id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Verbeurdverklaring - Verbod van een onredelijk zware straf - Criteria - Gegevens aangereikt door de beklaagde - Beoordeling Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1409.N T. D. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 11 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 3 Probatiewet: het arrest moet eisers verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling (hierna opschorting) beoordelen vanuit het gevaar voor declassering ingevolge een veroordeling; dit gevaar is gelet op de sociaal-professionele achtergrond van de eiser, zijn opleiding en arbeidsgeschiedenis en zijn intenties naar de toekomst toe duidelijk aanwezig; het oordeel dat de opschorting ongepast is omdat de toekomst van de eiser niet op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, zou worden gehypothekeerd door de opgelegde straf, is onwettig.
- Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor opschorting, volgt niet dat de rechter verplicht is die maatregel uit te spreken. Er bestaat immers geen recht op opschorting.
- Uit de samenlezing van artikel 3 Probatiewet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet volgt dat indien een beklaagde tot staving van zijn verzoek om opschorting concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering.
- De rechter oordeelt in het licht van deze afweging onaantastbaar of de maatregel van opschorting wenselijk is.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - er is terecht gewezen op de ernst van de feiten: de eiser, werkzaam als taxichauffeur, heeft op aanzienlijke schaal speed en cocaïne verkocht en hij stelde ook cannabis en XTC-pillen ter beschikking van derden; - het in meerdere of mindere mate op de markt brengen van drugs, zoals de eiser deed, raakt de volksgezondheid en betekent een aanzienlijke bijkomende maatschappelijke kost en overlast; - de eiser stond zelf niet stil bij de vaak vernietigende gevolgen van druggebruik en had slechts oog voor eigen geldgewin; - de eiser beschikt als 59-jarige nog over een vrij gunstig strafregister, wat in zijn voordeel pleit; - de eiser gaf in conclusie aan dat hij omwille van zijn werk als taxichauffeur een blanco strafregister wenste te behouden aangezien een correctionele veroordeling ertoe zou leiden dat hij niet meer aan de wettelijke voorwaarden voor deze tewerkstelling zou voldoen; - de verdediging gaf aan dat de eiser inmiddels op staande voet werd ontslagen naar aanleiding van een ongeval als taxichauffeur, waarvoor hij echter elke verantwoordelijkheid betwist; - de eiser legt een stuk voor waaruit blijkt dat hij nu werkzaam is bij Airservice Transport bv; - aan de eiser wordt geen opschorting toegekend omdat dit bij hem zou leiden tot een onvoldoende bewustwording van de zwaarwichtigheid van de door hem gepleegde feiten; - hoewel een veroordeling zoals de lastens hem door de eerste rechter opgelegde bestraffing zijn kans op bepaalde tewerkstelling (bijv. als taxichauffeur) inderdaad kan hypothekeren, zal dit zijn toekomst niet op een overdreven wijze in een wanverhouding tot de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten hypothekeren; - de eiser is duidelijk ook een druggebruiker en legt geen enkel actueel stuk neer waaruit blijkt dat hij ook maar een aanzet heeft genomen tot ontwenning; - uit het strafdossier is gebleken dat hij drugs verkocht terwijl hij in dienst was als taxichauffeur; - het is dan ook niet uitgesloten en integendeel aannemelijk dat hij zich, mogelijk in de toekomst, onder invloed op de weg zou begeven, zodat een ernstig signaal onder vorm van een hoofdgevangenisstraf en geldboete op zijn plaats is; - de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de eiser, zoals geschetst, wettigen, ofschoon hij over een gunstig strafverleden beschikt, ten volle de door de eerste rechter opgelegde bestraffing en laten geen ruimte voor enige mildering.
- Daaruit volgt dat de appelrechters wel degelijk de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiser hebben afgewogen tegen de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters na die afweging, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 19, tweede lid, van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer en de artikelen 24 en 25, § 1, 2° tot en met 4°, van het besluit van 9 juni 2023 betreffende de exploitatievoorwaarden voor het individueel bezoldigd personenvervoer: het arrest moet een afweging maken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiser en anderdeels de nadelige effecten van de strafrechtelijke interventie en de resocialisering van de eiser; uit de regelgeving betreffende het bezoldigd vervoer volgt dat door de veroordeling de tewerkstelling van de eiser in de toekomst niet “kan” worden gehypothekeerd, maar “wordt” gehypothekeerd aangezien hij niet langer zal voldoen aan de in die regelgeving bepaalde voorwaarden; het arrest hanteert dus een incorrecte parameter.
- Uit de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen van het arrest blijkt dat de appelrechters wel degelijk rekening hebben gehouden met het gegeven dat de eiser ingevolge de hem opgelegde veroordeling niet langer werkzaam zal kunnen zijn in het kader van het bezoldigd vervoer van personen, maar dat na afweging dit volgens de appelrechters niet kan leiden tot het uitspreken van de opschorting. Het onderdeel, al was het gegrond, kan dan ook niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: het arrest motiveert niet afdoende waarom aan de eiser geen werkstraf wordt opgelegd; de redenen om de uitspraak van veroordeling niet op te schorten, kunnen niet gelden als een motivering voor de afwijzing van het verzoek om een werkstraf; er blijkt niet dat de opportuniteit van een werkstraf werd onderzocht; de afwijzing van het verzoek om een werkstraf vereist een autonome motivering; door de eiser te horen over de draagwijdte van een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies, § 3, eerste lid, Strafwetboek wordt bij de eiser een bepaalde verwachting gecreëerd, waarbij bij de motivering van een weigering rekening moet worden gehouden.
- Noch uit artikel 37quinquies Strafwetboek nog uit enig andere bepaling volgt dat de rechter verplicht is een werkstraf uit te spreken indien dit wettelijk mogelijk is. De rechter oordeelt in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete gegevens van de zaak onaantastbaar over de wenselijkheid ervan. Er bestaat immers geen recht op een werkstraf.
- De rechter moet de weigering een werkstraf uit te spreken volgens artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek met redenen omkleden. Noch uit deze bepaling noch uit enig andere bepaling volgt dat de weigering een werkstraf op te leggen een op zichzelf staande motivering vereist. De rechter kan de weigering regelmatig met redenen omkleden door opgave van redenen ter verantwoording van het opleggen van een andere bestraffing of door verwijzing naar de redenen om aan de beklaagde niet de maatregel van de opschorting toe te kennen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 8, voorlaatste alinea) verwijst voor de verantwoording van de weigering een werkstraf uit te spreken naar de redenen die het bevat betreffende de weigering opschorting toe te kennen en betreffende de aan de eiser op te leggen hoofdgevangenisstraf en geldboete. Aldus is de beslissing geen werkstraf uit te spreken regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 5, 42 en 43 Strafwetboek en artikel 4, § 6, Drugwet: het arrest vermeldt met betrekking tot de beide bijzondere verbeurdverklaringen (hierna verbeurdverklaring) geen enkele parameter op grond waarvan deze straffen in concreto als proportioneel moeten worden beschouwd; het arrest onderzoekt niet of de combinatie van de opgelegde straffen en met name een hoofdgevangenisstraf, een geldboete en de verbeurdverklaringen geen disproportioneel zware bestraffing oplevert; het arrest moet motiveren waarom de combinatie van die straffen passend is en waarom de gevolgen van de combinatie, zowel op financieel als persoonlijk vlak, rechtvaardig zijn en in verhouding staan tot de gepleegde feiten en de rehabilitatie van de eiser.
- Artikel 6 EVRM en artikel 5 Strafwetboek zijn vreemd aan de aangevoerde grief.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een verbeurdverklaring voor een beklaagde een onredelijk zware straf oplevert. Bij die beoordeling kan hij onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde misdrijven, de nagestreefde verrijking, de rol van de beklaagde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria bij zijn beoordeling betrekt.
- De rechter dient enkel vast te stellen dat hij door het uitspreken van een verbeurdverklaring geen onredelijk zware straf oplegt, indien hij daartoe door een beklaagde wordt uitgenodigd. Het komt de beklaagde toe de gegevens aan te reiken welke de rechter in staat moeten stellen die beoordeling te maken.
- Bij zijn beoordeling mag de rechter zich beperken tot de gegevens welke de beklaagde heeft aangereikt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiser heeft in zijn appelconclusie (p. 11-12, tweede en derde middel) met betrekking tot de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen en van het voertuig Mazda enkel voorgehouden dat die een onredelijke zware bestraffing uitmaakt en de door hem ingezette resocialisering zouden hypothekeren, maar hij heeft daartoe geen concrete elementen aangevoerd. In het grievenformulier werden evenmin dergelijke concrete elementen aangevoerd.
- Het arrest oordeelt betreffende de beide verbeurdverklaringen als volgt: - de eerste rechter heeft het bedrag aan wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen bepaald op 231.800,00 euro, maar dit bedrag correct gematigd tot een bedrag van 23.180,00 euro, met toerekening van een bedrag van 4.302,00 euro dat bij het COIV is geplaatst, teneinde de financiële toestand van de eiser niet al te zeer te hypothekeren; - er zijn geen redenen om dit bedrag verder te matigen naar een bedrag van 10.000,00 euro, zoals werd gevraagd door de eiser; - deze beslissing is gelet op het aandeel van de eiser in de feiten en de overige bestraffingen, alsook zijn financiële situatie voor zover die blijkt uit het strafdossier en beperkt werd toegelicht door de verdediging geen onredelijk zware bestraffing; - de verbeurdverklaring van het voertuig Mazda is rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten, alsook de voorwaardelijk opgelegde hoofdgevangenisstraf behoudens de voorhechtenis en de geldboete, alsook de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen wettig en passend en maakt geen onredelijke straf uit.
- Met die redenen omkleedt het arrest in het licht van de beschikbare en door de eiser aangevoerde gegevens de beslissingen tot verbeurdverklaring regelmatig met redenen en verantwoordt het die beslissingen naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet motiveren waarom de combinatie van de door hem opgelegde straffen niet disproportioneel zwaar is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser heeft aangevoerd dat het appelgerecht door een combinatie van op te leggen straffen de eiser disproportioneel zou bestraffen. Het arrest diende dan ook geen beoordeling in dat verband te bevatten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 januari 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210317.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div