoerde DNA-onderzoek geen profiel kon worden opgesteld, vermoedelijk door de afwezigheid van voldoende intact biologisch materiaal. Volgens de verzoeker blijkt uit de bevindingen van deskundige E. van 3 mei 2023 dat er thans gevoeligere DNA-onderzoeken mogelijk zijn.
- Uit het arrest van 29 juni 2016 (p. 7, nr. 3) blijkt dat het eventuele aantreffen van DNA van het slachtoffer op de kolf van het pistool hoe dan ook niet relevant werd geacht ter ondersteuning van het zelfmoordscenario, omdat contaminatie in dit verband niet valt uit te sluiten. Zelfs wanneer aan de hand van nieuwe onderzoekstechnieken
(1)het mengprofiel op de wisser 3 “kolf pistool” zou kunnen worden geïnterpreteerd naar een eventueel hoofdprofiel en
(2)uiteindelijk toch een DNA-profiel zou kunnen worden opgesteld van de vooralsnog negatieve wissers 1, 4 en 5 met betrekking tot de loop, de trekker en de lader van het pistool, zouden deze gegevens kennelijk niet ertoe kunnen leiden dat een ernstig vermoeden ontstaat dat, indien die gegevens bekend zouden zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- Wat de negatieve wissers 6 tot en met 16 betreft, die betrekking hebben op de elf patronen die in het vriesvak van de koelkast werden aangetroffen, blijkt niet dat het aannemelijk is dat thans hiervan een DNA-profiel kan worden opgesteld, waarbij uit de bevindingen van deskundige E. van 3 mei 2023 louter blijkt dat het “zeer nuttig (lijkt) om de DNA-isolaten van de “negatieve” wissers, en meer bepaald de contactsporenwissers, alsnog te laten analyseren na kwantificatie” (stuk 5.c bij het verzoekschrift). Bovendien waren de patronen gewikkeld in een zakdoek, waaromtrent in de bevindingen van deskundige E. van 25 januari 2023 waarvan sprake in het derde novum wordt gewezen op de mogelijkheid van uitwisseling van DNA op de zakdoek, zodat de verzoeker niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat er met betrekking tot de patronen maar moeilijk contaminatie kan optreden tussen het DNA van de verzoeker en dat van het slachtoffer. Bovendien kan uit het bewijsoordeel zoals dit blijkt uit het arrest van 29 juni 2016 worden afgeleid dat de assisenjury beducht was voor de mogelijkheid van contaminatie van DNA-materiaal.
- Bijgevolg blijkt ook het voorgestelde onderzoek op de negatieve wissers van de patronen kennelijk geen gegeven in te houden dat een ernstig vermoeden doet ontstaan dat, indien dit gegeven bekend zou zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- Uit het bovenstaande volgt dat er met betrekking tot de door de verzoeker aangevoerde gegevens niet voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 7 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250107.2N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div