← België

Group S-Sociaal Secretariaat contra Actualic

Obsah (7)Art. 13Art. 15Art. 16Art. 17Art. 18Art. 564Art. 812

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 13

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 15

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 16

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 18

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 564

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 812, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.

S.23.0024.N GROUP S – SOCIAAL SECRETARIAAT, ERKEND SOCIAAL SECRETARIAAT VOOR WERKGEVERS vzw, met zetel te 1000 Brussel, Ursulinenstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0407.214.017, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. ACTUALIC bv, met zetel te 1180 Ukkel, Kraakbeziënlaan 56, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0834.636.696, verweerster,
  2. DRIES GOYENS bv, met zetel te 2260 Westerlo, Grote Markt 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0894.566.365, verweerster,
  3. GRANT THORNTON BEDRIJFSREVISOREN – REVISEURS D’ENTREPRISES cv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Uitbreidingstraat 72 bus 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0439.814.826, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Marsveldplein 5, waar de verweerster woonplaats kiest,
  4. AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN MARKTEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Congresstraat 12-14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0544.279.965, verweerster,
  5. NATIONALE BANK VAN BELGIË nv, met zetel te 1000 Brussel, de Berlaimontlaan 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0203.201.340, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest, in aanwezigheid van W. V. D. S., tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 27 juni
  6. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 19 november 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  7. De derde verweerster voert een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel dat niet verduidelijkt hoe of in welke zin de appelrechters het voorwerp van de vorderingen tot vrijwaring wijzigen, is onnauwkeurig.
  8. Het middel voert aan dat de appelrechters door de vrijwaringsvorderingen niet ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan een voldoende band met de hoofdvordering, hoewel de vorderingen eenzelfde voorwerp betreffen zodat de noodzakelijke juridische band vast staat, ambtshalve het voorwerp van de vrijwaringsvorderingen wijzigen en aldus de in het middel aangevoerde wetsbepalingen schenden. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  9. De vijfde verweerster voert een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel kan niet tot cassatie leiden omdat de beslissing van de appelrechters tot afwijzing van de vrijwaringsvorderingen ingesteld tegen de verweerders, naar recht verantwoord blijft op grond van de niet-bekritiseerde redenen dat een band van samenhang is vereist opdat de rechter op de hoofdvordering uitspraak kan doen over een vordering tot gedwongen tussenkomst die niet tot zijn bevoegdheid behoort en dat deze samenhang in casu niet voorhanden is.
  10. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf.
  11. De derde en de vijfde verweerster voeren een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel is gericht tegen het feitelijk oordeel dat er geen samenhang is tussen de hoofdvordering van de eiseres ingesteld tegen de tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en de vrijwaringsvorderingen van de eiseres tegen de verweersters.
  12. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  13. Krachtens de artikelen 13, 15, eerste lid, en 16, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is een vordering tot gedwongen tussenkomst een tussenvordering waarbij een partij in een lopend geding een derde in dat geding betrekt. Krachtens artikel 812, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is tussenkomst mogelijk voor elke rechter, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat een reeds bevolen onderzoeksmaatregel afbreuk mag doen aan het recht van verdediging van de derde. Krachtens artikel 564 Gerechtelijk Wetboek neemt de rechter voor wie het geding loopt, kennis van de vordering tot tussenkomst. Krachtens artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is een vordering in rechte niet ontvankelijk ingeval de eiser die ze instelt geen belang erbij heeft. Artikel 18 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn.
  14. Uit voormelde bepalingen volgt dat de rechter bij wie een vordering aanhangig is gemaakt, in de regel bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vrijwaring, ook wanneer deze tussenvordering tot de bevoegdheid van een andere rechter behoort op voorwaarde dat tussen beide vorderingen een voldoende nauwe band bestaat. De rechter beoordeelt het bestaan dan wel het ontbreken van een voldoende nauwe dergelijke band tussen de hoofdvordering en de vordering tot vrijwaring. Hij kan het bestaan ervan evenwel niet afwijzen op de enkele grond dat de grondslag van de vorderingen verschilt en de vordering tot vrijwaring, anders dan de hoofdvordering, aldus niet tot zijn bevoegdheid behoort.
  15. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij bij verzoekschrift op tegenspraak vorderde om de eiseres te veroordelen tot het betalen van diverse bedragen, overeenstemmend met de verworven prestaties uit drie groepsverzekeringsplannen; - de eiseres vervolgens de verweerders heeft gedagvaard in gedwongen tussenkomst waarbij zij vorderde om deze partijen te veroordelen om haar te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld; - aangezien de verweerders niet werden gedagvaard voor hun “natuurlijke rechter”, een voldoende nauwe band moet bestaan tussen de hoofdvordering en de tussenvordering, wat inhoudt dat enkel derden die later derdenverzet zouden kunnen instellen tegen de beslissing over de hoofdvordering, tot tussenkomst kunnen worden gedagvaard; - niet wordt ingezien waar er “samenhang” kan zijn tussen, enerzijds, de vordering van de werknemer tegen de werkgever tot nakoming van zijn verbintenissen die hetzij uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien hetzij het gevolg zijn van de wettelijke regeling in de Wet Aanvullende Pensioenen en, anderzijds, de vordering van de werkgever tegen rechtspersonen – geheel vreemd aan de arbeidsovereenkomst en zelfs aan de groepsverzekeringsovereenkomst – waarvan hij voorhoudt dat zij hem op grond van de regel van de extra-contractuele aansprakelijkheid moeten vergoeden voor de schade die hij lijdt door het “quasi”-faillissement van zijn groepsverzekeraar; - het gegeven dat de eiseres een dergelijke vordering tegen een of meer van die derden kan instellen, niet volstaat “om de arbeidsgerechten ook met de beoordeling van een dergelijke vordering te kunnen belasten (ook letterlijk)’’; - het beschikken over een “belang” om een dergelijke hoofdvordering in te stellen, niet volstaat om tot het bestaan van “samenhang”, en het aanwezig zijn van een voldoende belang bij het instellen van de tussenvordering, te kunnen besluiten. De appelrechters die met deze redenen oordelen dat de vorderingen tot vrijwaring ingesteld tegen de verweerders bij gebrek aan een voldoende nauwe band met de hoofdvordering niet ontvankelijk zijn, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen tot vrijwaring ingesteld tegen de verweerders en over de hieraan verbonden kosten. Verklaart het arrest bindend ten aanzien van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Bruno Lietaert en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 13 januari 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250113.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250113.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.