← België

GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT contra HITT bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.5 Rolnummer: C.21.0449.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT contra HITT bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-01-31 Raadplegingen: 1543 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.5 Fiche 1 Opdat een partij op ontvankelijke wijze beroep kan instellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, is vereist dat deze beslissing haar nadeel toebrengt; bijgevolg heeft een partij geen belang om beroep in te stellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer die de klacht tegen deze partij seponeert

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Marktenhof - Beroep tegen seponeringsbeslissing gegevensbeschermingsautoriteit - Belang Wettelijke bepalingen: Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiche 2 De voorzitter van de ondernemingsrechtbank die uitspraak doet zoals in kort geding, het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad, doet uitspraak ten gronde en zijn uitspraak heeft gezag van gewijsde in de zin van de artikelen 23 tot en met 27 Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Marktpraktijken - Vordering tot staking - Voorzitter ondernemingsrechtbank - Kortgeding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.1 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.6 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Een derde kan zich ten aanzien van haar wederpartij, die de hoedanigheid van procespartij heeft in een andere gerechtelijke beslissing, beroepen op deze gerechtelijke beslissing als weerlegbaar feitelijk vermoeden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - ALLERLEI Vrije woorden: Bewijswaarde beslissing ten aanzien van een derde - Weerlegbaar vermoeden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0449.N GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, met zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0694.679.950, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. HITT bv, met zetel te 3290 Diest (Webbekom), Leuvensesteenweg 136/1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0877.707.864,
  2. S.W., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof, van 26 mei
  3. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 9 december 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Artikel 108, § 1, eerste zin, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit bepaalt: “De geschillenkamer stelt de partijen in kennis van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof.” Opdat een partij op ontvankelijke wijze beroep kan instellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer van de eiseres, is vereist dat deze beslissing haar nadeel toebrengt. Bijgevolg heeft een partij geen belang om beroep in te stellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer die de klacht tegen deze partij seponeert.
  5. Het arrest stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres aanvoert dat het beroep van de tweede verweerder onontvankelijk is bij gebrek aan belang, nu de beslissing van de geschillenkamer ten aanzien van hem een seponering uitspreekt; - van zodra een beslissing ten aanzien van een partij genomen wordt, welke de inhoud van deze beslissing ook weze, deze partij evenwel afdoende belang heeft om de beslissing te bestrijden; - indien de beslissing hem niet grieft, zijn beroep mogelijkerwijze niet gegrond is doch de vraag naar de gegrondheid niet mag verward worden met de vraag naar de ontvankelijkheid; - de geschillenkamer van de eiseres, ondanks het feit dat zij vaststelde dat de tweede verweerder geen gegevensverwerker is, toch de klacht verder heeft onderzocht jegens de tweede verweerder om dan finaal de klacht te seponeren; - indien een geseponeerde klacht geen eigenlijke sanctie inhoudt, het vervolgen, alvorens tot seponeren wordt beslist, wel griefhoudend blijft; - een deugdelijk onderzoek van de klacht door de eerstelijnsdienst had moeten aantonen dat er geen aanleiding was om de tweede verweerder te vervolgen.
  6. Het arrest dat met deze redenen beslist dat het beroep van de tweede verweerder tegen de beslissing van de geschillenkamer van de eiseres, die de klacht tegen de tweede verweerder seponeert omdat hij geen gegevensverwerker is, ontvankelijk is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Krachtens artikel XVII.1 WER, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, stelt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vast en beveelt hij de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek, van zijn uitvoeringsbesluiten en van de verordeningen van de Europese Unie waarvoor dit Wetboek in sancties voorziet, onverminderd de bijzondere bepalingen eigen aan boeken VI, XI en XII, bedoeld in hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze titel. Krachtens artikel XVII.6, eerste lid, WER wordt de vordering ingesteld en behandeld zoals in kortgeding. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank die uitspraak doet zoals in kort geding, het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad, doet uitspraak ten gronde en zijn uitspraak heeft gezag van gewijsde in de zin van de artikelen 23 tot en met 27 Gerechtelijk Wetboek.
  8. Krachtens artikel 23, eerste zin, Gerechtelijk Wetboek strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond, de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Deze bepaling staat niet eraan in de weg dat een derde zich ten aanzien van haar wederpartij, die de hoedanigheid van procespartij heeft in een andere gerechtelijke beslissing, kan beroepen op deze gerechtelijke beslissing als weerlegbaar feitelijk vermoeden. Artikel 47 Handvest Grondrechten EU betreffende het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht doet daaraan geen afbreuk.
  9. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - tussen partijen discussie bestond over de vraag of er een contractuele relatie bestond tussen de eerste verweerster en de klaagster die eventueel als rechtmatigheidsgrond kon dienen voor de verwerking van de persoonsgegevens van de klaagster overeenkomstig artikel 6.1, eerste lid, Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, hierna AVG; - de eiseres in dat verband heeft verwezen naar de beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van 24 november 2020, gewezen tussen de eerste verweerster en de klaagster, waarin de stakingsrechter vaststelde dat de contractuele banden tussen deze partijen beëindigd waren vanaf 3 november 2019; - het arrest daarentegen oordeelt “dat er voldaan is aan de vereisten van artikel 6.1 AVG” en daarbij verwijst naar “de artiestenovereenkomst van 26 juli 2008” en “de licentieovereenkomst van 20 november 2015” zodat het impliciet doch zeker oordeelt dat er wel nog een contractuele band bestond tussen de eerste verweerster en de klaagster; - het arrest daarbij tevens overweegt: “De omstandigheid dat een stakingsrechter andere beslissingen zou hebben genomen, is niet relevant en kan geen argument zijn ten overstaan van het Marktenhof dat autonoom oordeelt conform artikel 47 HGEU.”
  10. Het arrest dat aldus eraan voorbijgaat dat de eiseres ten aanzien van de eerste verweerster de beslissing van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van 24 november 2020 als weerlegbaar feitelijk vermoeden kan inroepen, verantwoordt zijn beslissing dat voldaan is aan de vereisten van artikel 6.1 AVG, niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit oordeelt over de ontvankelijkheid van het beroep van de eerste verweerster. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.