← België

KEVLAER bv contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.1 Rolnummer: C.23.0022.N Zaak: KEVLAER bv contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-01-31 Raadplegingen: 921 - laatst gezien 2026-06-17 15:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 De rechter die de door een partij gevorderde onderzoeksmaatregel beveelt, zoals de overlegging door de tegenpartij van bewijsmateriaal, keert de op voornoemde partij rustende bewijslast niet om. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Onderzoeksmaatregel overlegging bewijsmateriaal - Geen omkering bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 877 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiche 2 De inbrenger van een handelszaak in een vennootschap is verplicht tot niet-concurrentie met de vennootschap voor een redelijke termijn, die niet verder mag reiken dan wat redelijkerwijs noodzakelijk is om het overgedragen cliënteel aan de overnemer te binden. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Vrije woorden: Inbreng handelszaak - Niet-concurrentie inbrenger - Redelijke termijn - Begrip Tekst van de beslissing Nr. C.23.0022.N KEVLAER bv, met zetel te 1785 Merchtem, Lindestraat 114, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0567.995.772, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. K.D.V.,
  2. ELANO nv, met zetel te 1910 Kampenhout, Meerlaan 5, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0433.262.079,
  3. FINANCE 4 YOU bv, met zetel te 1910 Kampenhout, Meerlaan 5, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0809.267.931, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerders woonplaats kiezen,
  4. S.V.D.L.,
  5. WVL VERZEKERINGEN bv, voorheen FINAID bv, met zetel te 3191 Boortmeerbeek, Bieststraat 36, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0876.697.084, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 oktober
  6. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid
  7. De eerste, tweede en derde verweerders voeren een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel voert schending aan van zowel artikel 1315 Oud Burgerlijk Wetboek als artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek, terwijl slechts één van deze twee wettelijke bepalingen van toepassing kan zijn.
  8. De aangevoerde schending van artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek samen met de aangevoerde schending van de artikelen 870, 871 en 877 Gerechtelijk Wetboek volstaat, indien het middel gegrond wordt bevonden, om tot vernietiging van het dictum te kunnen leiden. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  9. De eerste, tweede en derde verweerders voeren een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel is gericht tegen een overtollig motief. De appelrechters steunen hun beslissing niet op de in het middel aangehaalde redenen, maar op het oordeel dat de eerste verweerder bij het versturen van zijn afscheidsmail, de klantenlijst van de eiseres niet onrechtmatig heeft gebruikt.
  10. Het middel is gericht tegen de redenen die de beslissing tot afwijzing van vordering van de eiseres tot overlegging van de mailinglijst door de eerste, tweede en derde verweerders dragen, terwijl de door deze verweerders aangehaalde redenen betrekking hebben op het oordeel ten gronde inzake het al dan niet onrechtmatig verkrijgen van de klantenlijst van de eiseres. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  11. Krachtens artikel 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Het tweede en het derde lid van hetzelfde artikel vervolgen dat hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten moet bewijzen die zijn bewering ondersteunen en dat alle partijen zijn gehouden om mee te werken aan de bewijsvoering.
  12. Artikel 870 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, onverminderd artikel 8.4, lid 5, Burgerlijk Wetboek, iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. Artikel 871 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter niettemin aan iedere gedingvoerende partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen. Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer er ernstige en bepaalde aanwijzingen bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.
  13. Uit deze bepalingen volgt niet dat indien de rechter de door een partij gevorderde onderzoeksmaatregel beveelt, zoals de overlegging door de tegenpartij van bewijsmateriaal, hij de op voornoemde partij rustende bewijslast omkeert.
  14. De appelrechters die de vordering tot overlegging van de mailinglijst door de eerste, tweede en derde verweerders afwijzen op de enkele grond dat deze vordering “neerkomt op een omkering van de bewijslast”, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel Ontvankelijkheid
  15. De eerste, tweede en derde verweerders voeren een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel is gericht tegen een overtollig motief, met name dat een niet-concurrentiebeding alleszins beperkt moest zijn in de tijd, meer bepaald niet langer dan vijf jaar, en is bijgevolg niet ontvankelijk.
  16. De appelrechters laten hun beslissing dat deze verweerders na de beëindiging van hun bestuursmandaat op 29 augustus 2019 niet langer gehouden waren door een impliciet niet-concurrentiebeding ook steunen op de vaststelling dat de duur van een impliciete niet-concurrentieverbintenis geënt wordt op de maximale duurtijd van een niet-concurrentiebeding dat beperkt moet zijn in de tijd, namelijk niet langer dan vijf jaar. De grond van niet-ontvankelijkheid, die berust op een onjuiste lezing van het arrest, moet worden verworpen.
  17. De eerste, tweede en derde verweerders voeren een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel is gericht tegen de beoordeling in feite wanneer een impliciet niet-concurrentiebeding, aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak, een einde neemt.
  18. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel is niet te scheiden van het onderzoek naar de gegrondheid ervan. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  19. Artikel 22, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, bepaalt dat wanneer de inbreng bestaat in een bepaalde zaak, en deze zaak onder de vennootschap wordt uitgewonnen, de vennoot tot vrijwaring jegens de vennootschap is gehouden op dezelfde wijze als een verkoper jegens zijn koper.
  20. Krachtens artikel 1626 Oud Burgerlijk Wetboek is de verkoper van rechtswege verplicht de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of op een gedeelte van de verkochte zaak, of voor de lasten die iemand beweert op die zaak te hebben, en die bij de koop niet zijn opgegeven, zelfs wanneer bij de koop geen beding omtrent de vrijwaring is gemaakt. Krachtens artikel 1628 Oud Burgerlijk Wetboek blijft de verkoper toch gehouden tot vrijwaring die volgt uit zijn eigen daad, zelfs wanneer bedongen is dat de verkoper tot geen vrijwaring zal zijn gehouden. Elke hiermee strijdige overeenkomst is nietig.
  21. Krachtens artikel 1134, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek moeten overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer worden gebracht. Krachtens artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek verbinden overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, de wet of het gebruik aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend.
  22. Uit deze bepalingen volgt dat de inbrenger van een handelszaak in een vennootschap verplicht is tot niet-concurrentie met de vennootschap voor een redelijke termijn, die niet verder mag reiken dan wat redelijkerwijs noodzakelijk is om het overgedragen cliënteel aan de overnemer te binden.
  23. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de vennoot die een handelszaak in de vennootschap inbrengt, gehouden is tot een niet-concurrentieverplichting jegens zijn medevennoten of jegens de vennootschap met rechtspersoonlijkheid; - de niet-concurrentieverbintenis het best kan worden gemoduleerd in de overeenkomst van inbreng of in de statuten; - de duur van de verbintenis onafhankelijk is van de omstandigheid dat de schuldenaar al dan niet vennoot blijft en men daarop het algemene beginsel van de duur van de niet-concurrentieverbintenis dient toe te passen; - geen bewijs voorligt dat de eiseres bij de inbreng van het handelsfonds door de eerste verweerder en L. rechtsgeldige afspraken heeft gemaakt met deze beiden omtrent de formulering van een niet-concurrentiebeding “dat alleszins beperkt moest zijn in tijd (niet langer dan vijf jaar), ruimte en activiteiten”; - enkel kan worden vastgesteld dat na de beëindiging van hun bestuursmandaat in de eerste eiseres op 29 augustus 2019, de verweerders niet langer waren gehouden door een (impliciet) niet-concurrentiebeding en dat er geen bewijs voorligt van een schending van hun discretieplicht.
  24. De appelrechters die aldus oordelen dat de duur van de niet-concurrentieverplichting beperkt moest zijn in tijd, met een maximumtermijn van vijf jaar, en zich alleszins niet uitstrekt tot voorbij de beëindiging van het bestuursmandaat van de verweerders, zonder de elementen aan te reiken waaruit blijkt dat de termijn die redelijkerwijze noodzakelijk is om het overgedragen cliënteel aan de overnemer te binden, was verstreken, laten het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.