← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN c Autobussen De Reys

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.7 Rolnummer: F.22.0026.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN c Autobussen De Reys Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2025-01-31 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-15 03:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Vertaling samenvatting(
  2. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 6 Het Hof stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 275/5, § 2, 1° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor aanslagjaar 2012, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, doordat ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak kunnen worden beschouwd als “ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht” in de zin van voormeld artikel en bijgevolg kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, terwijl ondernemingen waarvan de ploegen vergelijkbaar werk qua omvang doen en voor het overige voldoen aan dezelfde voorwaarden [ofwel: ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen qua inhoud maar vergelijkbaar werk qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak,] niet kunnen worden beschouwd als “ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht” in de zin van dat artikel en bijgevolg niet kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?”

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 7 De wetgever heeft de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing willen voorbehouden aan ondernemingen die werken met ploegen die hetzelfde werk doen qua inhoud en qua omvang waarbij het voor de toepassing van deze fiscale gunstmaatregel is vereist dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen en het bijgevolg niet volstaat dat deze omvang vergelijkbaar is
(1).
(1)Cass. 29 november 2024, AR F.21.0100.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.
  1. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Vrije woorden: Vrijstelling - Ploegenarbeid - Hetzelfde werk qua omvang - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 1 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0026.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de algemene administratie fiscaliteit, Centrum Grote Ondernemingen Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, eiser, tegen AUTOBUSSEN DE REYS nv, met zetel te 2830 Willebroek, Jozef De Blockstraat 73, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.670.052, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 15 oktober 2019 en 19 januari
  2. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 28 december 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Het Hof heeft bij arrest van 31 maart 2023 aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Bij arrest nr. 21/2024 van 8 februari 2024 heeft het Grondwettelijk Hof geantwoord. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan voormeld arrest van het Hof is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  3. Krachtens artikel 275/5, § 1, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden de ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 15,6 pct. van de belastbare bezoldigingen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden.
  4. Krachtens § 2, 1°, van voormelde bepaling wordt voor de toepassing van § 1 verstaan onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: “de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak.”
  5. Uit de tekst alsook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing heeft willen voorbehouden aan ondernemingen die werken met ploegen die hetzelfde werk doen qua inhoud en qua omvang waarbij het voor de toepassing van deze fiscale gunstmaatregel is vereist dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen en het bijgevolg niet volstaat dat deze omvang vergelijkbaar is.
  6. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 21/2024 van 8 februari 2024 voor recht gezegd dat artikel 275/5, § 2, 1°, WIB92, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2012, de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, Grondwet niet schendt in zoverre het voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist dat de ploegen hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang.
  7. In het bestreden tussenarrest van 15 oktober 2019 stellen de appelrechters vast en oordelen zij dat: - wat de omvang van het werk betreft, uit bijlage 1 niet duidelijk blijkt welke lijnen door welke ploeg worden verzorgd, met als voornaamste probleem lijn 280-282, waarbij de chauffeur niet eenmaal, doch tweemaal wordt afgelost; - aangezien niet duidelijk is welke lijn door welke ploeg wordt verzorgd, niet kan worden nagegaan of de omvang van het werk, verricht door de ochtendploeg, vergelijkbaar is met het werk, verricht door de namiddagploeg; - het debat wordt heropend om de verweerster toe te laten desbetreffend de nodige verduidelijking te brengen en partijen toe te laten standpunt in te nemen.
  8. In het bestreden eindarrest van 19 januari 2021 oordelen de appelrechters vervolgens dat: - naast het gegeven dat de opeenvolgende ploegen hetzelfde werk moeten doen wat inhoud en omvang betreft, de wet niet verduidelijkt aan de hand van welke criteria de omvang van het werk moet worden vastgesteld; - dit noodzakelijkerwijze zal afhangen van het werk dat wordt verricht, waarbij het verzekeren van de continuïteit van het werk cruciaal is; - de verweerster voorstelt om de omvang van het werk in het geval van de busdiensten van De Lijn te meten aan de hand van de totale duur die door een ploeg dagelijks wordt gewerkt en de totale tijdsduur waarin wordt gewerkt in stuk 11 verdeelt in blokjes van telkens een half uur; - de eiser geen alternatief criterium daar tegenover stelt om de omvang van het werk in te schatten; - de duurtijd van de diensten in één ploeg een adequaat criterium vormt om de omvang van het werk in ploeg te beoordelen, aangezien dit toelaat de omvang te bepalen van het werk dat nodig is om de continuïteit van de buslijnen van De Lijn te verzekeren; - de diensten V81 en V96 niet in aanmerking komen voor het stelsel van ploegenarbeid omdat de omvang van het werk van de ochtendploeg teveel verschilt van het werk van de namiddag/avondploeg en omdat de continuïteit van de lijn 280-282 niet is verzekerd door slechts twee van drie onderdelen van deze lijn in aanmerking te nemen; - wat de andere diensten betreft die voor ploegenarbeid in aanmerking komen, uit stuk 11 blijkt dat de continuïteit van de betrokken lijnen wel wordt verzekerd en dat bovendien de omvang van het werk, met name 51 tijdblokjes van een half uur voor de ochtendploeg en 53 blokjes voor de namiddag/avondploeg wel vergelijkbaar is.
  9. De appelrechters die aldus oordelen dat het volstaat dat de omvang van het werk van de ploegen voor de nader bepaalde diensten vergelijkbaar, maar niet hetzelfde is opdat de verweerster kan worden beschouwd als een onderneming waar ploegenarbeid wordt verricht in de zin van voormeld artikel 275/5, § 2, 1°, WIB92, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden tussenarrest van 15 oktober 2019, behalve in zoverre dit het hoger beroep toelaatbaar verklaart, en het bestreden eindarrest van 19 januari
  10. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.