← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verloop van de strafprocedure - Redelijke termijn - Criteria - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Redelijke termijn - Criteria - Beoordeling - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 7 - 9 Gelet op de vaststelling door het bestreden vonnis dat de strafvervolging bij de afhandeling in hoger beroep gedurende ongeveer één jaar heeft stilgelegen, zonder dat daarvoor enige verantwoording wordt gegeven, kunnen de appelrechters niet wettig oordelen dat de procedure tijdens de afzonderlijke fases relatief snel is verlopen en dat de redelijke termijn niet is overschreden

(1).
(1)In dezelfde zin zie Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1384.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 (verkeerszaak, meer dan een jaar tussen de dagvaarding in hoger beroep en het vonnis in hoger beroep, miskenning van de redelijke termijn) en Cass. 7 februari 2023, AR P.22.1394.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.3 (verkeerszaak, negen maanden tussen de laatste onderzoeksdaad als stuitingsdaad (oud art. 22 V.T. Sv.) en de dagvaarding in eerste aanleg, miskenning van de redelijke termijn). In de andere zin zie Cass. 18 september 2024, AR P.24.0443.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240918.2F.2 (verkeerszaak, snelle afhandeling in eerste aanleg (twee maanden) en in hoger beroep (twee maanden), maar vertraging van 16 maanden tussen akte van hoger beroep en dagvaarding in hoger beroep). Het Hof nam in deze zaak AR P.24.0443.F aan dat de redelijke termijn kan zijn nageleefd ondanks een vertraging van meer dan één jaar tussen de akte van hoger beroep en de inleidende zitting, rekening houdend met onder meer de snelheid van de procedure in eerste aanleg en de houding van de beklaagde. Het OM was in deze zaak AR P.24.0918.N van mening dat het bestreden vonnis naar recht was verantwoord, en het tweede middel niet gegrond voorkomt. (BDS) Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Eenvoudige strafzaak - Afhandeling van de zaak in hoger beroep met een vertraging van ongeveer één jaar - Geen vertraging in de overige fases van berechting - Oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verloop van de strafprocedure - Redelijke termijn - Eenvoudige strafzaak - Afhandeling van de zaak in hoger beroep met een vertraging van ongeveer één jaar - Geen vertraging in de overige fases van berechting - Oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Redelijke termijn - Eenvoudige strafzaak - Afhandeling van de zaak in hoger beroep met een vertraging van ongeveer één jaar - Geen vertraging in de overige fases van berechting - Oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0918.N E. A., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 7 mei

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en artikel 49 Wegverkeerswet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, namelijk “Schendt artikel 44 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, het grondbeginsel van het legaliteitsbeginsel, alsook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 24 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer gelet op het gegeven dat een persoon wiens rijbewijs werd ingetrokken ingevolge een rijongeschiktheid pas opnieuw in het bezit kan worden gesteld van zijn rijbewijs nadat een nieuw vonnis is uitgesproken of een wachttermijn van zes maanden is verstreken niettegenstaande de rijgeschiktheid van deze persoon op een vroeger tijdstip is vast te komen staan daar waar een persoon met een beveiligingsmaatregel in het kader van artikel 24 van de Wet van 16 maart 1968 het rijbewijs onmiddellijk wordt terugbezorgd indien voldaan is aan de procedure conform artikel 24, laatste lid van de Wet van 16 maart 1968 en er een rijgeschiktheidsattest groep 1 of groep 2 wordt bijgebracht?”, niet onontbeerlijk is voor de behandeling van het dossier aangezien de eiseres zelf niet vervallen werd verklaard tot het besturen van een motorvoertuig; de al dan niet vervallenverklaring tot het besturen van een motorvoertuig van K.P. is een wezenlijk constitutief bestanddeel op basis waarvan de schuldigverklaring van de eiseres aan het misdrijf van artikel 49 Wegverkeerswet al dan niet komt vast te staan; er is immers geen inbreuk op artikel 49 Wegverkeerswet indien K.P. niet vervallen is verklaard van het recht tot sturen.
  3. Op grond van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor voorziening in cassatie niet gehouden een opgeworpen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. Het volstaat dat het rechtscollege zijn oordeel verduidelijkt aan de hand van een of meerdere redenen die de beslissing kunnen dragen. Het moet de reden of de redenen daarvoor niet omstandig en genuanceerd onderbouwen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het bestreden vonnis (p. 7) oordeelt dat het antwoord op de voorgestelde prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is voor de behandeling van het dossier omdat: - zij immers kadert in de discriminatie die zou kunnen voortspruiten uit de verschillende behandeling van de personen die rijongeschikt werden verklaard op basis van artikel 42 Wegverkeerswet enerzijds en de personen die hun rijbewijs inleverden op basis van artikel 24 Wegverkeerswet anderzijds; - de eiseres zich noch in de ene, noch in de andere categorie bevindt; - de eiseres zich enkel moet verantwoorden voor het, onder de telastlegging D, wetens een motorvoertuig toe te vertrouwen aan een persoon die vervallen werd verklaard van het recht tot sturen en voor het, onder de telastlegging E, wetens een motorvoertuig toe te vertrouwen aan een persoon die niet beschikt over een geldig rijbewijs.
  5. Die redenen van het bestreden vonnis kunnen de beslissing dragen dat het antwoord op de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
  6. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, kan het niet worden aangenomen. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 49 Wegverkeerswet is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel eveneens niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter (oud), thans artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de redelijke termijn niet is verstreken; de eiseres wist minstens sedert 28 januari 2022 dat zij zich moest verdedigen, waarna inmiddels meer dan twee jaar zijn verstreken; er moet ook worden vastgesteld dat meer dan één jaar is verstreken na het instellen van het hoger beroep door de eiseres op 5 april 2023 tot wanneer uiteindelijk vonnis werd geveld op 7 mei
  8. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging overeenkomstig artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist, is overschreden.
  9. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde.
  10. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het bestreden vonnis (p. 11-12) stelt het volgende vast: - de feiten dateren van 29 augustus 2021; - de eiseres werd bij exploot van 19 mei 2022 gedagvaard om te verschijnen voor de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 oktober 2022; - de politierechtbank nam de zaak op de rechtszitting van 5 oktober 2022 bij verstek in beraad; - het verstekvonnis van de politierechtbank dateert van 5 oktober 2022; - het verstekvonnis werd aan de eiseres betekend bij exploot van 6 februari 2023; - de eiseres tekende bij exploot van 13 februari 2023 verzet aan tegen het verstekvonnis van 5 oktober 2022; - het vonnis op verzet van de politierechtbank dateert van 8 maart 2023; - de eiseres tekende hoger beroep aan middels akte van 5 april 2023; - de eiseres werd bij exploot van 8 februari 2024 gedagvaard om te verschijnen in hoger beroep op de rechtszitting van 12 maart 2024; - de rechtbank van eerste aanleg neemt op de rechtszitting van 12 maart 2024 de zaak in beraad. Gelet op de vaststelling door het bestreden vonnis dat de strafvervolging in deze zaak bij de afhandeling in hoger beroep gedurende ongeveer één jaar heeft stilgelegen, zonder dat daarvoor enige verantwoording wordt gegeven, kunnen de appelrechters niet wettig oordelen dat de procedure tijdens de afzonderlijke fases relatief snel is verlopen en dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  13. De cassatie van de beslissing over de redelijke termijn leidt tot de cassatie van de beslissing over de aan de eiseres opgelegde straf voor het feit omschreven onder de telastlegging D met inbegrip van haar veroordeling tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Het laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de overschrijding van de redelijke termijn en het de eiseres veroordeelt tot straf voor het feit omschreven onder de telastlegging D met inbegrip van de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 216,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240918.2F.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.3 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.